zondag 5 juni 2011

Poezen van de Utrechtsestraat - Charlotte


Ik zie nog hoe Charlotte
wegdook onder weer een autovlak
bang en geen geheugen
waar nu, op welke planeet
Verkennen op de daken, goed
maar hoe geraak je dan weer thuis
als je veertien muurtjes op en af
hardleers op avontuur
Maar als ik je dan weer greep
mijn uitgehongerd dier
goed klemvast door de straten
jouw nagels door mijn vlees
zoete pijn , mijn bloedend hart
en scheur mijn shirt kapot
toe, schrokken maar en slikken maar
en daarna alles er weer uit
jouw rituelen van toch weer
heelhuids aangeland

Ronken als een Boeing
en klagen als pastoor
trotste sterke kater
waarvan ik ooit dacht
dat je een meisje was
Charlotte
je mooie naam zou
op mijn linkerschouder
tot dat mijn lief zei
jôh straks denken ze
dat die Charlotte van jou
één of ander wijf is
daar kun je later last mee krijgen
wat ook weer waar is

De slager wierp zijn vleesjes
jij dook er achteraan
applaus voor al je kunsten
vangen, tikken, beet
mijn kleine Stanley Menzo
en dan het levend vee
muizen puur als speelgoed
voor de vorm slechts
doodgebeten
twee kleine rode puntjes
bij de schouderbladen
gaaf, intact, maar mors
keurig net en strak

Als ik erdoor loop
Utrechtsestraat
een stille zondagmorgen
kijk ik nog wel eens
onder nog een autovlak

Charlotte
en Wampie, Tommie
het klinkt haast als een bandje
de vraag die blijft voor altijd
wanneer spelen jullie weer?

3 reacties:

  1. wat een mooie ode. en lief ook, heel erg lief!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik denk dat iedereen die dit leest terugdenkt aan zijn eigen dieren. Mooi Jeroen.
    PeterR.

    BeantwoordenVerwijderen