
Een tijdje terug was ik weer eens te gast bij het fijne radio-programma TROS Muziekcafé. Daar krijg je als Nederlandse artiest tenminste nog eens de ruimte om langer dan dertig seconden iets van jezelf te laten horen: een blok van een kwatier maar liefst, met drie liedjes live en tussendoor een vriendelijk en geïnteresseerd interview. Kom daar nog maar eens om, op de Nederlandse radio!
Dit keer kwam ik een paar nummers doen met Mischa. Ik wil nu niet net doen alsof ik kind aan huis ben bij TROS Muziekcafé, maar ik was er eerder al meerdere malen geweest met Behave en Paper Moon, en dan treedt een aangenaam soort gewenning op: live op radio of tv blijft altijd spannend, ook de twintigste of dertigste keer nog, maar als je vaker te gast bent bij hetzelfde programma, dan weet je hoe de hazen lopen.
Extra leuk aan de formule van TROS Muziekcafé is de mix van bekende, populaire, vergeten en ook coming up artiesten. Zo heb ik met Paper Moon nog eens in eenzelfde editie opgetreden als Vader Abraham. Leuke, toegankelijke man trouwens, Pierre Kartner. Niet te beroerd om met een gulle lach zijn handtekening te zetten op mijn smurfenhandpopje, dat ik speciaal voor deze gelegenheid mee had genomen in mijn drumtasje.
Ik was snel klaar met soundchecken. Goeie backline, kundige en bovendien aardige technici (ook al zoiets bijzonders, want meestal zijn technici snauwende en grommende ex-muzikanten die het niet hebben kunnen maken), puike productie-leiding, dus: wat kan er fout gaan? Niets.
Toch zat onze zangeres in een schemerig hoekje gespannen haar tekstboekje te bestuderen. Of, eigenlijk: ze tuurde met groeiend onbegrip naar haar zelfgeschreven regels. Haar wenkbrauwen fronsten zich, ze trok haar mondhoeken naar beneden en schudde langzaam haar hoofd. Alsof ze haar hersenspinsels voor het eerst onder ogen kreeg. Heb ìk dat geschreven? Wat had ik toen op?
Het lijkt vaak verontrustend, dat vertwijfelde geworstel vlak voor de aftrap, maar feitelijk is het niks bijzonders. Het hoort erbij, dat heb je nu eenmaal met zangeressen.
Ook onze bassist zat backstage overdreven geconcentreerd wat te hannessen met een doekje, waarmee hij zijn uitgekookte snaren teder doch streng wreef. De gitarist zat echter, volkomen zeker van zichzelf zoals alleen gitaristen dat kunnen zijn, lekker met de oogjes dicht onderuit gezakt op een bank, handjes gevouwen op de buik en met een stevig rockje op zijn koptelefoon. Het ontbrak er nog maar aan dat hij niet op gezette momenten een krachtige scheet liet om zijn volmaakte ontspanning te onderstrepen.
Ik ging maar eens binnen kijken, in het cafégedeeltje waar de bezoekers zich nu zoetjesaan begonnen te melden. Zoals altijd veel vrouwen, veelal ook echte fans van deze of gene act. Niet van ons, vermoedelijk. Toch vroeg een enkele jongedame een krabbel van me op een bierviltje of los briefje. Eentje deed zelfs een complete bestelling: „Heb je straks niet een setlistje voor me, met allevier jullie handtekeningen erop?“ Ik ben dan zo`n type dat zoiets nog gaat regelen ook.
Toen opeens viel mijn oog op Bettine.
Bettine Vriesekoop, mijn favoriete vrouwelijke sporter aller tijden. Mijn hoogstpersoonlijke tafeltennis-pin-up.
Zat hier gewoon, in het caféstuk voor het podium. Net zo makkelijk.
Gebiologeerd en verlamd keek ik haar recht in haar strenge, koele ogen. Secondenlang. En Bettine keek strak terug, metersdiep in mijn ogen.
Dit had het moment kunnen zijn. Na al die jaren van eenzame verering – nouja, tot aan die baanbrekende publicatie van Bettine met haar mooie naakte sportlijf in Playboy was ik toch echt de enige in ons liefdeloze land die haar consequent en stil aanbad.
Mag ik je een kop koffie aanbieden?
Zoiets. Het had baanbrekend kunnen zijn. Twee dolende zielen die eindelijk elkaars bestemming hadden gevonden.
In de strenge, koele ogen glansde een aanzet tot een veenbrand.
Toen verbrak ik abrupt de betovering, zette mijn staar uit , glimlachte werktuiglijk en knikte elegant. Daarna liep ik zonder omkijken naar de bar en bestelde een pilsje om in vredesnaam maar weer een beetje op aarde te komen.
Even later zag ik haar druk gesticulerend in gesprek met een radio-juffrouw. Wellicht een voorbespreking voor één van de vele radio-zendingen waar ze in optreedt.
Mijn trouwe rockmaatje Rebecca stootte me aan – ik had er geen erg in gehad dat ze binnen was gekomen.
„Zit je weer naar lekker wijven te kijken, Jeroen?“ Ze lachte er schalks bij.
„Nouja, ik, eh… daar…“ Vaagjes wees ik richtig tafeltennisgodin, die nog immer danig in gesprek was, een stuk verderop.
„Oooooh… maar dat is je grote vriendin Bettine! Nou, stap erop af jôh!“ loeide Rebecca blij.
Echte mannen kunnen dat. En ze doen het ook. Maar ik, ik ben eigenlijk een vrouw.
En als vrouw hoop ik dan dat ze kordaat opstaat, naar me toe beent en me aan mijn hand meetroont naar de uitgang: „ Zo, kom jij maar eens mee naar huis voor een goed gesprek.“
Maar zoiets doet Bettine niet. Natuurlijk niet.
Ik voelde mijn hart in vijftigduizend stukjes breken, keek hulpeloos opzij, naar Rebecca. „Ik moet nog soundchecken“, stamelde ik hees, en met hangende pootjes sleepte ik mij verslagen richting backstage – om even uit te huilen. Soundcheecken had ik immers allang gedaan.
Het optreden ging goed. Ook toen ik halverwege de tweede song Bettine met soepele tred door het café richting vast en zeker heel ver weg zag benen, en zij met een flitsend hoofdgebaar nog een razendsnelle blik naar mij wierp, hield ik mij kranig.
Ik trooste mij met de gedachte dat ik weer Weltschmerz had voor tien gouden platen.

:o)))))
BeantwoordenVerwijderen