Posts tonen met het label Zandvoort ´75. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zandvoort ´75. Alle posts tonen

dinsdag 18 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 19 van 60)

Ome Klaas belde de huisarts. Ik lette ondertussen op mijn moeder, die steeds snellere rondjes om de bijzettafel draafde en daarna pardoes op de bank ging liggen. Ze greep jeremiërend in haar haar, stond van de bank op en ging daarna weer in looppas rondjes om de tafel rennen. Ze hijgde als een karrenpaard. Nog een half uur, dan trapte de C1 van Zandvoort'75 thuis zonder mij af tegen Kennemerland C1. Er ging een steek door mijn hart. 'Anderson zegt dat we met 'r naar de eerste hulp moeten gaan.' Meneer Anderson was onze huisarts uit Zandvoort. Die hielden we nog steeds aan. Mijn stiefvader schoot de gang op, had zijn jack aan en had zijn autosleutel klaar, de sleutelpunt omhoog gestoken tussen zijn wijs- en middelvinger door. 'Neeeeeeeeeeeeeeejjj!', krijste mijn moeder lang en loeihard. Op haar rode gezicht stond nu geen angst meer te lezen, maar razernij. Ze had absoluut geen zin in een autoritje richting eerste hulp. Terwijl ik mij in mijn schoenen wurmde, begon ome Klaas aan mijn moeders arm te trekken. 'Kom Stien, voor je eigen bestwil...' Ze maakte afwerende gebaren, deed grrrrrr, sloeg theatraal maar niet hard naar de arm van haar man. Ze wilde indruk maken, maar hem niet echt pijn doen. Ondanks haar acute gekte had ze zichzelf toch ook nog wel een beetje onder controle. Nog 25 minuten. 'Huuuuuuuuuh..!' Mijn moeder ging erbij liggen en gierde een gemaakte huiltoon. De idiotie spatte er vanaf. 'Neeeeeee Klaas!' Hij sjorde nog even aan haar arm, hoorde een snerpend 'Auw-auw-auw-auw-auw!' en gaf het toen op. Hij keek secondenlang uitdrukkingsloos naar zijn op de grond kronkelende vrouw. Toen wendde hij zich af en ging opnieuw bellen naar meneer Anderson. Ik had dit sezoen nog geen wedstrijd gemist. Ik was er altijd bij. Had altijd een basisplaats. En nu dit. Wat een rampzaterdag. 'Hij stuurt een ambulance.' Mijn stiefvader zeeg op een stoel en begon hartstochtelijk te wenen. 'Wilt u koffie?' Ik zei u tegen hem. 'Ja...' Zijn ogen waren gesloten, zijn wangen nat. Ik ging naar de keuken. Even weg bij mijn spartelende moeder en mijn jankende stiefvader. Ik zette een volle pot koffie. De mensen van de ambulance wilden misschien ook wel een bakkie. De man en de vrouw van de ambulance waren heel vriendelijk. Ze kregen mijn moeder gemakkelijk mee. Ze was een kwartier daarvoor uitgeput op de bank in slaap gevallen en was nu zo duf en verdwaasd dat ze het allemaal wel best vond wat er gebeurde. Ome Klaas had zich tegelijk met mijn koffie een flinke bel Dujardin ingeschonken en was nu nog steeds huilerig, maar kon inmiddels weer een grapje maken. 'Nou... dan zie je mij ook 's flink tjenken, hè Nelis!' Hij zei nooit huilen of janken, maar tjenken. Zo heette dat nou eenmaal in de bollenstreek, had-ie ooit gezegd. Zijn wimpers kleefden aan elkaar van het traanvocht. Ik hoefde niet mee naar het ziekenhuis. Ome Klaas vond dat te druk worden. In zijn Mitsubishi reed-ie achter de ziekenwagen aan. Ik zwaaide de beide auto's na. Kwart voor één. Als ik nu op mijn fiets zou springen, kon ik het laatste halfuur misschien nog meedoen. 'Hé Jeroen.' Meneer Peitsman keek verrast en lachte. 'Hoeveel staat 't?` 'We staan 4-1 voor.' 'O. Okee. Hoe lang nog?' Ik hoopte dat meneer Peitsman zou zeggen dat ik me maar gauw om moest kleden, zodat ik nog een minuut of twintig mee kon doen. 'Ehm... dik vijfentwintig minuten nog. Nou, dit geven we heus niet meer weg hoor.' Hij knipoogde naar me. 'Alles weer goed met je moeder?' 'Ja... ze moet alleen goed uitrusten.' Meneer Peitsman sloeg geen acht op mijn voetbaltas, die ik pontificaal naast zijn voeten had gezet. De hint ontging hem volledig. 'Grote klasse hoor Jeroen, dat je toch nog gekomen bent om je team aan te moedigen. Je bent een échte sportman!' Hij sloeg me op de schouder en concentreerde zich weer op het spel. Heel langzaam fietste ik naar huis. Meneer Peitsman en mijn teamgenootjes vonden het tof van me dat ik toch nog was gekomen om de wedstrijd af te kijken. Ikzelf was teleurgesteld. Ik had zo graag nog even meegespeeld. Met mij erbij was die ene tegengoal vast niet gevallen. Ik sipte wat voor me uit terwijl de herfstbladeren me om het hoofd waaiden. Ik reed Bentveld uit, Aerdenhout binnen. Hoe zou het nu thuis zijn? De Galant stond weer onder het afdakje. Ik zette mijn fiets in de schuur, ging door de achterdeur naar binnen en begon de trappen te beklimmen. Ome Klaas zat op de bank. De tv zoemde zachtjes. Mijn stiefvader zat er vermoeid, maar naar omstandigheden redelijk ontspannen bij. Voor hem stond zijn cognacglas, de fles was bij de hand en in de vingers van zijn rechterhand klemde hij een shaggie. Hij sprak zacht. 'Vannacht houden ze je moeder daar. Dan kan ze bijkomen. Morgen zien we wel weer verder.' Hij schonk cognac bij. Zwijgend sloop ik naar mijn kamer. Ik begon honger te krijgen. Er was vast nog wel brood en pindakaas. Over drie uur begon Langs de lijn. Die zondagmiddag ging hij terug naar de PAAZ-afdeling van het Elisabeth Gasthuis. Het bleek dat ma zaterdagnacht volledig door het lint was gegaan. Gillen en schreeuwen tegen de verplegers en de andere patiënten. Ze hadden haar met de nodige moeite weten te kalmeren. Een pil wilde ze niet slikken, een prik wilde ze ook niet. Ze verweerde zich als en leeuwin, ze worstelde en krabde. Toen werd het alsnog een spuitje, dan maar zonder haar medewerking. Voorlopig hielden ze haar daar maar even. Hij kon elke dag even langskomen als-ie wilde. Thuisgekomen, nog met zijn jack aan zittend op de bank, vertelde hij me kort en bondig hoe de vlag ervoor stond. Daarna meden we elkaar weer. Hij nam plaats voor de buis met drank en peuk. Hij zat er kalmpjes bij, alsof zijn vrouw helemaal niet zo gek als een cent achter gesloten deuren zat, maar alleen even boodschappen was gaan doen of zoiets. Ik zette op mijn kamer de radio aan en haalde mijn stapel Suske en Wiskes tevoorschijn. ****** (wordt vervolgd) ******

maandag 17 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 18 van 60)

Ik had mijn handen vol aan school, Zandvoort'75 en Haarlem. Thuis trok ik me terug in mijn kamer. Draaide plaatjes. Luisterde radio. Hilversum 3 of Langs de Lijn. Las de VI en speelde met smurfen voetbalwedstrijdjes. Vijf tegen vijf. Een klein kleien balletje had ik speciaal voor mijn smurfen op school bij handenarbeid gebakken. Het balletje had ik wit geverfd en daarna voorzien van zwarte stippen. De bal was niet helemaal egaal rond maar rolde toch prima. Doelen had ik gemaakt van opgestapelde gummen en lege doosjes van vulpenvullingen als doelpalen, met een potlood er overheen als lat. Zakdoeken deden dienst als netten. De bedoeling van het spel was, dat de smurfen de bal naar hun medespelers overschoten. Als de bal uitgerold was, was-ie voor de dichtstbijzijnde smurf. Die mocht de bal vanaf de plek waar de bal lag dan weer schieten naar een ploeggenoot. Dat vergde heel veel gevoel en precisie. Was de bal na tal van combinaties aangekomen in de speciale schietzone, dicht bij het vijandelijke doel, dan mocht de smurf aan de bal een schot op doel wagen. Daar ging het natuurlijk allemaal om. Ik speelde in mijn eentje, en bediende dus zowel mijn eigen ploeg Haarlem alsook die van de opponent. Kwam mijn eigen Jopie Böckling in doelrijpe posite te staan, dan volgde een daverend schot waar het hele doel van instortte, liefst met keeper en al. Dat alles begeleidde ik met opgewonden verslaggeving. 'En jaaaaaa hoooooor, Jo-pie Böck-ling doet ' t weerrrrrrrr! 3-0 voor Haarlem dames en heren, Ajax krijgt voetballes aan de Jan Gijzenkade!' Aan de overzijde had Haarlem-keepersmurf Edward Metgod het stukken rustiger. Spitsen van de tegenstander waren vaak al zó door zijn aanblik geïmponeerd, dat ze de bal van angst naast schoven, of niet verder kwamen dan een slap rollertje, waar Edward Metgod niet eens voor hoefde te duiken. Meestal hield-ie zijn doel schoon. Alleen voor een enkele sympathieke tegenstander, zoals SC Amersfoort, FC Utrecht of Wageningen, kon er wel een eretreffertje van af. En uiteraard werd het doel van Edward Metgod nooit aan puin geschoten. * Mijn stiefvader mocht dan tegen mij niet zo aardig zijn na ons uitstapje naar het Blijf van mijn lijf-huis, tegen mijn moeder was-ie poeslief. Elke dag als-ie uit zijn werk thuiskwam, begroette hij mijn moeder alsof ze zonet ongedeerd van een reis naar de Noordpool was teruggekeerd. Een luidkeels 'Ha meissie!' en dan veel smakkerdesmak. Hij vroeg aansluitend omstandig hoe haar dag was geweest en de dozen bonbons en fleurige boeketten waren niet van de lucht. Hij was kennelijk erg geschrokken van de vluchtpartij. Mijn moeder was eveneens nog steeds van slag. Ze was vaak heel ergens anders met haar gedachten als ik iets tegen haar zei of als ome Klaas haar op de bank over haar rug streelde. Ze zag bleek als een vaatdoek, rilde af en toe. Als ik uit school kwam, en ome Klaas was nog niet thuis, dan lag ze meestal op de bank. Als ze niet sliep, dan lag ze diep te zuchten terwijl ze rusteloos haar voorhoofd wreef. 'Mamma..?' 'Laat mamma maar...' 'Wil je thee? Ma? Zal ik thee maken?' 'Nee...' Ze stond moeizaam op, met trillende armen, waggelde naar een raam en keek met holle blik naar de boomtoppen en de donkerblauwe lucht. 'Ik word gek hier.' * Het was zaterdag. Mijn moeder werd inderdaad gek. 's Morgens tegen tienen, toen ik mijn spullen in mijn voetbaltas pakte, hoorde ik hoorde haar hard rondstappen over onze étage. 'Oooooooooowwww...' kreunde ze daarbij voor zich uit. Mijn stiefvader was er niet, die was even naar de winkels bij het station om zijn krant, shag en drie tompoucen te halen. Dat deed-ie sinds het Blijf van mijn lijf-incedent iedere zaterdag, drie gebakjes halen. Juist als mijn stiefvader er even niet was, gedroeg mijn moeder zich de afgelopen tijd steeds een tikkie vreemder. En nu banjerde ze vingerkauwend en klaaglijk jammerend door onze woning alsof ieder moment de hemel op onze kop kon vallen. Haar water kookte over, ze gaf stoom af. 'Ik wor gek jochie, ik wor gék!' Haar ge-was-en-watergolfde haren zaten plat en door de war, haar bloeddoorlopen ogen waren wijd opengesperd en met haar ondergebit beet ze in haar bovenlip, zoals Gene Simmons op de hoes van Dynasty. Ze hipte van haar linkerbeen op haar rechter. Ik voelde paniek opkomen. Mijn moeder werd gek. Wat moest ik nu doen? Ik hoorde de deur. Een zucht van verlichting. Nog nooit eerder was ik zó blij geweest mijn stiefvader thuis te horen komen. Ook hij zag direct dat het mis was. In een laatste poging om tegenover haar man zo normaal mogelijk te doen, stapte ze op hem af om het een zoen te geven. Daarbij duwde ze met haar tong om en om haar boven- en ondergebit uit. Ze schudde van boven tot onder, terwijl ze met een kinderlijk stemmetje 'Ha, Klaas' piepte. Terwijl mijn stiefvader mijn moeder stevig aan haar bovenarmen vastpakte en zacht brommend op haar inpraatte, sloop ik terug naar mijn kamer om mijn voetbaltas verder in pakken. No chance. 'Nelis! Bel jij die klote-voetbal maar lekker af. Je blijft mooi hier.' Met tranen in mijn ogen belde ik meneer Peitsman op. 'Ik kan vandaag niet komen spelen... mijn moeder is ziek en daar moet ik bij blijven...' 'Wat rot voor je, jochie. Nou... geeft niks, we zijn vandaag met z'n veertienen, dus geen man over boord. Beterschap voor je moeder en ik zie je dan volgende week weer, goed?' 'Wel winnen hè...' 'Doen we! Ik legde neer. Achter me draaide mijn moeder cirkels om de bijzettafel. 'Ooooooooooooooowwwww...' kermde ze zachtjes, daarna ging het van 'Aaaaaaaa....waaaaah!' Gelukkig hadden we geen directe buren in Aerdenhout. haar volume werd steeds hoger, in Amersfoort of Zandvoort had ze beslist de halve galerij of straat bij mekaar gebruld. 'Hier die telefoon. Let jij op je moeder.' ****** (wordt vervolgd) ******

De bomen schudden nee (deel 17 van 60)

'Hij heeft gisteren toch heel erg zijn best gedaan', hoorde ik mijn moeder prevelen. 'Wil je terug naar huis ma?' 'Ja... ik denk dat dat voor ons allemaal het beste is...' Ze klonk niet alsof ze erin geloofde, maar alsof ze wílde dat ze erin geloofde. Er werd getelefoneerd. Hij kwam ons halen. De directeur wenste mijn moeder succes. Mij gaf-ie een knipoog en een aai over mijn bol. 'Het komt vast wel weer goed voor mekaar jongen.' De hele rit naar huis was mijn stiefvader aan het woord. Wat-ie allemaal wel niet door had moeten maken. En waaraan hij dit in Godsnaam toch verdiend had. Hij kon er nóg niet over uit. Regelmatig schoot-ie vol. Ik vroeg me af of-ie de weg nog wel goed kon zien. Ik rook cognac om hem heen. Mijn moeder rommelde in haar tas. 'Hier Klaas, een zaddoekie.' * 'Ik hou je in de gaten, vuile schmiecht.' Mijn moeder was in de keuken bezig met koken. Ik rook bloemkool en karbonaadjes. Ik lag in mijn kamer op de grond de Voetbal International te lezen. Mijn stiefvader stond naast me, ik keek tegen zijn sandalen aan. Ik keek omhoog. Ik zag zijn gebalde vuisten in zijn zij. Zijn geërgerde kop. Dat mondje. Hij siste nog even door. 'Stiekem rotjong. Je moeder ophitsen tegen mij hè. 'm Smeren als een dief in de nacht, samen met je moer. Flik dat niet nog een keer, Nelis. Dan trek ik je kop van je romp. Met dat stomme smoel van je.' Hij liep weer weg. Ik staarde even voor me uit. Schudde mijn hoofd als een hond die kletsnat uit een vijver was gekropen. Daarna zonk ik weer terug in het artikel over Haarlem, dat na de degradatie in de eerste divisie aan een sterk seizoen bezig was. Ik was de afgelopen weken al een paar keer in mijn eentje wezen kijken. Met de fiets van Aerdenhout naar Haarlem-noord op zaterdagavond of zondagmiddag. In het begin belandde ik nog in het altijd bijna lege oostvak, naderhand vaste prik op de West-side, onder het scorebrod, waar de fantiekste blauw-rode fans stonden en waar 90 minuten lang gezongen, gescandeerd, gejouwd, gejuicht en gefloten werd. Daar voelde ik me thuis. Mijn schoolvriendjes Jan en Theo stonden er ook altijd. Theo stotterde, maar tijdens het zingen van Haarlem-liederen verdween die handicap als sneeuw voor de zon. Maar als-ie in al zijn opwinding wat tegen de scheidsrechter of een Haarlem-speler wilde roepen, dan liep-ie gelijk weer helemaal vast. 'S-s-s-schop 'm-em-em-em-em neer g-g-g-godvrrr-redomme!' Voorstopper Piet Huyg was de grote favoriet van Theo. Piet Huyg stotterde ook. Daarnaast had hij een sportzaak in Haarlem-noord en ook nog een knappe dochter. Piet Huyg was Mister Haarlem voor de harde kern op de tribunes. Ikzelf was het meest gecharmeerd van de dartele spits Joop Böckling, die koket met de handjes wapperend door het vijandelijke strafschopgebied huppelde. Hij had sluik haar, een fijn snorretje, ondeugende ogen en hij droeg altijd witte enkelsokjes over zijn kousen. Volgens Jan en Theo duidden die sokjes en dat verwijfde gedoe met die handjes maar op één ding: Jopie Böckling was een ongelofelijke nicht. Ik vond zijn sokjes en kittige gebaartjes juist erg grappig, en besloot Joop nog feller dan ooit tevoren aan te moedigen. Ik begon zijn manier van bewegen in het veld bij Zandvoort'75 te imiteren. Het maakte me lichtvoetiger, wendbaarder, en sneller in de eerste meters. Jopie Böckling was mijn grote held. Op school rolde ik aardig door de brugklas. Mijn contact met de andere drie brugklassers van de Nicolaasschool was snel verwaterd. Ik sloot me aan bij een groep jongens die iedere pauze met een tennisbal voetbalde op een groot stenen veld. Met jassen werden doelpalen aangemerkt. Het ging er rauw aan toe. Er werden beuken uitgedeeld, hier en daar maakte een jongen een onbedoelde buikschuiver over de tegels en gilde het uit. Maar het ging vooral om het maken van doelpunten, die op uitzinnige wijze werden gevierd. De doelpuntenmaker spurtte van het stenen veld naar het aanperkende gras, alwaar hij voor zijn juichende medespelers uitvluchtte totdat eentje hem tackelde, waarna het hele team de gelukkige schutter op brute wijze besprong en bedolf. Zo ging dat op tv immers ook. Mijn lievelingsvakken waren Duits en Nederlands. Dat ging me het makkelijkst af. Gym vond ik ook leuk. Tenminste, als er gehonkbald of gevoetbald werd. Dat gedoe met paarden, ringen en rekken lag me een stuk minder. Ik had hoogtevrees en was bang om te vallen. Sancta Maria viel me reuze mee, het was hier veel leuker dan op die achterlijke Nicolaasschool. ****** (wordt vervolgd) ******

donderdag 13 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 14 van 60)

Mijn moeder was in alle staten van paraatheid door de verhuizing naar Aerdenhout. In de woonkamer in Zandvoort stond ze tussen tientallen verhuisdozen, de meesten nog maar half ingepakt. Zoals altijd wanneer ze hevig opgewonden was, haalde ze ook nu haar keelslijm op, spuugde het in haar handen, en wreef het brok slijm razendsnel fijn tussen haar handen. Ze kon dat zó snel, dat je haar vingers niet meer kon onderscheiden en dat haar handen ervan klapperden. Haar gezicht trok hierbij in een idiote grimas, haar ogen stonden scheel. Een akelig gezicht. Als ze uitgewreven was, ging haar gezicht weer normaal staan. Ze lachte naar me, zag mijn vertrokken smoeltje. 'Zo deed je oma dat ook altijd. Is heel goed voor de handen, daar blijven ze lekker zacht van.' Zuchtend begon ook ik maar weer in te pakken. Dit werd mijn zevende huis al. Ik was nu 12, dus nog geen twee jaar per huis. Ik begon een intense hekel te krijgen aan de verhuisdrift van mijn moeder. Aerdenhout lag halfweg Zandvoort en Haarlem. Voor school was het wel prettig dat ik dichterbij kwam te wonen, maar van Zandvoort '75 was ik nu twintig minuten fietsen verwijderd. Het was wel wennen, in een huis te wonen boven een kantoor. Er werkten wel honderd mensen bij de Stichting. Die waren er nooit allemaal tegelijk, maar met doordeweeks gemiddeld vijftig, zestig aanwezigen was het toch een drukke, zoemende bijenkorf. Beneden kwam je binnen in een grote hal met een witmarmeren vloer. Als looppad lag een rood tapijt in het midden. Meteen rechts was een loket, waar mensen zich konden melden. Hierachter zaten de telefooncentrale en de adminstratie, verreweg het grootste kantoor. Hier zaten ook de aardigste mensen. De telefonistes zwaaiden vrolijk naar me als ik thuis kwam en met mijn grote schooltas langs hun ramen slofte. Ook de grote baas van de Stichting, meneer Van der Veer, had op de begane grond zijn kantoor, het grootste kantoor van het hele pand. Naast hem had zijn secretaresse, mevrouw Van Laar, ook een eigen kantoor. Mevrouw Van Laar, zo wist mijn stiefvader al binnen een paar dagen te vertellen, was verliefd op haar baas. Ome Klaas had ze een keer betrapt toen ze stonden te zoenen. Dat was om zes uur geweest. Het kantoor was officieel al dicht, mijn stiefvader hoorde een gerucht en ging even kijken. Die eerste weken was hij immers extra waaks. Het licht op het kantoor van meneer Van der Veer bleek nog aan te zijn. Meneer Van der Veer werkte vaak over en dan bleef mevrouw Van Laar ook, om hem daarbij te assisteren. Toen mijn stiefvader het kantoor binnenstapte, hing mevrouw Van Laar om de hals van haar baas en zoende hem op de mond. 'Ehm... meneer Akerboom, dit hebt u natuurlijk niet gezien.' Meneer Van der Veer had zijn stropdas rechtgetrokken, zijn aktentas gesloten en was weggegaan. Een ontdane mevrouw Van Laar biechtte in tranen op dat ze verliefd was op haar baas, maar ook dat het niets kon worden zolang hij nog getrouwd was. Ze vroeg mijn stiefvader dringend om er met niemand over te praten. Dat beloofde hij. Hij vond het wel een mooi verhaal, vertelde het met smaak aan ons tijdens het eten. Een mooi verhaal. Misschien kwam het hem nog wel eens van pas. Op de eerste verdieping waren ook een heleboel kantoren, het personeelskeukentje en de deur naar onze woning op zolderétage. Achter de deur ging het eerst twintig treden stijl omhoog, over dik bloedrood tapijt. Op het overloopje kon je naar rechts, waar het nette echtpaar een grote slaapkamer had. Linksaf voerde naar een logeerkamertje aan de rechterhand, met daar weer achter mijn kamer. Aan de linkerhand kon je via een klein deurtje naar een gigantisch dakterras. Ging je rechtdoor, dan kwam rechts de woonkamer. Ook die was erg groot, zo groot had ik het nog nooit thuis gehad. Ten slotte kwam nog de smalle keuken, met een voor zo'n enorm huis merkwaardig klein douche-toilet. Het was dan ook geen normale woning. Het was een hele grote zolder, aangepast aan bewoning. Een zolder met allerlei hoekjes. En met overal ramen die uitkeken op blauwe lucht of boomtoppen. Arbeiders op eenzame hoogte tussen de rijksten van Nederland. Twee avonden per week, op donderdag en vrijdag, daalden ze na het eten af naar de kantoren. Ik deed boven de afwas terwijl het het concierge-duo met stofzuiger, emmers sop, doeken en de rest van hun bewapening aan de slag ging om het grote gebouw van de Stichting schoon te maken. Ze hadden hun handen vol, kwamen pas na half elf weer boven. Ik vond het prima. Op donderdag en vrijdag was ik dus de baas van de tv. Was er niks op tv, dan kon ik hard mijn Kiss-platen draaien. Ik droomde dat ik voor bomvolle stadions vol gillende meisjes speelde terwijl ik de partijen van Peter Criss in de lucht meedrumde. Het zweet gutste van mijn hoofd. Ze hadden het zwaar met die twee lange schoonmaakavonden aan het einde van de week. Ze waren toch al vijftig geweest, mijn stiefvader had er ook nog zijn volle baan in de facilitaire dienst naast. Al dat gesleep en al die trappen op en af, het was een hele inspanning. En dan nog bladeren vegen op zaterdag, om de week gras maaien en onkruid wieden, een paar lampen vervangen op zondag. Het hield eigenlijk nooit op. Maar we woonden gratis. In het poenigste dorp van Nederland. Ze moesten doorzetten. * Mijn moeder drentelde ongedurig door ons huis, van raam naar raam. Haar ogen had ze groot opgezet, ze hijgde een beetje. Het was anders dan anders, als ze een opvlieger had en voor een open raam druk met haar armen stond te wapperen om maar zoveel mogelijk lucht naar haar gezicht te duwen. 'Het is niet goed hier. Dit huis...' Ze keek nu door het raam in de woonkamer, de verstilde groene tuin in met de hoge, zwijgende bomen eromheen. Paniekerig schoten haar ogen van links naar rechts. Overal groen. Overal stilte. 'Misschien moet je nog wennen mam. We wonen hier pas zes weken.' Ze herpakte zich. 'Ja.' Ze ging het eten opzetten. Haar man kon zo thuiskomen. * Het begon vroeger donker te worden, het was al laat in oktober. Fietsen met licht. Ik moest harder trappen wanneer ik naar Zandvoort fietste met de remming van de dymano op mijn voorband. Het regende ijskoude druppels. Ik voelde het niet. Ik ging trainen. Mijn gezicht was nat, het water kwam nu ook door mijn jack heen. Ik reed Zandvoort binnen, won het van de tegenwind en bereikte het clubhuis bij het circuit. Meneer Peitsman keek met een bezorgde blik naar de hemel. 'Wat zullen we doen jongens... nou okee, omkleden dan maar.' De helft van ons team was niet op komen dagen door het noodweer. Het bliksemde steeds dichterbij, de striemende regen werd hagel. Steeds grotere hagelstenen denderden neer op het veld, op ons, op ons lijf, in ons gezicht. Het donderde en het bliksemde, steeds harder en dichterbij. Meneer Peitsman staakte ons partijtje. 'Naar binnen, hup, als de donder jongens!' Woedend bleef ik staan. 'Ik wil trainen!' gilde ik. Meneer Peitsman pakte me bij mijn arm, ik trok me los, hij gaf het op en draafde achter de jongens aan naar de beschutting van de kleedkamer. Huilend bleef ik staan. Druipnat, de hagel geselde mijn gezicht. Maar de lichtmasten schenen door. Ik pakte de bal en ging 'm hooghouden. * We woonden nu ruim twee maanden boven de Stichting. Ma hield het niet meer vol. Wist zich overdag geen raad. Was bang. Opgejaagd. Beet nagels. Tot mijn stiefvader uit Warmond thuiskwam. Dan ging er een knop om in mijn moeders hoofd: de knop van vrolijk en gezellig werd ingedrukt. Haar stem ging een paar octaven onhoog, ze lachte om alles. Ze deed overdreven. Vreemd. Haar man leek niets in de gaten te hebben. Vertelde zijn gewichtige belevenissen met Dick in de facilitaire dienst. At zijn eten, liet zich zijn koffie en cognac inschenken. Zo lang mijn moeder gedienstig bleef, en ik zorgde dat ik niet of nauwelijks opviel in huis, was de sfeer in elk geval niet al te grimmig. Terwijl mijn stiefvader in de woonkamer naar een schlagerfestival zat te kijken, greep mijn moeder mij in de keuken bij mijn arm. Met groot opgezette ogen keek ze me verdwaasd aan. Gejaagd begon ze te fluisteren. 'Ome Klaas mag niks merken. Komend weekend smeren we 'm. We gaan naar het Blijf van mijn lijf-huis in Utrecht. Ze weten ervan, we worden zaterdag verwacht. Zeg niks tegen hem. Ik regel 't.' Mijn moeder overviel me totaal met haar plan, maar ik zag het gelijk zitten. Mijn stiefvader een hak zetten, daar was ik wel voor te porren. Wat een avontuur kon dit worden, tjonge, naar het Blijf van mijn lijf-huis. Daar had tante Greet ook wel 's gezeten met een paar van haar kinderen. Oom Harry had namelijk losse handjes waarmee-ie hard kon slaan als-ie weer 's bezopen was. ****** (wordt vervolgd) ******

woensdag 12 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 13 van 60)

De kersverse echtgenoot van mijn moeder had nóg een nieuw plan gekregen. 'Wat zou je ervan zeggen als je voortaan Akerboom zou heten?' Hij oogde ontspannen terwijl hij het me voorlegde. Hij glimlachte zelfs. Naast hem keek mijn moeder me vol verwachting aan. Ze hoopte duidelijk dat ik ja zou zeggen. 'Dan ben je echt mijn zoon en hebben we de dingen goed geregeld.' Ik duizelde. Wat een vreselijk plan. De naam van die boer hier op de bank aannemen, anmenooitniet. Ik moest er niet aan denken. En mijn vader zou het niet overleven. 'Goh, dank u wel, da's heel hartelijk van u. Maar u overvalt me wel een beetje. Ik denk er even rustig over na, goed?' Ik hoorde mezelf u tegen mijn stiefvader zeggen, terwijl ik dat toch al zo lang zo zorgvuldig had weten te omzeilen. Ik was duidelijk van de kaart. 'Hm. Goed dan.' Hij was zichtbaar teleurgesteld dat ik niet direct dankbaar hoera had geroepen en daarbij mijn handen van dolle blijdschap ten hemel geheven. Ik was heel anders dan zijn vrouw, die alles goed en geweldig aan hem vond. Haar had-ie wél honderd procent onder contrôle. Bij mij kwam-ie misschien wel tot negentig, maar die laatste tien procent zaten hem erg dwars. De volgende ochtend, toen de heer des huizes naar zijn werk was, vertelde ik mijn moeder dat ik het niet wilde. 'Oh... maar daar doe je ome Klaas erg veel verdriet mee.' Ze keek verontrust. Een beetje bang. 'Toch wil ik het niet.' Ik liet het mijn moeder aan hem vertellen. In de woonkamer hoorde ik hem tieren. 'Ik trek mijn handen van dat rotjong af! Mijn hart klopte in mijn keel. 'Ondankbaar stuk vreten!' Ik begon zachtjes te bidden. * De trainingen bij Zandvoort '75 begonnen weer. Ik had me de hele zomer behoorlijk fit gehouden met al mijn spelletjes met de bal. Mijn ziel en zaligheid gooide ik erin. Met de schietoefeningen liet ik af en toe projectielen los waar onze keeper even een stapje voor opzij deed. Het seizoen kon beginnen. Wat wel al van start was gegaan, was het schooljaar. Gevieren fietste de delegatie van de Nicolaasschool de hele Zandvoortselaan af, onder station Heemstede-Aerdenhout door, linksaf de Leidsevaart op. Daar zag je het statige Sancta Maria al van verre liggen, aan de overkant van het water. Geen van de andere drie zat bij mij in de brugklas. Voor de tweede keer in nog geen jaar tijd belandde ik in een gloednieuwe klas. De lokalen waren immens, de hele school was immens. Met al mijn schoolboeken in mijn overladen, uitpuilende tas, sleepte ik me van les naar les. Tussen de lessen door verdwaald, op zoek naar het juiste lokaal. Geduw van grotere kinderen. 'Stomme brugsmurf!' De hoeveelheid huiswerk viel in het begin heel erg mee. Op de Nicolaasschool had ik veel meer thuis moeten doen. Wat stom, dat ze ons daar zo veel huiswerk hadden gegeven. 'Dan kun je vast wennen, voor straks op de grote school', hadden ze altijd gezegd. Maar op de grote school kregen we nu veel minder opgaven voor thuis. Op de Paulusschool hadden we nooit huiswerk, konden we altijd spelen. Dat vond ik veel beter. Thuis liep de spanning op. Sinds ik geen Akerboom wilde gaan heten, vond mijn stiefvader steeds vaker dat ik maar naar mijn vader moest gaan om geld te vragen voor kleding, voor voetbalschoenen, voor weet ik wat allemaal. Wist ik wel wat al die schoolboeken hadden gekost? Een vermogen, Nelis! Ik zat in een lastig parket. Ik voelde me rot dat ik zoveel geld kostte, maar telkens om geld bij mijn vader bedelen zag ik ook niet zitten. De eerste keer dat ik er bij mijn vader over was begonnen, extra geld voor kleding voor mij, was-ie helemaal geflipt. Of die lul van een vent daar in Zandvoort soms te beroerd was om voor mij te zorgen en kleren voor me te kopen, godgodverdegodgodgodverdegodver. Ik snapte mijn vader wel, stond aan zijn kant, vond het gênant dat ik op pad werd gestuurd om zijn portemonnee leeg te kloppen. Uiteindelijk kwamen mijn vader en moeder telefonisch overeen dat pa de alimentatie wat op zou schroeven en dan verder geen gezeur meer. Hij zou het regelen met meneer Burgstra, die zijn geldzaken beheerde sinds ons vertrek naar Zandvoort. Voorlopig was er weer even wapenstilstand. * Er waren geldzorgen. De flat was toch wel duur. Er was net een nieuwe, grotere auto op afbetaling gekocht. Van Zandvoort naar naar Mariënhave in Warmond heen en weer was toch nog steeds erg veel benzine elke dag. De alimentatie die mijn stiefvader aan zijn ex-vrouw moest betalen loog er ook niet om. En de alimentatie voor mij was juist te weinig. Er moest iets gebeuren. In Aerdenhout zocht de Stichting Gezinszorg Kennemerland Zuid een net echtpaar dat als concierges boven het kantoor wilde wonen. Alle kantoren moesten wekelijks worden schoongemaakt en allerlei klussen in en om het pand hoorden er ook bij. Gras maaien, bladeren vegen, kleine reparaties, dat soort dingen. In ruil voor die diensten mocht het nette echtpaar gratis en voor niets wonen op de zolderétage. Op een zondag gingen we op spionage. In de fonkelnieuwe Mitsubishi Galant van mijn stiefvader. Een grote, chique beige bak. Zijn trots. Die had-ie wel verdiend, legde-ie uit. Hij had al zó veel ellende meegemaakt in zijn leven, zo'n mooie auto kwam hem nu wel toe. Bovendien was hij een uitmuntend chauffeur. Dat bewees het Mitsubishi-speldje dat-ie trots op zijn stropdas droeg. Zo'n speldje kreeg je als je 25 jaar schadevrij had gereden. Omdat hij Mitsubishi reed toen hij deze fraaie mijlpaal bereikte, had Mitsubishi Nederland het genoegen gesmaakt om Klaas Akerboom met deze speld te decoreren voor 25 jaar geen ongelukken op de weg. De witte villa van de Stichting was veel groter dan we hadden durven denken. Ik was er al heel vaak vlak langs gefietst, de Zandvoortselaan voerde immers ook door Aerdenhout, maar de villa aan de Van Lennepweg 1 was me nog nooit opgevallen omdat ze verscholen ging tussen forse bomen en struikpartijen. De drie verdiepingen telden talloze kantoortjes en ramen. We waagden ons op het parkeerterrein naast het kantoor. Liepen een rondje om het gebouw heen. Achter de villa was een overdekte parkeerplek en een schuur. Een tuin, ruim genoeg om een balletje te kunnen trappen, omzoomde de halve omtrek van het gebouw. Mijn moeder was opgetogen, kirde van plezier en opwinding. In Aerdenhout woonden allen maar rijke stinkerds. In zo'n dure villa wilde ze ook wel wonen. En dan nog voor niks ook! Het was een buitenkansje. Klaas Akerboom keek nog eens peinzend omhoog, naar de bovenste étage, de concierge-woning. Er brandde geen licht, het was helemaal donker in de nok van het gebouw. Hij knikte. Ze moesten het maar doen, schrijven op de betrekking als concierges. Ze maakten vast een goede kans. Het begon met losse droppen te regenen. We hadden genoeg gezien. De auto startte, draaide het parkeerterrein af, terug naar de Zandvoortselaan. Ik keek nog eens door de achterruit waar de druppels steeds harder op vielen. Ik tuurde naar de tuin. De donkere boomtoppen wiegden in de wind heel zachtjes van links naar rechts. De bomen schudden nee. ****** (wordt vervolgd) ******

maandag 10 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 11 van 60)

Tussen mij en mijn stiefvader nam de spanning toe. Ik hoorde hem, met mijn oor tegen mijn kamerdeur, bij mijn moeder over me klagen. 'Dat stiekeme jong regelt alles met jou. Ik word overal buiten gehouden.' Sussende woorden van mijn moeder. 'En hij krijgt ook nog altijd het grootste stuk vlees.' Dat was mij nog niet opgevallen. Maar het deed me plezier dat te horen. Net goed! Mijn moeder praatte op de volgende dag op me in toen ik uit school terug kwam. 'Ome Klaas vindt je zo stug en afstandelijk. En hij bedoelt het zo goed met je. Kun je niet wat aardiger voor hem zijn? Gewoon af en toe vragen hoe het op z'n werk was en zo. Okee?' Ik beloofde het. Bij Zandvoort '75 voelde ik me nu helemaal op mijn gemak. Ik genoot van de trainingen van ome Gijs. Geen domme rondjes lopen en opdrukken zoals bij Amerfoortste Boys, maar alles met de bal, alles op techniek. Met links en met rechts liet-ie ons werken, niet alleen je goeie been. Gonzend van voetbalhonger oefende ik mijn zwakkere linkerbeen ook thuis voor de flat tegen een schuurdeur eindeloos met een tennisballetje. Afgewisseld met hooghouden, links, rechts, links, rechts. Na het eten oefende ik op mijn kamer met een stuiterbal mijn reflexen. Op mijn kont zat ik voor mijn opklapbed, het doel. Via de grond gooide ik de stuiterbal tegen de muur en de terugspringende kleine bal ving ik of tikte ik met handen of voeten weg. In de C1 was ik vaste waarde geworden. Ik vrat de spitsen van de tegenstanders op met huid en haar. Zelden kwam er eentje aan scoren toe. We draaiden goed, we waren sterk. Ik was fier. We zouden dat seizoen tweede worden. Voetbal op tv zat er meestal niet in. Daar hield mijn stiefvader niet van. 'Tweeëntwintig gekken die achter een bal aanrennen. Er als er eentje de bal eindelijk de bal heeft dan geeft-ie 'm weer een rotschop en dan rennen ze er weer alle tweeëntwintig achteraan.' Ik zat sowieso niet graag in de woonkamer als hij er was. Dus redde ik me met Langs de Lijn op mijn transistorradiootje. Ik had geluk toen Pim na lang aarzelen een keer een weekend naar Zandvoort kwam. Het was een van de zeldzame keren dat we überhaupt bezoek kregen. Ik was erg blij mijn broer eindelijk weer 's te zien. Hij woonde intussen niet meer bij zijn hospita op kamers. Dat had-ie na een paar maanden wel bekeken, dat rare mens. Ze was begin veertig, alleenstaand en ze had het op mijn broer voorzien. Ze banjerde in een doorschijnende jurk door het huis, stapte met blote borsten zogenaamd per ongeluk niet de badkamer, maar zijn kamer in. Hij kreeg 't er Spaans benauwd van. Gelukkig kon-ie een flatje krijgen in Schothorst. Op de muur in zijn woonkamer schilderde hij met hulp van Joop een hele grote, half openstaande rits. Die rits was symbolisch, legde-ie uit, iets met geslotenheid en eenzaamheid. Ik was trots op mijn kunstzinnige broer. Het weekend liep stroef. Mijn stiefvader had het hoogste woord, mijn moeder lachte maar wat mee en Pim knikte, hmm-de en zweeg verder. Hij was blij toen ik hem voorstelde om samen monopoly te spelen. 'Zo. Ben ik mooi effe van al dat oeverloze gelul van die vent af.' 'Ik weet nog wel wat leuks, voor morgen.' 'Wat dan?' 'Zullen we naar Haarlem-Feyenoord gaan? Dat is niet ver van hier en ze spelen morgen.' Pim dacht even na. Dat gedrang in zo'n stadion trok hem niet zo. Maar het brak de dag wel mooi, de hele dag hier met die ouwelui zitten was ook niet alles. 'Okee dan jochie, dat doen we.' Ik kon bijna niet slapen van opwinding. Ik was al met mijn vader al vaak naar SC Amersfoort geweest, een keertje naar FC Utrecht en zelfs een keer naar Roda JC, toen we logeerden bij tante Daan en ome Kees. Nu gingen we dus naar Haarlem, ik was heel benieuwd hoe het daar zou zijn. Met Pim`s Honda Civic reden we naar Haarlem, zochten en vonden het stadion en konden er tot onze verbazing dichtbij parkeren. We waren keurig op tijd, hoefden niet lang voor onze kaartjes in de rij te staan. We gingen op de westtibune tegen het hek aan staan. We stonden met onze neus vlakbij het doel waar Haarlem-keeper Rob Boersma werd ingeschoten. Het was een zonnige dag. De stadionvlaggen wapperden, hoog boven het veld cirkelden tientallen meeuwen. De tribunes stroomden vol en de wedstrijd begon. Haarlem had geen schijn van kans tegen Feyenoord. Alleen de Haarlem-spelers Wim Balm en Ruud Gullit konden aardig opboksen tegen de gasten uit Rotterdam. Grootste attractie op het veld was Haarlems middenvelder Abe van den Ban, die in het echt net zo'n fraaie grote siersnor droeg als op de voetbalplaatjes. Het eindigde in 0-2 voor Feyenoord, maar het had nog wel erger af kunnen lopen. Het publiek druppelde murmelend het stadion uit. Er viel geen onvertogen woord. De mensen hadden zelfs voor de spelers geklapt na afloop. Dat was toch wel anders dan bij SC Amersfoort. Dan begonnen ze bij de 0-1 al massaal boe en geld terug te roepen. Hier in Haarlem was het anders. Beschaafd en ontspannen. Het beviel me wel. Willem bleef nog bij ons eten en smeerde 'm daarna. Ik was weer alleen met die twee. * Het schooljaar liep langzaam op z'n einde. Mijn moeder en ik werden bij de juf ontboden voor een schooladvies. 'Nou' zei de juf, en daarbij keek ze me vorsend aan, 'eigenlijk zou ik LTS willen zeggen, maar al te handig is-ie ook al niet. Dan wordt wordt 't MAVO. Maar dan zal-ie héél hard moeten werken.' Mijn moeder zette grote ogen op. 'In Amersfoort zeiden ze altijd dat Jeroen zeker naar de HAVO of het Atheneum kan.' 'Doe wat u niet laten kunt' glimlachte de juf en ze haalde haar schouders op. In de klas was ik een beetje bevriend geraakt met een paar meisjes. Christie, Paula en Carola. Carola had sluik blond haar, sproeten en een buitenboordbeugel. Die stond haar prachtig. Ze kon 'm goed hebben, die beugel. Haar bruinleren jack stond haar stoer, dat maakte het plaatje helemaal af. Ik was smoorverliefd op haar. Op een woensdagmiddag kwam mijn kans. Na school bleven we met z'n viertjes nog een halfuurtje nakletsen. De hele school ging over de tong, de ene jongen was nog lelijker dan de ander en het ene meisje nog stommer dan de ander. Wij troffen het maar met elkaar, temidden van zoveel afschuwelijke kinderen om ons heen. Paula ging naar huis, die woonde niet in Noord. Carola en ik gingen de andere kant op, naar de flats in Noord. Christie kwam nog even mee. Hoffelijk liep ik mee tot Carola´s flat, die een paar honderd meter verder lag dan de onze in de Lorentzstraat. Christie stelde grijnzend voor om in de gangen onder de flat, waar de schuren zaten, nog even wat verder te kletsen. Ze had gezien wat er liep, hoe de kaarten lagen, en nu arrangeerde ze een kusplek voor mij en Carola. 'Ik ben met een paar minuten terug.' In het donker van het ondergrondse van de flat keek Carola me dromerig aan. We zeiden niets. Ze leunde tegen de muur, reikte met haar hand. Ze klipte haar beugel af. Heel voorzichtig kwam ik dichterbij. Ze trok me tegen zich aan en drukte haar mond op de mijne. Haar tong was van honing. Ik steeg op naar een wolk waar ik de eerstkomende jaren niet meer van af wilde komen. Ook niet toen Christie zich weer meldde, mij aan mijn arm schudde en licht geïrriteerd zei dat het zo wel genoeg was. ****** (wordt vervolgd) ******

zondag 9 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 9 van 60)

Mijn moeder vond het niet verstandig dat ik al te snel bij mijn vader op bezoek zou gaan. Het kon nog wel een paar weken duren voordat de tijd rijp was. Intussen begon ik een klein beetje gewend te raken aan Zandvoort. Het was heel anders dan ik me herinnerde van die keer dat ik een weekje met vakantie naar Zandvoort was geweest. Mijn moeder had een appartementje gehuurd, vlak aan de kust. Mark mocht meekomen en verder waren ook Guusje en Karin van de partij. Mijn moeder was toen al van mijn vader af, dus het was best bijzonder dat ze Guusje mee had gevraagd, mijn halfzus uit het eerste huwelijk van mijn vader. Guusje was zogezegd niks van haar, maar ze hadden toch een goede band. Bovendien had mijn moeder na de scheiding wat vaker contact met tante Mia, de moeder van Guusje en Ton. Ze gingen wel eens bij elkaar op de koffie, konden het goed met elkaar vinden. Allebei getrouwd geweest met Jan de Haan, dat was toch een onderwerp waar ze niet gauw over uitgepraat raakten. Dat naast Guusje ook Karin meeging op vakantie, onderstreepte de uitstekende verhoudingen. Karin was de dochter uit het tweede huwelijk van tante Mia. Al snel na de breuk met mijn vader had tante Mia meneer Theunissen ontmoet. Met hem was ze nu al jaren gelukkig getrouwd en had ze Karin gekregen. En zo was mijn moeder met een bont gezelschap grotere en kleinere kinderen op pad in Zandvoort. Helemaal in haar element. Daar hield ze van, dingen doen die anders waren dan anders. Het Zandvoort van die korte vakantie beleefde ik nu heel anders. Ik speelde niet dagelijks in het zand aan de Noordzee-kust, maar liep gewoon door het dorp. En het was geen hartje zomer, maar half november. Het enige wat hetzelfde gebeven was, was ik dat nog altijd een buitenstaander was. Ik was geen Zandvoorter, maar nog steeds een soort toerist. In de drogisterij annex kapsalon op het winkelpleintje in onze buurt in Zandvoort-Noord waren ook de postbussen. Wij hadden postbus 240. Ik vond het leuk om de post daar op te halen. Ik hield van post. Je wist maar nooit wat erbij kon zitten, het was altijd weer en verrassing. Misschien een kaart of brief van mijn vader. Of post van Mark. Ook Mark en alle anderen die ik kende hadden alleen ons postbusadres. Veiligheidsmaatregel tegen mijn vader. In de postbus kwam vooral post voor mijn stiefvader. Vaak wat grotere, bruine enveloppen, zonder duidelijke afzender. Wat kon daar toch in zitten? In de winkel van de drogisterij hadden ze tot mijn grote vreugde ook voetbalplaatjes. En net als bij meneer Bak hadden ze niet alleen de plaatjes van Panini, maar ook die van Vanderhout. Die vond ik veel mooier dan die stijve, eenvormige Panini-prentjes: alle voetballers in hetzelfde shirtje en bijna geen tekst erbij, zo saai. Nee, dan de plaatjes van Vanderhout, daarop stonden de spelers soms in hun wedstrijdshirt, soms in hun trainingspak, Wimke Meijers zelfs in een stoere leren jas. Jo van Zoest zat mokkend in de dugout in een geel hesje. Jochen Vieten stond geconcentreerd klaar om een bal af te vangen, met één hand tegen de doelpaal leunend. Paul de Jong tijdens het uitlopen op de training. Dát was voetbal! Ook de beschrijvingen van de spelers in het Vanderhout-boek waren veel sprekender dan de korte droge zinnetjes in de Panini-albums. Vanderhout sprak bijvoorbeeld liefdevol over Gerrit Mintjes met een prachtzin als 'Is een meester in het schaduwen van een tegenstander', waar Panini bij alle spelers grossierde in algemeenheden als 'Centrumspits, ook als linkerspits in te zetten'. Wat zei dat nou? Dat leek nergens naar. In heel Zandvoort leek ik wel de enige die voetbalplaatjes spaarde. Ik zag nooit jongens plaatjes ruilen op schoolplein. Er zat niet veel anders op dan mijn vader vragen of hij een paar keer onder verschillende namen prentjes na wilde bestellen. Die truc hadden we al vaker uitgehaald. Nu was het echt bittere noodzaak, zonder jongens om mee te ruilen kreeg ik mijn boeken anders nooit vol. Ik zou het mijn vader vragen zodra ik hem weer mocht zien. In Zandvoort werden dan misschien geen voetbalplaatjes gespaard, en op het schoolplein waren ballen zelfs verboden, maar bij de drie voetbalclubs van het dorp werd fanatiek gespeeld. Je had het chique TZB, de club van de betere mileus. En dan had je volksclub Zandvoortmeeuwen. Zandvoortmeeuwen was een veel grotere club dan TZB, er waren nu eenmaal niet zoveel betere milieus in Zandvoort. In 1975 was er nog een derde club bij gekomen, opgericht door TZB'ers en Zandvoortmeeuwenaren die het bij geen van beide uitersten van clubs naar hun zin hadden. De club noemde zich simpelweg Zandvoort '75. Het was nogal een rel dat de club werd opgericht, het was verraad tegenover allebei de andere clubs. De gemoederen in het vissersdorp liepen hoog op, maar het eigenwijze Zandvoort '75 trok zich daar niets van aan en bouwde een clubhuis in de duinen naast het circuit. Dat vond ik natuurlijk erg interessant, ik was immers groot Formule 1-fan. Bovendien was Zandvoort '75 vlakbij onze flat, op de fiets was ik er in vijf minuten. En dus werd ik lid van Zandvoort '75. Ook bij de club was ik duidelijk een buitenstaander, maar op de trainingen van de C1 viel ik op door mijn tomeloze inzet en de onverzettelijkheid waarmee ik mij vastbeet in tegenstanders. Onze elftalleider, meneer Peitsman, en onze trainer ome Gijs wisten dat op waarde te schatten. Ik werd gewaardeerd voorstopper van de C1. Mijn onzekere middenveldgeklungel bij Amersfoortse Boys verdween als sneeuw voor de zon. Ik was als voorstopper herboren. Ik hoefde alleen mijn tegenstander uit te schakelen, en dan de bal inleveren bij Makkie, Eric of Dries. Die wisten er wel raad mee. In Zandvoort moest je je als import extra bewijzen. Dat deed ik nu. Ik hoorde erbij! Het was niet zo dat ik nu opeens vrienden had, dat ik met jongens mee naar huis mocht of werd uitgenodigd voor verjaardagsfeestjes. Maar het begin was was er. Ik had het zelfs makkelijker in de ploeg dan de geboren en getogen Zandvoorter Carlo, met wie ik ook nog in de klas zat. Carlo bakte er helemaal niks van, struikelde voornamelijk over de bal, en werd de hele wedstrijd lang door de halve ploeg verrot gescholden. Het was een bloedfanatiek team dat geen achterblijvers duldde. Arme Carlo moest dan ook hard boeten voor zijn gehannes links voorin of op het middenveld. Carlo was dan wel geboren en getogen in Zandvoort, maar zijn moeder was Spaans en dus telde hij niet mee als echte Zandvoorter. Hij werd op school veel gepest met zijn rode haar en zijn grote neus. Een buitenstaander. Net als ik. Carlo kon bovendien goed leren, dat werd ook niet echt gewaardeerd op de volkse Nicolaasschool, waar de meisjes later huisvrouw en moeder wilden worden en de jongens visser of monteur. Hoewel de juf ook mij maar en domme jongen vond met mijn pofbroeken, had ik op de Paulusschool altijd goed mee kunnen komen met de besten. Carlo en ik werden automatisch naar elkaar gedreven. Carlo's vader was een ras-Zandvoorter. Dat hij bij Carlo's moeder een kind verwekt had, was achteraf gezien een klein wonder. Want eigenlijk hield de vader van Carlo van mannen. Hij dreef een strandtent op het naaktstrand. Carlo en ik waren daar 's zomers regelmatig op bezoek. We konden in de strandtent van Carlo's vader gewoon onze zwembroek aanhouden. De stamgasten, vooral mannen, zaten bloot aan de bar of aan de tafeltjes. Een enkeling had een t-shirt aan. 'Wat een schatjes hè' hoorden we soms vertederd mompelen als we door de strandtent liepen. We waren altijd heel welkom, iedereen was aardig tegen ons en als we dorst hadden dan kregen we altijd wel van iemand limonade aangeboden. Het was altijd gezellig en ontspannen in de strandtent van Carlo's vader. Het gebeurde regelmatig dat Carlo uren te laat of zelfs helemaal niet op kwam dagen als we afgesproken hadden. Dat kwam door zijn Spaanse achtergrond, zei ome Klaas. Het was allemaal mañana, mañana met die gastarbeiders, daar kon je niet op bouwen. Maar toch was ik blij dat ik een vriendje had. En ook hij had een paar Kiss-elpees. Hij mocht dan een gastarbeider zijn, met zijn smaak zat het wel goed. Op de Nicolaasschool raakte ik iedere week een beetje meer ingeburgerd. Het rauwe volk van de zesde klas liet me in elk geval met rust, terwijl Carlo doorlopend het mikpunt was van pesterijen. Hij was makkelijk op de kast te krijgen met zijn neus, rode haar of Spaanse roots. Misschien was het het Spaanse temperament van zijn moeder dat hem snel deed exploderen. In elk geval sloeg hij er altijd snel op los. Ademloos zag ik hem de ene na de andere grote jongen aanvliegen, meppend en krabbend als een hellekat. Maar de grote jongens waren altijd met meer en sterker en het eind van het liedje was steevast een verkreukelde en bloedende Carlo, die zwijgend zijn boeltje bijeen pakte, langzaam wegliep en statig naar huis fietste. Alweer ten onder gegaan, maar wel stijlvol. ****** (wordt vervolgd) ******