Posts tonen met het label Suske en Wiske. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Suske en Wiske. Alle posts tonen

dinsdag 18 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 19 van 60)

Ome Klaas belde de huisarts. Ik lette ondertussen op mijn moeder, die steeds snellere rondjes om de bijzettafel draafde en daarna pardoes op de bank ging liggen. Ze greep jeremiërend in haar haar, stond van de bank op en ging daarna weer in looppas rondjes om de tafel rennen. Ze hijgde als een karrenpaard. Nog een half uur, dan trapte de C1 van Zandvoort'75 thuis zonder mij af tegen Kennemerland C1. Er ging een steek door mijn hart. 'Anderson zegt dat we met 'r naar de eerste hulp moeten gaan.' Meneer Anderson was onze huisarts uit Zandvoort. Die hielden we nog steeds aan. Mijn stiefvader schoot de gang op, had zijn jack aan en had zijn autosleutel klaar, de sleutelpunt omhoog gestoken tussen zijn wijs- en middelvinger door. 'Neeeeeeeeeeeeeeejjj!', krijste mijn moeder lang en loeihard. Op haar rode gezicht stond nu geen angst meer te lezen, maar razernij. Ze had absoluut geen zin in een autoritje richting eerste hulp. Terwijl ik mij in mijn schoenen wurmde, begon ome Klaas aan mijn moeders arm te trekken. 'Kom Stien, voor je eigen bestwil...' Ze maakte afwerende gebaren, deed grrrrrr, sloeg theatraal maar niet hard naar de arm van haar man. Ze wilde indruk maken, maar hem niet echt pijn doen. Ondanks haar acute gekte had ze zichzelf toch ook nog wel een beetje onder controle. Nog 25 minuten. 'Huuuuuuuuuh..!' Mijn moeder ging erbij liggen en gierde een gemaakte huiltoon. De idiotie spatte er vanaf. 'Neeeeeee Klaas!' Hij sjorde nog even aan haar arm, hoorde een snerpend 'Auw-auw-auw-auw-auw!' en gaf het toen op. Hij keek secondenlang uitdrukkingsloos naar zijn op de grond kronkelende vrouw. Toen wendde hij zich af en ging opnieuw bellen naar meneer Anderson. Ik had dit sezoen nog geen wedstrijd gemist. Ik was er altijd bij. Had altijd een basisplaats. En nu dit. Wat een rampzaterdag. 'Hij stuurt een ambulance.' Mijn stiefvader zeeg op een stoel en begon hartstochtelijk te wenen. 'Wilt u koffie?' Ik zei u tegen hem. 'Ja...' Zijn ogen waren gesloten, zijn wangen nat. Ik ging naar de keuken. Even weg bij mijn spartelende moeder en mijn jankende stiefvader. Ik zette een volle pot koffie. De mensen van de ambulance wilden misschien ook wel een bakkie. De man en de vrouw van de ambulance waren heel vriendelijk. Ze kregen mijn moeder gemakkelijk mee. Ze was een kwartier daarvoor uitgeput op de bank in slaap gevallen en was nu zo duf en verdwaasd dat ze het allemaal wel best vond wat er gebeurde. Ome Klaas had zich tegelijk met mijn koffie een flinke bel Dujardin ingeschonken en was nu nog steeds huilerig, maar kon inmiddels weer een grapje maken. 'Nou... dan zie je mij ook 's flink tjenken, hè Nelis!' Hij zei nooit huilen of janken, maar tjenken. Zo heette dat nou eenmaal in de bollenstreek, had-ie ooit gezegd. Zijn wimpers kleefden aan elkaar van het traanvocht. Ik hoefde niet mee naar het ziekenhuis. Ome Klaas vond dat te druk worden. In zijn Mitsubishi reed-ie achter de ziekenwagen aan. Ik zwaaide de beide auto's na. Kwart voor één. Als ik nu op mijn fiets zou springen, kon ik het laatste halfuur misschien nog meedoen. 'Hé Jeroen.' Meneer Peitsman keek verrast en lachte. 'Hoeveel staat 't?` 'We staan 4-1 voor.' 'O. Okee. Hoe lang nog?' Ik hoopte dat meneer Peitsman zou zeggen dat ik me maar gauw om moest kleden, zodat ik nog een minuut of twintig mee kon doen. 'Ehm... dik vijfentwintig minuten nog. Nou, dit geven we heus niet meer weg hoor.' Hij knipoogde naar me. 'Alles weer goed met je moeder?' 'Ja... ze moet alleen goed uitrusten.' Meneer Peitsman sloeg geen acht op mijn voetbaltas, die ik pontificaal naast zijn voeten had gezet. De hint ontging hem volledig. 'Grote klasse hoor Jeroen, dat je toch nog gekomen bent om je team aan te moedigen. Je bent een échte sportman!' Hij sloeg me op de schouder en concentreerde zich weer op het spel. Heel langzaam fietste ik naar huis. Meneer Peitsman en mijn teamgenootjes vonden het tof van me dat ik toch nog was gekomen om de wedstrijd af te kijken. Ikzelf was teleurgesteld. Ik had zo graag nog even meegespeeld. Met mij erbij was die ene tegengoal vast niet gevallen. Ik sipte wat voor me uit terwijl de herfstbladeren me om het hoofd waaiden. Ik reed Bentveld uit, Aerdenhout binnen. Hoe zou het nu thuis zijn? De Galant stond weer onder het afdakje. Ik zette mijn fiets in de schuur, ging door de achterdeur naar binnen en begon de trappen te beklimmen. Ome Klaas zat op de bank. De tv zoemde zachtjes. Mijn stiefvader zat er vermoeid, maar naar omstandigheden redelijk ontspannen bij. Voor hem stond zijn cognacglas, de fles was bij de hand en in de vingers van zijn rechterhand klemde hij een shaggie. Hij sprak zacht. 'Vannacht houden ze je moeder daar. Dan kan ze bijkomen. Morgen zien we wel weer verder.' Hij schonk cognac bij. Zwijgend sloop ik naar mijn kamer. Ik begon honger te krijgen. Er was vast nog wel brood en pindakaas. Over drie uur begon Langs de lijn. Die zondagmiddag ging hij terug naar de PAAZ-afdeling van het Elisabeth Gasthuis. Het bleek dat ma zaterdagnacht volledig door het lint was gegaan. Gillen en schreeuwen tegen de verplegers en de andere patiënten. Ze hadden haar met de nodige moeite weten te kalmeren. Een pil wilde ze niet slikken, een prik wilde ze ook niet. Ze verweerde zich als en leeuwin, ze worstelde en krabde. Toen werd het alsnog een spuitje, dan maar zonder haar medewerking. Voorlopig hielden ze haar daar maar even. Hij kon elke dag even langskomen als-ie wilde. Thuisgekomen, nog met zijn jack aan zittend op de bank, vertelde hij me kort en bondig hoe de vlag ervoor stond. Daarna meden we elkaar weer. Hij nam plaats voor de buis met drank en peuk. Hij zat er kalmpjes bij, alsof zijn vrouw helemaal niet zo gek als een cent achter gesloten deuren zat, maar alleen even boodschappen was gaan doen of zoiets. Ik zette op mijn kamer de radio aan en haalde mijn stapel Suske en Wiskes tevoorschijn. ****** (wordt vervolgd) ******

woensdag 5 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 6 van 60)

Verhuizen was voor mijn moeder helemaal geen straf. Het was een beetje een hobby van haar. Ze had er telkens opnieuw heel veel schik in, een nieuw huis opnieuw in te richten. Alleen al in Amersfoort, waar we woonden sinds ik vier was (mijn vader was van de kazerne van Utrecht overgeplaatst naar die van Amersfoort, vandaar), hadden we al vier woningen versleten. Het begon in de Fazantenstraat, middenin het wat armoedige Leusderkwartier. Op dezelfde galerij als wij woonden meneer en mevrouw De Jong, een hartelijk echtpaar. Ze waren al met pensioen. Ik mocht altijd bij ze langskomen. Ze hadden zelf geen kinderen gekregen maar hun huis en koektrommel stonden altijd open voor de kinderen uit de flat. Ik parkeerde mijn skelter-tractortje voor hun deur op de galerij en keek samen met meneer De Jong naar diertjes, bloemen en boomblaadjes onder zijn microscoop. Meneer De Jong was vroeger bioloog geweest, hij vertelde er van alles over. Over vliegen, over honden, over eekhoorntjes. Ik was gek op dieren en hing aan zijn lippen. Na een tijdje rook het in huis naar snijboontjes, dan wist ik dat mevrouw De Jong met koken begonnen was. Meneer en mevrouw De Jong waren gewend om tussen de middag warm te eten. Dan wilden ze rustig samen zijn en moest ik naar huis. Maar niet voordat ik van mevrouw De Jong nog een paar flesdoppen had gekregen voor mijn verzameling. De verhuizing naar het Ariaplein in Schuilenburg, een jaar later, was een verbetering. Een veel betere buurt. Maar met het huwelijk van mijn ouders ging het bergafwaarts. Toen mijn vader en moeder elkaar zeven jaar eerder in Utrecht hadden leren kennen, was mijn vader voor de tweede keer in zijn leven helemaal gestopt met drinken. Hij was officieel afgekickt. Dat ging een tijdje goed, en ook toen hij ging samenwonen met mijn intussen zwangere moeder hield hij het prima vol. Ze trouwden nog voor mijn geboorte. Allebei voor de tweede keer, een nieuwe start. Ze hadden het best goed samen met elkaar en met de kinderen die er al waren. Pim en Lia woonden permanent bij ze in de flat aan de Cromwijklaan, in het weekend kwamen Ton en Guusje er ook bij. Toen ik werd geboren, leek alles samen te passen als de stukjes van een Jumbo-puzzel: ik was ieders kind of broertje. Het klopte als een bus. De euforie ebde langzaam weg, het leven werd weer normaal. Nouja, normaal, beter gezegd: er slopen dingen tussen mijn ouders die de zaak geen goed deden. Mijn moeder kroop doordeweeks gelijk haar bed weer in zodra Lia en Pim naar school waren en mijn vader naar de kazerne vertrokken was. Klom er af en toe uit om mij te eten te geven, daarna weer terug onder de wol. Lia en Pim kwamen uit school, kregen een paar gulden in hun handen gedrukt: 'Koop maar lekker een zak patat.' De rest van de middag zwierven ze samen door Utrecht. Draaiden rondjes in de bus door heel de stad. Terwijl mijn moeder in bed lag. Tegen de tijd dat mijn vader thuis kon komen, stond mijn moeder op en begon als een bezetene te koken, wassen en strijken. Ook na het eten boende en stofzuigd e mijn moeder vlijtig door om een verslapen dag in te halen. Gezellig was anders. Mijn vader had zich het huiselijk leven in zijn tweede huwelijk heel anders voorgesteld. Toen meneer Van Breukelen van de buren mijn vader op een goeie dag vroeg of-ie geen zin had om samen een biljartje te leggen, hoefde Jan de Haan niet lang na te denken. Het biljarten beviel prima, hij liet zich de biertjes en jenevertjes weer smaken. In de kazerne begon al snel op te vallen dat mijn vader zijn oude liefhebberij weer opgepakt had. Als rij-instructeur in het leger kroop-ie met een kegel van heb-ik-jou-daar naast leerlingen in de cabine van zijn pansterwagen. Een overplaatsing naar Amersfoort, als straf en laatste kans, moest uitkomst brengen. Het hielp niets. Mijn vader en de fles waren weer de beste vrienden geworden. Daar kwam niemand tussen. In de Fazantenstraat werd de vriendschap al hechter en hechter, op het Ariaplein liep het uit de hand. Niet dat ik daar veel van merkte. Voor mij was de tijd aan het Ariaplein zelfs de vrolijkste periode van de tijd dat mijn ouders nog samen waren. School was om de hoek, al mijn vriendjes woonden dichtbij. Mark zelfs in de flat naast ons. Ik speelde graag bij Mark thuis. Zijn moeder vond dat goed, de mijne vond het zelfs uitstekend. Dan kon ze mooi even een tukje doen. Mark en ik speelden vingervoetbal, we spreidden al onze Suske en Wiskes uit over de vloer in de woonkamer om de leukste omslagen uit te kiezen, bladerden in onze voetbalplaatjesalbums. We keken tv. Pippi Langkous, Peppi en Kokki. Maar TopPop keek ik het liefst. Ik ging er helemaal in op en deelde doorlopend mee wat ik er allemaal van vond. Dat was niet altijd mals. Daar kreeg Mark's moeder na een tijdje genoeg van. 'Tjongejonge wat een commentaar allemaal! Is er dan helemaal níets goed genoeg voor jou?' Een andere flater die ik sloeg in de flat waar ik bijna vaker was dan in die van onszelf, was toen ik dolenthousiast binnen kwam rennen met, zonder het te weten, een flinke dot hondenpoep onder mijn schoenen. Ik was al tot ver in de woonkamer doorgedrongen toen Mark´s moeder een gil van ontzetting slaakte. Ik verstijfde, keek om, en zag kleine strepen en klontjes poep over de hele vloer, door mijn geren het tapijt ingestampt. Ik wist niet waar ik het zoeken moest, terwijl Mark's moeder knetterend van ongenoegen met een emmer vol sop de poep het huis uit begon te boenen. Soms bleef ik gezellig logeren. Ik leek dan wel de derde zoon van het gezin, naast Mark en zijn oudere broer Frans. Ik had het er fijn, iedereen van het gezin was zo gemoedelijk en kalm. Slechts zelden hoefde Mark's moeder 'Jongens, niet zo baldadig!' te roepen. Mark´s pa zag het van achter zijn krantje aan. Af en toe hoorden we hem 'asteblieft' mompelen. Dat kon van alles betekenen. Maar meestal mompelde hij het met een glimlach, en dan betekende zijn asteblieft dat-ie ons met genoegen gadesloeg terwijl we opgingen in ons spel. Het was harmonie troef. De familie Brandts gold niet voor niets als hét modelgezin van de buurt. Mijn ouders waren ook wel gecharmeerd van Mark. Mijn moeder vond zijn krullen zo mooi. Dat had ze me al gezegd na de eerste dag op de kleuterschool. 'Had jij maar zulke mooie krullen' verzuchtte ze thuis tegen me. De volgende dag sloeg ik Mark in de zandbak vol blinde jaloezie een enorme bloedneus. Luid brullend vluchtte hij de school in. Een druppend bloedspoor liep van de zandbak naar binnen. De volgende dag nam hij wraak. Mijn dieprode bloed drupte over het ingedroogde bloedspoor van gisteren van Mark heen, van de zandbak de school in. Sindsdien waren we onafscheidelijk. De Ariaplein-tijd was ook de tijd van de meeste aanloop bij ons thuis. Er kwamen legervrienden van pappa op bezoek, de meesten Indo's en Molukkers uit zijn KNIL-tijd. Dan hadden we een vrolijke volle kamer en stond de hele tafel vol met asbakken en bierflesjes. Of kennissen van mamma kwamen langs. Vooral met Bep was ze dikke maatjes. Tante Bep was geen echte tante van me, maar de volwassen vrienden en kennissen van je ouders noemde je nu eenmaal oom en tante. Toen tante Bep hoorde dat ik met mijn vader naar het circus was geweest, nam ze me direct terzijde. 'Jij houdt toch zo van dieren, Jeroen?' 'Ja tante Bep, hoezo?' 'In het circus zijn ze heel slecht voor de dieren. Als de dieren hun kunstjes niet snel genoeg leren, dan krijgen ze slaag.' De tranen schoten in mijn ogen. 'Dus als jij dan met je pappa een kaartje voor het circus koopt, dan werk jij daar aan mee.' Ik begon hard te huilen. Die arme circusdieren. Ze kregen volop slaag en dat was mijn schuld. 'Ja denk er maar 's goed over na' besloot tante Bep. Ook mijn opa Van den Berg, de vader van mijn moeder, wist mijn zwakke plek voor dieren met een voltreffer te raken. Hij logeerde regelmatig bij ons. Als opa Van den Berg bij ons logeerde dan was hij de baas, het hele huis was van hem en hij liet onbekommerd scheten, zonder blikken of blozen. Mijn moeder commandeerde-ie de hele dag door. Als zijn sigaren op waren dan moest ik hollend naar de winkel van meneer Bak voor een nieuw doosje. Met jokeren mocht ik niet meer meedoen sinds ik een keer van hem gewonnen had. Dat pikte opa niet van zijn kleinzoon. Zijn weekhartige kleinzoon met al zijn gezeur over diertjes. 'Weet je, als jij zo van dieren houdt, dan zou je zelfs niet over straat moeten lopen. Want met elke stap trap je wel duizend bacteriën dood, en dat zijn toch ook diertjes.' Ik had er weer een probleem bij. Elke stap op straat maakte een moordenaar van me. ****** (wordt vervolgd) ******

zondag 2 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 2 van 60)

De volgende ochtend was ome Klaas weg. Mijn moeder legde uit dat-ie naar zijn werk was. Hij zat in de facilitaire dienst in Mariënhave, een tehuis voor demente bejaarden in Warmond. Facilitaire dienst, dat klonk wel chic. Het was iets met onderhoud. Maar ja, onderhoud, wat was dat eigenlijk, dat zei me niet zoveel. Dement snapte ik ook niet. Klonk behoorlijk mysterieus allemaal. Als een best wel belangrijke baan. Warmond lag in de buurt van Leiden. Wij woonden in Amersfoort, dat was met de auto wel anderhalf uur rijden. Ome Klaas was dus al heel vroeg opgestaan om op tijd op zijn werk te kunnen zijn. Na zijn werk zou hij vandaag eerst naar Lisse rijden. Daar ging hij zijn spullen ophalen bij zijn vrouw. Want ome Klaas was nog getrouwd. Maar dat huwelijk was heel slecht. Het stelde niets voor, al jaren niet meer. Daarom was hij heel blij dat hij bij ons mocht blijven. Met glanzende ogen vertelde mijn moeder hoe ze elkaar hadden ontmoet. Natuurlijk via een contactadvertentie in De Telegraaf. Want zo deed mijn moeder dat altijd: een contactadvertentie zetten in de krant, en dan afspraakjes maken. Ze maakte er bepaald geen geheim van voor ons kinderen. We mochten zelfs meehelpen met openen en doorlezen van de enorme hoeveelheid brieven die ze kreeg. Vijftig brieven per contactadvertentie was niks. Mamma viel kennelijk nogal in de smaak met haar advertenties. Er waren genoeg mannen die wel warmliepen voor die mollige gescheiden vrouw van eind veertig met twee thuiswonende zoons. Sommige brieven waren kort en saai, andere wel acht kantjes lang met een compeet levensverhaal erin, en sommige brieven waren gewoon heel grappig. Het meest gelachen hebben we om een brief van een boer met acht kinderen. De boer was weduwnaar. Hij zag het al helemaal zitten, als mijn moeder van aanpakken wist op de boerderij dan mochten we ongezien bij hem en zijn kinderen intrekken. Er zat een zwart-wit pasfotootje bij van de boer: een olijke dikke kop met een knots van een bril op zijn neus. Hij heeft zijn brief en pasfoto keurig retour gekregen via de post. Mamma liet de mannen die haar wel wat leken standaard opdraven in het restaurant van station Amersfoort. Als het gezellig was geweest dan mocht zo'n man direct mee naar huis om te blijven slapen. Meestal zorgde mamma ervoor dat Pim en ik daar niet zo veel van merkten. Als zo'n man een blijvertje was, dan sprak ze af dat ze elkaar voortaan bij hem thuis ontmoetten. Mijn moeder vertrok dan in de loop van de zaterdag naar Amsterdam, Leiden, Rotterdam of waar dan ook. Ze bleef dan een nacht daar, en kwam in de loop van de zondag weer thuis. Pim moest dan in de tussentijd op mij passen. Dat deed hij met grote tegenzin. Hij trok zich dan mopperend terug in zijn kamer en kwam daar pas tegen vijven uit om vloekend en sissend te proberen iets te eten voor ons te maken. Vaak mislukte dat. Zelfs een diepvriespak spinazie á la crème liet-ie aanbranden. Dan werden het maar weer boterhammetjes. Na het eten ontspande Pim meestal wel weer, want dan ging de tv aan. Eerst keken we Duits voetbal, Die Sportschau. Daarna de Weekend Kwis of een show van André van Duin of de Mounties of iets anders om te lachen. En ´s avonds laat kwam er op Duitsland vaak een science-fiction-film of een Dracula met Christopher Lee. Superspannend en lekker eng. Dat mocht ik allemaal meekijken van Pim. Van mijn moeder mocht dat nooit, dus ik vond het atijd wel leuk als mijn moeder op pad was en Pim op mij paste. Ook overdag op zulke zaterdagen, als Pim zich mokkend had verschanst in zijn kamer, vermaakte ik me wel. Eerst ging ik dan met mijn voetbaltas op mijn fiets naar Amersfoortse Boys, de club waar ik op zat. Ik zag daar meestal ook mijn vader. Als we thuis speelden, dan was pappa er sowieso altijd bij. De meeste uitwedstrijden ook. Dan reed-ie in zijn rood-paarse Eend, met een achterbank vol spelertjes, mee naar Barneveld, Leusden, Baarn of Achterveld. In zijn beige regenjas stond-ie gespannen langs de lijn mee te leven met me. ´Niet bang zijn voor de bal Roentje, trek dat poot niet in!' Hij moedigde me aan met felle kreten en gebaren, wat me aarzelender in mijn spel maakte. Onze elftalleider, een norse man met een druipsnor en een kapsel á la Paul Breitner, had me uitgelegd dat ik mijn rugnummer 14 heus niet had gekregen omdat-ie in mij de nieuwe Johan Cruijff zag, maar gewoon omdat ik de slechtste van de veertien spelertjes van de E4 was, en daarom het laagst te vergeven rugnummer had gekregen. Dat maakte me onzeker. Ik was bang voor de bal, bang om de bal verkeerd te raken. Als links- of rechtshalf (daar zette Paul Breitner de spelertjes neer de het minste konden, daar konden ze niet zo gek veel kwaad aanrichten) verstopte ik me maar wat, trapte verdwaalde ballen lukraak naar voren. Af en toe sloop ik richting het vijandelijke doel en waagde zo nu en dan een schotje. De drie keren dat het me zowaar lukte om voor Amersfoortse Boys een doelpunt te maken, waren voor mij en mijn vader ongekende hoogtepunten. Ikzelf ontplofte van pure opluchting, mijn vader explodeerde van opgekropte vadertrots. Mijn winnende treffer in de uitwedstrijd tegen Baarn, een kopbal nota bene, was de meest heroïsche van de drie, want het was de beslissende. Regen met bakken, het strafschopgebied één grote modderpoel, kopbal Roentje van dichtbij: 0-1 winst in Baarn! Mijn vaders tranen losten op in de regen die over zijn gezicht stroomde. Mijn vader was erg gezien bij de club. Na de wedstrijd kwam-ie met een dienblad vol flesjes Exota de kleedkamer in, wat hem bij al mijn teamgenootjes erg populair maakte. Ook de clubleiding zag mijn vader helemaal zitten. Verschillende malen is hem gevraagd of hij geen teambegeleider wilde worden bij Amersfoortse Boys. Maar daar begon mijn vader niet aan. Na afloop van de wedstrijd nam mijn vader mij meestal nog even mee de stad in. Samen op de fiets, of soms ik op de fiets en mijn vader in zijn Eend er achteraan. We spraken dan ergens in de stad af en deden wie er het eerste was. Ik fietste wat ik kon, was in gedachten Henk Lubberding die ontsnapt was aan het peloton en meestal won ik. We wandelden wat door de winkelstraten in het centrum, gingen een patatje halen of ergens wat drinken. Als toetje mocht ik dan nog een stripboek uitzoeken in een boekwinkel, of een singletje bij Keistad, de platenwinkel. Ik ging dan helemaal blij naar huis met een Kuifje of de nieuwste Suske en Wiske, of met een mooie single van Blondie of Kiss. Eenmaal thuis was Pim dan intussen wel wakker, maar niet te horen of te zien tot vier uur. Ik speelde dan Formule 1-races na op mijn kamertje. Met wasknijpers maakte ik een lang en bochtig circuit en scheurde er met mijn dinky toys hartstochtelijk op los. Op de daken van de auto's had ik nummers geplakt die verwezen naar de bolides van Formule 1-coureurs zoals die in het echt rondreden. Mijn favorieten waren Mario Andretti (ik vond de zwarte Lotus waarin hij in het echt reed zó ontzettend mooi) en Bruno Giacomelli (gave naam!) en ik liet hun tweetjes de meeste races winnen. Toen Ronnie Petterson in het echt verongelukte tijdens een race, heb ik zijn dinky toy in een doosje opgeborgen en achter wat boeken in de kast gezet. Af en toe haalde ik het doosje tevoorschijn en keer er even eerbiedig naar. ****** (wordt vervolgd) ******