Afgelopen vrijdag hadden Phil en ik voor De Roodbroek een fantastisch interview met Haarlem-legende Gerrit Peijs (maar liefst 368 keer in Haarlem 1, alleen Beer Wentink en Piet Groeneveld gingen daar overheen). Aanvankelijk hield de voormalige roodblauwe ijzervreter de boot een beetje af toen we hem benaderden voor een vraaggesprek. Peijs vreesde dat we alleen maar jubelverhalen uit het nostalgische verleden wilden horen, en dan had hij er eigenlijk niet zo veel trek in. Toen hij echter vernam dat recent nog Misha Salden enkele flink kritische noten had gekraakt in het interview dat wij met hem hadden gedaan voor De Roodbroek, en dat wij dat bovendien heel interessant hadden gevonden, sloeg de stemming bij Gerrit Peijs acuut om: "Okee, ik doe mee!"
Aan het einde van een uitermate genoeglijke ontmoeting met onze Haarlem-held kwam onvermijdelijk even de verleiding bij mij bovendrijven om meneer Peijs nog om zijn handtekening te vragen. Je wordt immers toch weer even dat knulletje van 14 als je daar tegenover een van je grote voetbal-idolen zit. Maar net zoals tijdens eerdere interviews met grootheden als Joop Böckling en Alwin Leysner, wist ik me toch te beheersen: niet om een handtekening vragen, kom op Rißmann, dat kan écht niet meer hoor!
Des te grappiger was het dan ook toen ik mij, eenmaal thuisgekomen, plots bedacht dat Gerrit Peijs zijn mailadres voor me op een briefje had geschreven... had ik dus tóch min of meer zijn handtekening gekregen - zonder erom te hebben hoeven vragen!
Diezelfde nacht hield het thema handtekeningen vragen me kennelijk nog altijd bezig want ik droomde dat ik mij met een blocnote in de hand bij de spelersbus van Bayern München posteerde, vastbesloten om de kittige linksback Diego Contento een krabbel te ontfutselen.
Nu heb ik niets, maar dan ook he-le-maal niets met Bayern - wél met die guitige eeuwige reserve-verdediger.
(Onbegrijpelijk lijkt het, dat de zwaar getalenteerde Contento maar op de bank blijft plakken bij Bayern. Maar allez, Diego is natuurlijk wel geboren en getogen in München - dat bindt hem, de club en de fans in de stad enorm).
Ik weet niet wat ik precies aan en door elkaar hebt geknoopt in deze droom, maar aardig is het wel om te merken dat je toch altijd een beetje dat kind van vroeger blijft.
Ik beloof dan ook plechtig, dat ik voor Diego Contento die ene keer mijn volwassen principes zal laten varen als de spelersbus van Bayern bij mij in de straat stopt: "Herr Contento, können Sie mir ein Autogramm geben?"
******
(Foto van Gerrit Peijs door Rißmann)
Posts tonen met het label HFC Haarlem. Alle posts tonen
Posts tonen met het label HFC Haarlem. Alle posts tonen
zondag 10 november 2013
Handtekening van Diego
Afgelopen vrijdag hadden Phil en ik voor De Roodbroek een fantastisch interview met Haarlem-legende Gerrit Peijs (maar liefst 368 keer in Haarlem 1, alleen Beer Wentink en Piet Groeneveld gingen daar overheen). Aanvankelijk hield de voormalige roodblauwe ijzervreter de boot een beetje af toen we hem benaderden voor een vraaggesprek. Peijs vreesde dat we alleen maar jubelverhalen uit het nostalgische verleden wilden horen, en dan had hij er eigenlijk niet zo veel trek in. Toen hij echter vernam dat recent nog Misha Salden enkele flink kritische noten had gekraakt in het interview dat wij met hem hadden gedaan voor De Roodbroek, en dat wij dat bovendien heel interessant hadden gevonden, sloeg de stemming bij Gerrit Peijs acuut om: "Okee, ik doe mee!"
Aan het einde van een uitermate genoeglijke ontmoeting met onze Haarlem-held kwam onvermijdelijk even de verleiding bij mij bovendrijven om meneer Peijs nog om zijn handtekening te vragen. Je wordt immers toch weer even dat knulletje van 14 als je daar tegenover een van je grote voetbal-idolen zit. Maar net zoals tijdens eerdere interviews met grootheden als Joop Böckling en Alwin Leysner, wist ik me toch te beheersen: niet om een handtekening vragen, kom op Rißmann, dat kan écht niet meer hoor!
Des te grappiger was het dan ook toen ik mij, eenmaal thuisgekomen, plots bedacht dat Gerrit Peijs zijn mailadres voor me op een briefje had geschreven... had ik dus tóch min of meer zijn handtekening gekregen - zonder erom te hebben hoeven vragen!
Diezelfde nacht hield het thema handtekeningen vragen me kennelijk nog altijd bezig want ik droomde dat ik mij met een blocnote in de hand bij de spelersbus van Bayern München posteerde, vastbesloten om de kittige linksback Diego Contento een krabbel te ontfutselen.
Nu heb ik niets, maar dan ook he-le-maal niets met Bayern - wél met die guitige eeuwige reserve-verdediger.
(Onbegrijpelijk lijkt het, dat de zwaar getalenteerde Contento maar op de bank blijft plakken bij Bayern. Maar allez, Diego is natuurlijk wel geboren en getogen in München - dat bindt hem, de club en de fans in de stad enorm).
Ik weet niet wat ik precies aan en door elkaar hebt geknoopt in deze droom, maar aardig is het wel om te merken dat je toch altijd een beetje dat kind van vroeger blijft.
Ik beloof dan ook plechtig, dat ik voor Diego Contento die ene keer mijn volwassen principes zal laten varen als de spelersbus van Bayern bij mij in de straat stopt: "Herr Contento, können Sie mir ein Autogramm geben?"
******
(Foto van Gerrit Peijs door Rißmann)
zondag 27 oktober 2013
50 jaar Telstar



Samen met quasi-Telstar-hater Phil (als voormalig West-sider van allure móet hij wel anti-Telstar zijn) bezoek ik onder een huilende hemel de club die gedoemd lijkt om tot aan het einde der tijden in de Eerste Divisie te blijven ronddobberen.
Telstar.
Maar Telstar dobbert niet zomaar rond in de tweede profklasse - dat doet de club met genoegen. De vijftigjarige jubilaris is gezond, blij, en wars van ambities. Daar kan menig boedist nog een puntje aan zuigen.
Door het venster van de knusse supporterskantine staar ik over het verregende veld waar ik ooit een proefwedstrijd mocht spelen voor de reserves van Telstar. Ik was bij SVJ wekelijks in touw als veelbelovende linkshalf, maar speelde in die ene testmatch onverwacht laatste man. Als een toen al ouderwetse Ausputzer regisseerde ik mijn verdediging van twintig meter achter mijn voorstopper, en kapte ik á la Epi Drost de spits van de andere ploeg gelukszoekers een keer of drie uit. Dat was echter niet niet wat trainer Cor van der Hart wilde zien - hij zocht een moderne libero die zijn defendie op één lijn liet spelen.
Einde uitzicht op profloopbaan.
Als professionele liefhebbers laven Phil en ik ons dik 25 jaar later aan een waterballet op het veld, dat weemoedige herinneringen oproept aan Real Zaragoza - Ajax.
Achter ons zit een merkwaardige combi van een knulletje van 10 en een hitsige dertiger, die het duidelijk voorzien heeft op de moeder van deze minderjarige. Hete Henk heeft de kleine overduidelijk meegenomen om een goeie indruk te maken die moet leiden tot innige taferelen met mams. "Zeg straks maar tegen mamma dat ik het héél gezellig zou vinden om weer eens bij jullie te komen eten!"
Gezellig eten, ja ja. Met moeders als overheerlijk toetje.
En de regen, ze klatert vrolijk voort op de tijdloze voetbaltempel van Velsen.
******
Telstar - Helmond Sport, 13 oktober 2013: 2-3 (1-2), Jupiler League. Toeschouwers: 1.563.
******
(Foto´s: voor de wedstrijd wordt nog even een fris Telstar-hagelwit lijntje getrokken * striemende regen zorgt voor een melancholieke sfeer vanuit de warme, droge kantine - de klassieke score-korfjes van Telstar liggen her en der verwaaid * deze dappere ballenjongen (zijn functie staat groot op zijn buik en borst gekalkt) kreeg 90 minuten lang geen bal te doen * het elektronisch scorebord staat na 38 minuten stoïcijns op 0-0 en negeert daarmee dat Helmond Sport al twee doelpunten heeft gemaakt - de korfjes die op de ouderwetse wijze de score duiden, doen het overigens wel gewoon - foto´s van Rißmann)
woensdag 19 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 20 van 60)
Het ging niet goed met ma op de PAAZ van het Elisabeth. Het werd maandag en het werd dinsdag, maar minder gek werd mijn moeder niet. Dinsdagavond was ik voor het eerst meegeweest om haar te bezoeken. De hele autorit lang, op weg naar het ziekenhuis, hadden mijn stiefvader en ik zwijgend naast elkaar gezeten.
Zwijgen deed mijn moeder ook, dat wil zeggen tegen mij zei ze niets. Ook ome Klaas kreeg er niet veel uit. 'Ik weet 't niet Klaas, ik weet 't niet...' stamelde ze af en toe. Slaakte een diepe zucht. Zei 'Ga maar weg. Laat mij maar doodgaan.'
Mijn moeder wilde doodgaan? Klamme angst kroop in mijn hart. Diep van binnen voelde ik paniek in mij opkomen.
Zwijgend waren we ook weer naar huis gereden. In mijn hoofd spookten mij moeder en de rest van de PAAZ-bewoners nog na. De helft zat er als een zombie bij, de andere helft zat raar in zichzelf te murmelen of als een pendule heen en weer te schudden op een stoel. Je kon precies zien wie hier op bezoek was en wie niet. Het leek trouwens wel of al die gekken non-stop rookten. De hele PAAZ-afdeling stond strak blauw en de lucht bewoog maar heel traag.
Nog steeds zwijgend bereikten we de Van Lennepweg. De irritatie links van mij was voelbaar en werd steeds groter. De Galant draaide de parkeerplaats van de Stichting op, krulde om het gebouw heen naar het afdakje aan de achterkant, naast de schuur. Achter de grote gestalte van mijn norse stiefvader aan stapte ik mee de trappen op. In de woonkamer aangeland gooide hij zijn sleutels op tafel, ging zitten en gebaarde mij hetzelfde te doen. Hij keek me dringend aan.
'Kijk, Nelis. Laten we maar eerlijk zijn. Ik moet jou niet en jij hebt de schurft aan mij. Maar nu is je moeder ziek en moeten we 't samen rooien. Okee?'
Het was een korte, felle toespraak. Hij had zijn hand naar me uitgestoken over de tafel. Ik kon niet anders bedenken dan dat-ie gelijk had. Ma doorgedraaid en opgeborgen. Daar zaten we dan. We moesten nu een team vormen. Voor mamma.
Ik schudde hem de hand.
Hij kwam direct ter zake. 'Om te beginnen moet je me helpen met de kantoren schoonmaken op donderdag en vrijdag. En met de andere klussen natuurlijk. Voor het eten zal ik zorgen maar dan moet jij de boodschappen doen.' Hij sprak snel en weloverwogen. Hij bedacht het niet ter plekke, hij had het eerder al bedacht. Het klonk heel redelijk. Het was een goed plan. We moesten samen sterk zijn voor onze moeder en vrouw.
Donderdagavond hielp ik voor 't eerst met schoonmaken. In de vroeg avond waren we snel nog even langs de PAAZ gereden, daarna ging het terug naar de Stichting. We pakten stofzuigers en emmers, en gingen aan de slag op de eerste étage. Ik werd overspoeld met instructies. Ome Klaas had vroeger een eigen schoonmaakbedrijf gehad en was dus heel kundig op dit terrein. Niet om dingen heen poetsen, naar ze optillen en ook daaronder poetsen. Spullen altijd een beetje verschuiven, zodat de mensen van kantoor goed konden zien dat de schoonmaak bezig was geweest. Kwistig sprayen met de vanille-spuitbus.
Ik had er wel schik in. Vond tussen dooie vliegen hier en daar een dubbeltje of kwartje op de grond in het tapijt. Dat ging dan mooi in mijn achterzak. Van die lullige vijf gulden zakgeld die ik per week kreeg, kon ik het immers onmogelijk rondbreien. Een jongenskaartje bij Haarlem kosste al drie gulden en dan kwam het programmaboekje er ook nog bij. Plus de kosten die ik had voor voetbalplaatjes. Die vijf gulden kon ik wel tien keer uitgeven.
Fluitend liet ik mijn stofzuiger over de vloerbedekking scheren. Ik hoorde paperclips met luid getik door de stofsluigerslang naar binnen getrokken worden. Ik was in mijn nopjes. Dit was belangrijk. Mijn moeder kon nu niet werken, dus deed ik het voor haar. En mijn stiefvader bofte toch maar met zo'n ijverige jongen als ik. Zelfs toiletten boenen vond ik sport. Ik ronkte van genoegen.
Ome Klaas merkte hier allemaal niets van. Zonder iets te zeggen, met strakke kaken en getuite lippen werkte hij zijn wekelijkse donderdagavondritueel af. Pas toen we klaar waren voor die avond, tegen elven, we de schoonmaakspullen opgeborgen hadden en boven op de bank neerploften, kon ik zien hoe uitgeput mijn stiefvader was.
*
Na twee weken PAAZ was het nog steeds niks met mijn moeder. We waren elke avond samen op bezoek geweest, behalve maandag en woensdag als ik ging trainen. Daar kreeg ik gelukkig vrijaf voor van ome Klaas. Hij ging dan alleen.
Mamma was nog steeds maf, suf, teneergeslagen en nergens in geïnteresseerd. Ze wilde alleen maar slapen, reageerde geërgerd op onze vragen en begon zo langzaamaan ook een beetje te ruiken. Ze wilde zich niet douchen. 'We hebben van alles geprobeerd, maar uw vrouw wil het pertinent niet. Tja en dwingen... dat kunnen we niet.'
Ik begon het vies te vinden om mijn moeder een zoen te geven. Ik deed het vlug en ik zorgde ervoor dat ik daarbij niet door mijn neus ademhaalde.
Ome Klaas liet zich niet ontmoedigen door de desinteresse van zijn echtgenote. Hij bleef haar liefjes toespreken, aaide haar hand en nam elke dag wat lekkers voor haar mee. Mentos, Appelsientje, chocolade. Of bloemen. Het begon op te vallen bij het ziekenhuispersoneel. 'Nou meneer, u verwent uw vrouw wel zeg. Je kunt wel zien dat u veel van uw vrouw houdt.' Dan knikte ome Klaas bescheiden, met een zwak grijnsje. Maar in zijn ogen zag ik dat hij ervan genoot dat de mensen in de gaten hadden dat hij zo goed voor zijn vrouw was.
Thuisgekomen was hij weer dezelfde zwijgzame ome Klaas zoals ik die kende. Hij zat daar maar op de bank. In sombere gedachten verzonken. Dronk steeds meer cognac. Soms ging er op een avond bijna een complete halve-literfles van Dujardin doorheen. Ik stelde me voor hoe dat iedere maandag in de Dujardin-fabriek moest gaan. 'Hoe zijn de weekcijfers van de verkoop, Piet?
'Redelijk Henk, redelijk. Kan beter.'
'Da's waar Piet. Maar gelukkig hebben we Akerboom in Aerdenhout.'
'Zo is 't Henk. Op Akerboom kunnen we altijd rekenen. Die houdt de boel hier wel draaiende!'
Waarop de beide directeuren een proost uitbrachten op hun trouwe klant in Kennemerland.
'Ach Nelis...'
Ik schrok op uit mijn Dujardin-fantasie.
Mijn stiefvader´s hoofd hing voorovergebogen. Hij ondersteunde het met zijn handen, de ellebogen op zijn knieën. Tussen de vergeelde vingers van zijn rechterhand klemvast het onafscheidelijke sigaretje. De rook steeg kringelend op. Ik hoorde hem snikken. Eerst een beetje. Grote tranen dropten via wangen en kin op de houten vloer. Het snikken werd luider. Lange halen. Er kwam snot bij. 'Woe-woe-woe-woe-woe...' De remmen gingen los.
Uit de keuken haalde ik papier van de keukenrol. Aarzelend reikte ik hem dat aan. Hij zag 't niet, ging maar door met zijn wolvengehuil. Ik tikte hem op zijn schouder. Hij schrok op, pakte het keukenpapier aan. Zijn verkreukelde gezicht vervulde me met afkeer en medelijden tegelijk. Hij snoot zijn neus en veegde al het vocht van zijn gezicht.
'Dank je... hè-hè...'
Ik was blij dat hij zich nu herpakte. Ik vond het wel genoeg zo. Straks had ik 'm nog uitvoerig moeten troosten, een arm om hem heen slaan of zo. Ik moest er niet aan denken.
'Ze kunnen je moeder daar niet langer houden.' Hij sprak moeilijk, met verstikte stem. In zo'n PAAZ doen ze alleen de eerste opvang. Daarna is 't terug naar huis of naar 't gesticht. O God...'
Het woe-woe-woe begon weer. De sluizen gingen helemaal open. Hij was goed dronken. De fles cognac was leeg. Wat nu te doen? Water? Of toch een andere fles drank neerzetten? Koffie misschien? Ja, dat was 't beste, ik ging koffie voor hem maken.
Hij roerde in zijn kopje, schraapte zijn keel.
'Ze gaat maandag over naar de Bavo in Noordwijk. Daar gaan ze verder kijken wat ze kunnen doen.'
En weer schoot-ie vol. Hij ging er maar bij liggen op de bank. Met een pijnlijk vertrokken grimas en onregelmatig snurkend sliep-ie in. Uit de gang haalde ik een lange winterjas van mijn moeder. Daarmee dekte ik hem een beetje toe. Toen knipte ik het licht in de woonkamer uit en ging ik naar mij kamer om daar in bed nog wat Donald Ducks te lezen.
******
(wordt vervolgd)
******
maandag 17 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 18 van 60)
Ik had mijn handen vol aan school, Zandvoort'75 en Haarlem. Thuis trok ik me terug in mijn kamer. Draaide plaatjes. Luisterde radio. Hilversum 3 of Langs de Lijn. Las de VI en speelde met smurfen voetbalwedstrijdjes. Vijf tegen vijf. Een klein kleien balletje had ik speciaal voor mijn smurfen op school bij handenarbeid gebakken. Het balletje had ik wit geverfd en daarna voorzien van zwarte stippen. De bal was niet helemaal egaal rond maar rolde toch prima. Doelen had ik gemaakt van opgestapelde gummen en lege doosjes van vulpenvullingen als doelpalen, met een potlood er overheen als lat. Zakdoeken deden dienst als netten. De bedoeling van het spel was, dat de smurfen de bal naar hun medespelers overschoten. Als de bal uitgerold was, was-ie voor de dichtstbijzijnde smurf. Die mocht de bal vanaf de plek waar de bal lag dan weer schieten naar een ploeggenoot. Dat vergde heel veel gevoel en precisie. Was de bal na tal van combinaties aangekomen in de speciale schietzone, dicht bij het vijandelijke doel, dan mocht de smurf aan de bal een schot op doel wagen. Daar ging het natuurlijk allemaal om. Ik speelde in mijn eentje, en bediende dus zowel mijn eigen ploeg Haarlem alsook die van de opponent. Kwam mijn eigen Jopie Böckling in doelrijpe posite te staan, dan volgde een daverend schot waar het hele doel van instortte, liefst met keeper en al. Dat alles begeleidde ik met opgewonden verslaggeving. 'En jaaaaaa hoooooor, Jo-pie Böck-ling doet ' t weerrrrrrrr! 3-0 voor Haarlem dames en heren, Ajax krijgt voetballes aan de Jan Gijzenkade!' Aan de overzijde had Haarlem-keepersmurf Edward Metgod het stukken rustiger. Spitsen van de tegenstander waren vaak al zó door zijn aanblik geïmponeerd, dat ze de bal van angst naast schoven, of niet verder kwamen dan een slap rollertje, waar Edward Metgod niet eens voor hoefde te duiken. Meestal hield-ie zijn doel schoon. Alleen voor een enkele sympathieke tegenstander, zoals SC Amersfoort, FC Utrecht of Wageningen, kon er wel een eretreffertje van af. En uiteraard werd het doel van Edward Metgod nooit aan puin geschoten.
*
Mijn stiefvader mocht dan tegen mij niet zo aardig zijn na ons uitstapje naar het Blijf van mijn lijf-huis, tegen mijn moeder was-ie poeslief. Elke dag als-ie uit zijn werk thuiskwam, begroette hij mijn moeder alsof ze zonet ongedeerd van een reis naar de Noordpool was teruggekeerd. Een luidkeels 'Ha meissie!' en dan veel smakkerdesmak. Hij vroeg aansluitend omstandig hoe haar dag was geweest en de dozen bonbons en fleurige boeketten waren niet van de lucht. Hij was kennelijk erg geschrokken van de vluchtpartij.
Mijn moeder was eveneens nog steeds van slag. Ze was vaak heel ergens anders met haar gedachten als ik iets tegen haar zei of als ome Klaas haar op de bank over haar rug streelde. Ze zag bleek als een vaatdoek, rilde af en toe. Als ik uit school kwam, en ome Klaas was nog niet thuis, dan lag ze meestal op de bank. Als ze niet sliep, dan lag ze diep te zuchten terwijl ze rusteloos haar voorhoofd wreef.
'Mamma..?'
'Laat mamma maar...'
'Wil je thee? Ma? Zal ik thee maken?'
'Nee...'
Ze stond moeizaam op, met trillende armen, waggelde naar een raam en keek met holle blik naar de boomtoppen en de donkerblauwe lucht. 'Ik word gek hier.'
*
Het was zaterdag. Mijn moeder werd inderdaad gek. 's Morgens tegen tienen, toen ik mijn spullen in mijn voetbaltas pakte, hoorde ik hoorde haar hard rondstappen over onze étage. 'Oooooooooowwww...' kreunde ze daarbij voor zich uit. Mijn stiefvader was er niet, die was even naar de winkels bij het station om zijn krant, shag en drie tompoucen te halen. Dat deed-ie sinds het Blijf van mijn lijf-incedent iedere zaterdag, drie gebakjes halen.
Juist als mijn stiefvader er even niet was, gedroeg mijn moeder zich de afgelopen tijd steeds een tikkie vreemder. En nu banjerde ze vingerkauwend en klaaglijk jammerend door onze woning alsof ieder moment de hemel op onze kop kon vallen. Haar water kookte over, ze gaf stoom af. 'Ik wor gek jochie, ik wor gék!' Haar ge-was-en-watergolfde haren zaten plat en door de war, haar bloeddoorlopen ogen waren wijd opengesperd en met haar ondergebit beet ze in haar bovenlip, zoals Gene Simmons op de hoes van Dynasty. Ze hipte van haar linkerbeen op haar rechter. Ik voelde paniek opkomen. Mijn moeder werd gek. Wat moest ik nu doen?
Ik hoorde de deur. Een zucht van verlichting. Nog nooit eerder was ik zó blij geweest mijn stiefvader thuis te horen komen. Ook hij zag direct dat het mis was. In een laatste poging om tegenover haar man zo normaal mogelijk te doen, stapte ze op hem af om het een zoen te geven. Daarbij duwde ze met haar tong om en om haar boven- en ondergebit uit. Ze schudde van boven tot onder, terwijl ze met een kinderlijk stemmetje 'Ha, Klaas' piepte.
Terwijl mijn stiefvader mijn moeder stevig aan haar bovenarmen vastpakte en zacht brommend op haar inpraatte, sloop ik terug naar mijn kamer om mijn voetbaltas verder in pakken. No chance. 'Nelis! Bel jij die klote-voetbal maar lekker af. Je blijft mooi hier.'
Met tranen in mijn ogen belde ik meneer Peitsman op. 'Ik kan vandaag niet komen spelen... mijn moeder is ziek en daar moet ik bij blijven...'
'Wat rot voor je, jochie. Nou... geeft niks, we zijn vandaag met z'n veertienen, dus geen man over boord. Beterschap voor je moeder en ik zie je dan volgende week weer, goed?'
'Wel winnen hè...'
'Doen we!
Ik legde neer. Achter me draaide mijn moeder cirkels om de bijzettafel. 'Ooooooooooooooowwwww...' kermde ze zachtjes, daarna ging het van 'Aaaaaaaa....waaaaah!' Gelukkig hadden we geen directe buren in Aerdenhout. haar volume werd steeds hoger, in Amersfoort of Zandvoort had ze beslist de halve galerij of straat bij mekaar gebruld.
'Hier die telefoon. Let jij op je moeder.'
******
(wordt vervolgd)
******
De bomen schudden nee (deel 17 van 60)
'Hij heeft gisteren toch heel erg zijn best gedaan', hoorde ik mijn moeder prevelen.
'Wil je terug naar huis ma?'
'Ja... ik denk dat dat voor ons allemaal het beste is...' Ze klonk niet alsof ze erin geloofde, maar alsof ze wílde dat ze erin geloofde.
Er werd getelefoneerd. Hij kwam ons halen. De directeur wenste mijn moeder succes. Mij gaf-ie een knipoog en een aai over mijn bol. 'Het komt vast wel weer goed voor mekaar jongen.'
De hele rit naar huis was mijn stiefvader aan het woord. Wat-ie allemaal wel niet door had moeten maken. En waaraan hij dit in Godsnaam toch verdiend had. Hij kon er nóg niet over uit. Regelmatig schoot-ie vol. Ik vroeg me af of-ie de weg nog wel goed kon zien. Ik rook cognac om hem heen. Mijn moeder rommelde in haar tas. 'Hier Klaas, een zaddoekie.'
*
'Ik hou je in de gaten, vuile schmiecht.'
Mijn moeder was in de keuken bezig met koken. Ik rook bloemkool en karbonaadjes. Ik lag in mijn kamer op de grond de Voetbal International te lezen. Mijn stiefvader stond naast me, ik keek tegen zijn sandalen aan. Ik keek omhoog. Ik zag zijn gebalde vuisten in zijn zij. Zijn geërgerde kop. Dat mondje. Hij siste nog even door.
'Stiekem rotjong. Je moeder ophitsen tegen mij hè. 'm Smeren als een dief in de nacht, samen met je moer. Flik dat niet nog een keer, Nelis. Dan trek ik je kop van je romp. Met dat stomme smoel van je.'
Hij liep weer weg. Ik staarde even voor me uit. Schudde mijn hoofd als een hond die kletsnat uit een vijver was gekropen. Daarna zonk ik weer terug in het artikel over Haarlem, dat na de degradatie in de eerste divisie aan een sterk seizoen bezig was. Ik was de afgelopen weken al een paar keer in mijn eentje wezen kijken. Met de fiets van Aerdenhout naar Haarlem-noord op zaterdagavond of zondagmiddag. In het begin belandde ik nog in het altijd bijna lege oostvak, naderhand vaste prik op de West-side, onder het scorebrod, waar de fantiekste blauw-rode fans stonden en waar 90 minuten lang gezongen, gescandeerd, gejouwd, gejuicht en gefloten werd. Daar voelde ik me thuis. Mijn schoolvriendjes Jan en Theo stonden er ook altijd. Theo stotterde, maar tijdens het zingen van Haarlem-liederen verdween die handicap als sneeuw voor de zon. Maar als-ie in al zijn opwinding wat tegen de scheidsrechter of een Haarlem-speler wilde roepen, dan liep-ie gelijk weer helemaal vast. 'S-s-s-schop 'm-em-em-em-em neer g-g-g-godvrrr-redomme!' Voorstopper Piet Huyg was de grote favoriet van Theo. Piet Huyg stotterde ook. Daarnaast had hij een sportzaak in Haarlem-noord en ook nog een knappe dochter. Piet Huyg was Mister Haarlem voor de harde kern op de tribunes. Ikzelf was het meest gecharmeerd van de dartele spits Joop Böckling, die koket met de handjes wapperend door het vijandelijke strafschopgebied huppelde. Hij had sluik haar, een fijn snorretje, ondeugende ogen en hij droeg altijd witte enkelsokjes over zijn kousen. Volgens Jan en Theo duidden die sokjes en dat verwijfde gedoe met die handjes maar op één ding: Jopie Böckling was een ongelofelijke nicht. Ik vond zijn sokjes en kittige gebaartjes juist erg grappig, en besloot Joop nog feller dan ooit tevoren aan te moedigen. Ik begon zijn manier van bewegen in het veld bij Zandvoort'75 te imiteren. Het maakte me lichtvoetiger, wendbaarder, en sneller in de eerste meters. Jopie Böckling was mijn grote held.
Op school rolde ik aardig door de brugklas. Mijn contact met de andere drie brugklassers van de Nicolaasschool was snel verwaterd. Ik sloot me aan bij een groep jongens die iedere pauze met een tennisbal voetbalde op een groot stenen veld. Met jassen werden doelpalen aangemerkt. Het ging er rauw aan toe. Er werden beuken uitgedeeld, hier en daar maakte een jongen een onbedoelde buikschuiver over de tegels en gilde het uit. Maar het ging vooral om het maken van doelpunten, die op uitzinnige wijze werden gevierd. De doelpuntenmaker spurtte van het stenen veld naar het aanperkende gras, alwaar hij voor zijn juichende medespelers uitvluchtte totdat eentje hem tackelde, waarna het hele team de gelukkige schutter op brute wijze besprong en bedolf. Zo ging dat op tv immers ook.
Mijn lievelingsvakken waren Duits en Nederlands. Dat ging me het makkelijkst af. Gym vond ik ook leuk. Tenminste, als er gehonkbald of gevoetbald werd. Dat gedoe met paarden, ringen en rekken lag me een stuk minder. Ik had hoogtevrees en was bang om te vallen.
Sancta Maria viel me reuze mee, het was hier veel leuker dan op die achterlijke Nicolaasschool.
******
(wordt vervolgd)
******
maandag 10 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 11 van 60)
Tussen mij en mijn stiefvader nam de spanning toe. Ik hoorde hem, met mijn oor tegen mijn kamerdeur, bij mijn moeder over me klagen. 'Dat stiekeme jong regelt alles met jou. Ik word overal buiten gehouden.' Sussende woorden van mijn moeder. 'En hij krijgt ook nog altijd het grootste stuk vlees.' Dat was mij nog niet opgevallen. Maar het deed me plezier dat te horen. Net goed!
Mijn moeder praatte op de volgende dag op me in toen ik uit school terug kwam. 'Ome Klaas vindt je zo stug en afstandelijk. En hij bedoelt het zo goed met je. Kun je niet wat aardiger voor hem zijn? Gewoon af en toe vragen hoe het op z'n werk was en zo. Okee?' Ik beloofde het.
Bij Zandvoort '75 voelde ik me nu helemaal op mijn gemak. Ik genoot van de trainingen van ome Gijs. Geen domme rondjes lopen en opdrukken zoals bij Amerfoortste Boys, maar alles met de bal, alles op techniek. Met links en met rechts liet-ie ons werken, niet alleen je goeie been. Gonzend van voetbalhonger oefende ik mijn zwakkere linkerbeen ook thuis voor de flat tegen een schuurdeur eindeloos met een tennisballetje. Afgewisseld met hooghouden, links, rechts, links, rechts. Na het eten oefende ik op mijn kamer met een stuiterbal mijn reflexen. Op mijn kont zat ik voor mijn opklapbed, het doel. Via de grond gooide ik de stuiterbal tegen de muur en de terugspringende kleine bal ving ik of tikte ik met handen of voeten weg. In de C1 was ik vaste waarde geworden. Ik vrat de spitsen van de tegenstanders op met huid en haar. Zelden kwam er eentje aan scoren toe. We draaiden goed, we waren sterk. Ik was fier. We zouden dat seizoen tweede worden.
Voetbal op tv zat er meestal niet in. Daar hield mijn stiefvader niet van. 'Tweeëntwintig gekken die achter een bal aanrennen. Er als er eentje de bal eindelijk de bal heeft dan geeft-ie 'm weer een rotschop en dan rennen ze er weer alle tweeëntwintig achteraan.' Ik zat sowieso niet graag in de woonkamer als hij er was. Dus redde ik me met Langs de Lijn op mijn transistorradiootje.
Ik had geluk toen Pim na lang aarzelen een keer een weekend naar Zandvoort kwam. Het was een van de zeldzame keren dat we überhaupt bezoek kregen. Ik was erg blij mijn broer eindelijk weer 's te zien. Hij woonde intussen niet meer bij zijn hospita op kamers. Dat had-ie na een paar maanden wel bekeken, dat rare mens. Ze was begin veertig, alleenstaand en ze had het op mijn broer voorzien. Ze banjerde in een doorschijnende jurk door het huis, stapte met blote borsten zogenaamd per ongeluk niet de badkamer, maar zijn kamer in. Hij kreeg 't er Spaans benauwd van. Gelukkig kon-ie een flatje krijgen in Schothorst. Op de muur in zijn woonkamer schilderde hij met hulp van Joop een hele grote, half openstaande rits. Die rits was symbolisch, legde-ie uit, iets met geslotenheid en eenzaamheid. Ik was trots op mijn kunstzinnige broer.
Het weekend liep stroef. Mijn stiefvader had het hoogste woord, mijn moeder lachte maar wat mee en Pim knikte, hmm-de en zweeg verder. Hij was blij toen ik hem voorstelde om samen monopoly te spelen. 'Zo. Ben ik mooi effe van al dat oeverloze gelul van die vent af.'
'Ik weet nog wel wat leuks, voor morgen.'
'Wat dan?'
'Zullen we naar Haarlem-Feyenoord gaan? Dat is niet ver van hier en ze spelen morgen.'
Pim dacht even na. Dat gedrang in zo'n stadion trok hem niet zo. Maar het brak de dag wel mooi, de hele dag hier met die ouwelui zitten was ook niet alles.
'Okee dan jochie, dat doen we.'
Ik kon bijna niet slapen van opwinding. Ik was al met mijn vader al vaak naar SC Amersfoort geweest, een keertje naar FC Utrecht en zelfs een keer naar Roda JC, toen we logeerden bij tante Daan en ome Kees. Nu gingen we dus naar Haarlem, ik was heel benieuwd hoe het daar zou zijn.
Met Pim`s Honda Civic reden we naar Haarlem, zochten en vonden het stadion en konden er tot onze verbazing dichtbij parkeren. We waren keurig op tijd, hoefden niet lang voor onze kaartjes in de rij te staan. We gingen op de westtibune tegen het hek aan staan. We stonden met onze neus vlakbij het doel waar Haarlem-keeper Rob Boersma werd ingeschoten.
Het was een zonnige dag. De stadionvlaggen wapperden, hoog boven het veld cirkelden tientallen meeuwen. De tribunes stroomden vol en de wedstrijd begon. Haarlem had geen schijn van kans tegen Feyenoord. Alleen de Haarlem-spelers Wim Balm en Ruud Gullit konden aardig opboksen tegen de gasten uit Rotterdam. Grootste attractie op het veld was Haarlems middenvelder Abe van den Ban, die in het echt net zo'n fraaie grote siersnor droeg als op de voetbalplaatjes. Het eindigde in 0-2 voor Feyenoord, maar het had nog wel erger af kunnen lopen. Het publiek druppelde murmelend het stadion uit. Er viel geen onvertogen woord. De mensen hadden zelfs voor de spelers geklapt na afloop. Dat was toch wel anders dan bij SC Amersfoort. Dan begonnen ze bij de 0-1 al massaal boe en geld terug te roepen. Hier in Haarlem was het anders. Beschaafd en ontspannen. Het beviel me wel.
Willem bleef nog bij ons eten en smeerde 'm daarna. Ik was weer alleen met die twee.
*
Het schooljaar liep langzaam op z'n einde. Mijn moeder en ik werden bij de juf ontboden voor een schooladvies. 'Nou' zei de juf, en daarbij keek ze me vorsend aan, 'eigenlijk zou ik LTS willen zeggen, maar al te handig is-ie ook al niet. Dan wordt wordt 't MAVO. Maar dan zal-ie héél hard moeten werken.' Mijn moeder zette grote ogen op. 'In Amersfoort zeiden ze altijd dat Jeroen zeker naar de HAVO of het Atheneum kan.'
'Doe wat u niet laten kunt' glimlachte de juf en ze haalde haar schouders op.
In de klas was ik een beetje bevriend geraakt met een paar meisjes. Christie, Paula en Carola. Carola had sluik blond haar, sproeten en een buitenboordbeugel. Die stond haar prachtig. Ze kon 'm goed hebben, die beugel. Haar bruinleren jack stond haar stoer, dat maakte het plaatje helemaal af. Ik was smoorverliefd op haar. Op een woensdagmiddag kwam mijn kans. Na school bleven we met z'n viertjes nog een halfuurtje nakletsen. De hele school ging over de tong, de ene jongen was nog lelijker dan de ander en het ene meisje nog stommer dan de ander. Wij troffen het maar met elkaar, temidden van zoveel afschuwelijke kinderen om ons heen. Paula ging naar huis, die woonde niet in Noord. Carola en ik gingen de andere kant op, naar de flats in Noord. Christie kwam nog even mee. Hoffelijk liep ik mee tot Carola´s flat, die een paar honderd meter verder lag dan de onze in de Lorentzstraat. Christie stelde grijnzend voor om in de gangen onder de flat, waar de schuren zaten, nog even wat verder te kletsen. Ze had gezien wat er liep, hoe de kaarten lagen, en nu arrangeerde ze een kusplek voor mij en Carola. 'Ik ben met een paar minuten terug.'
In het donker van het ondergrondse van de flat keek Carola me dromerig aan. We zeiden niets. Ze leunde tegen de muur, reikte met haar hand. Ze klipte haar beugel af. Heel voorzichtig kwam ik dichterbij. Ze trok me tegen zich aan en drukte haar mond op de mijne. Haar tong was van honing. Ik steeg op naar een wolk waar ik de eerstkomende jaren niet meer van af wilde komen. Ook niet toen Christie zich weer meldde, mij aan mijn arm schudde en licht geïrriteerd zei dat het zo wel genoeg was.
******
(wordt vervolgd)
******
zaterdag 18 mei 2013
het belang van de beker

Mijn grootste moment van voetbalgeluk dateert uit het prachtige jaar 1981. Mijn Haarlem werd in dat voorjaar kampioen van de Eerste Divisie, en de optelsom van euforie en voetbaltrots die ik toen voelde, en die nog wekenlang in mijn bloed bleef voortrazen, is nauwelijks weer te geven in woorden. Nouja, ik kan het misschien het beste nog zo zeggen: ik was werkelijk en compleet zielsgelukkig. We waren kampioen!!!
Ik denk dat een dergelijke extase vooral is weggelegd voor fans van clubs die zelden of nooit wat winnen. De intense vreugde van dat ene kampioenschap, of die enkele KNVB-beker die je wint. Dat je het daar dertig jaar later nog niet over kunt hebben zonder helemaal te gaan stralen en natte oogjes te krijgen. Dat je de basiself van dat kampioensteam zelfs op je 85e, kreupel, dement en lekkend als een mandje, nog altijd foutloos opdreunt ten overstaan van een verbaasde zuster, die rapporteert: "Meneer Rißmann had vandaag veel praats over voetbal en begon allemaal namen van vroeger op te sommen. Meestal slaat meneer hoofdzakelijk wartaal uit, maar dit leek toch duidelijk een helder moment."
Voor supporters van zogenoemde topclubs is het leven een stuk moeilijker en vlakker dan voor ons, de aanhangers van de kleintjes. Ik bedoel, welke liefhebber van Ajax gaat op dit moment nou helemaal uit zijn plaat van de derde landstitel op rij, en alweer de 32e in totaal? Bevriend Ajacied annex Behave-collega Michiel sms´te mij hier heel treffend het volgende over: "Ik moet wel zeggen dat het nu na 3x wel gewoontjes wordt. Ik denk dat richting de 4e ster er weer wat spanning ontstaat..."
Ben je volger van pakweg Ajax, PSV, Bayern München, Manchester United of Real Madrid, dan is het landskampioenschap een regelrechte must. Lukt het, dan is dat leuk en ben je wel een beetje blij, maar gaat dat mis: o jee, dan is gelijk het hele seizoen bedorven en is het leven somber en zwaar.
In diezelfde sfeer, waarin alles alleen maar draait om de zoveelste schaal, wordt in Nederland door fans van Ajax en PSV nogal neergekeken op de beker - of slabak, of dennenappel, zoals er ook wel met enige dedain over deze schone cup wordt gesproken. "Een troostprijs", heet het dan, of "Nouja, het is tóch een prijs.". Mark van Bommel zou de beker, zo gaf hij in de aanloop naar de finale aan, graag "op zijn lijstje bijschrijven", en gaf daarmee heel subtiel aan dat van echte hunkering geen sprake was. De beker is slechts een prijsje voor een titelverzamelaar - geen mijlpaal in de historie.
Juist daarom is het zo prachtig en geweldig dat ik getuige mocht zijn van de victorie van AZ, dat het aangeslagen PSV (geen kampioen geworden en daardoor zichtbaar ontdaan van iedere motivatie) in de Kuip op pure wilskracht de beker afsnoepte. AZ heeft in het verleden natuurlijk wel eens vaker wat gewonnen (zoals die onvergetelijke eerste landstitel in ´81, tegelijk kampioen met mijn Haarlem dus), maar toch zelden genoeg om in het AZ-blok in het stadion voor totale extase te zorgen. De spelers waren net als de fans door het dolle heen - intense vreugde, omdat die vreugde zo zeldzaam voor ze is.
Ik betrapte mij er op dat ik in de laatste 20 minuten misselijk van de spanning werd, en niet meer op de stadionklok durfde te kijken - bang dat dit ongeluk zou brengen.
Deze verrukkelijke stress, met daarna de ontlading en endorfine die na het laatste fluitsignaal volgde, gun ik iedere supporter van alle ´kleine´ clubs in Nederland.
Al is het maar eens in je leven.
******
AZ - PSV, 9 mei 2013: 2-1 (2-1), finale KNVB-beker. Toeschouwers: 50.000.
******
(Foto´s: op het kille en tochtige Rotterdam CS heb ik voor het eerst met mijn mobieltje mezelf gefotografeerd. Dat deed ik in alle ernst, met dit resultaat: een kruising tussen een coole hiphopper en een opgefokte hooligan, in kunstzinnig graffiti-perspectief. En dat allemaal geheel per ongeluk..! Dee andere foto schoot ik een dag na de bekerfinale op de snelweg in Duitsland: ook de vrachtwagens jubelden daar mee voor AZ! - foto´s van Rißmann)
Labels:
AZ,
Behave,
bekerfinale,
Haarlem,
HFC Haarlem,
Kuip,
Mark van Bommel,
Michiel Cremers,
PSV,
Rißmann
donderdag 28 februari 2013
Handtekening van Rob Boersma
Rob Boersma /
Komt na de training /
Bemodderd en doorweekt /
Langs het hek /
Waar ik bedremmeld sta /
Rob Boersma /
Staart naar het schriftje /
Doorlopen en gekreukt /
In mijn knuistjes /
Ze trillen van ontzag /
Rob Boersma´s ogen branden /
Maar ik voel slechts de kou /
Rob Boersma /
Zegt niets terug en beent /
Gedecideerd en vlot /
Warme douches tegemoet /
In gure wind en hagel /
Lossen zilte tranen op /
Alleen gelaten zonder /
Zijn handtekening - /
Rob Boersma
******
(dit is een voorpublicatie - dit gedicht verschijnt komende voorjaar in nummer 5 van De Roodbroek)
******
(met dank aan Jan-Jaap van den Berg voor het beschikbaar stellen van de foto)
Labels:
De Roodbroek,
Haarlem,
HFC Haarlem,
Rob Boersma
zondag 9 december 2012
Drie legendes
Op 23 november stond Abe van den Ban in het middelpunt van de belangstelling in het Haarlem-stadion (zie ook een eerder blog van mij), maar Abe was bepaalde niet de enige voetbalprominent die in het wild te zien was die dag.
Voor mijn cameraatje zag ik een mooi onderonsje gaande tussen drie voormalige topspitsen, die alledrie een verleden hebben bij mijn cluppie Haarlem.
Ik overwon mijn schroom en vroeg, van links naar rechts, Johnny Rep, Joop Böckling en Piet Keur om even naar het vogeltje te kijken.
Mooi om te zien hoe verschillend ze zijn in hun uitstraling: de wat gekweld ogende Rep naast de ijdele good-looking Böckling, met naast hem weer de laconieke Keur.
"Drie Haarlem-legendes op een rij! Dank jullie wel, mannen!"
De heren voetbalgoden grijnsden woordloos terug.
Achter mij snoof mijn trouwe Haarlem-maat JJ verontwaadigd. Hij was het er totaal niet mee eens dat ik de heer Rep tot de Haarlem-legendes waagde te rekenen.
"Poe. Vijf wedstrijdjes voor Haarlem. Stelt niks voor!"
Demonstratief kiekte JJ het duo Böckling-Keur, daarbij de tweevoudig WK-finalist Rep volstrekt negerend.
Ja, jeetje... ergens heeft JJ wel gelijk.
Na Böckling en Keur komt er natuurlijk een hele tijd niets voor de ware Haarlem-fan. Of, als we het even puur bij spitsen houden, het moet good old Piet van den Berg zijn.
Maar ik ben er toch stiekem best trots op, dat de Man Met Het Gouden Pikkie het korenblauwe shirt van Haarlem ooit gedragen heeft!
(foto: Rißmann)
Labels:
Abe van den Ban,
Haarlem,
HFC Haarlem,
Johnny Rep,
Joop Böckling,
Piet Keur
In den ban van Abe
Slechts enkele weken nadat we met een heleboel Haarlem-suppoters, bloggers, journalisten en andere voetbalromantici de levende snor-legende Abe van den Ban in het zonnetje hebben gezet in het vervallen Haarlem-stadion, kan ik nog altijd maar nauwelijks bevatten dat ik Hem weer terug heb gezien, en dan ook nog wel In Het Echt... Abe van den Ban!
Ik spreek van geluk dat ik Abe als jeugdige fan van de roodbroeken nog twee seizoenen heb zien schitteren op het middenveld van mijn Haarlemse favorieten. Voor dat schitteren moest je overigens wel oog hebben: Abe was geen man van spectaculaire pegels of omhalen, en ook al geen schopper of theatermaker. Veel meer was hij de strateeg die het middenrif met stille kracht controleerde, strooide met ragfijne steekballetjes, er op los stofzuigde alsof er niet al een Willy van de Kerkhof bestond, en continue in beweging leek te zijn.
Ik smaakte zelfs het bijzondere genoegen, een doelpunt van de zelden scorende Abe live mee te mogen maken:in de thuiswedstrijd tegen Helmond Sport op 3 september 1980. Het werd die dag uiteindelijk 3-1 voor mijn helden, en naast Abe troffen ook Ruud Gullit en Jopie Böckling doel.
Ik herinner mij de goal van Abe als zodanig eerlijk gezegd niet meer - wel zie ik nog scherp voor me hoe hij als een magneet een kluit jubelende teamgenoten naar zich toe leek te zuigen. Volgens mij was de hele ploeg hartstikke blij dat de ultieme teamspeler Abe er eindelijk zelf ook weer eens eentje had mogen maken!
Ruim dertig jaar later lijkt Abe van den Ban zowel gevleid alsook verbaasd over zoveel aandacht en verering voor zijn persoontje. Herhaaldelijk wordt verwezen naar zijn legendarische snor, die hem inderdaad een ongekende beroemheid heeft bezorgd in de voetbalwereld, tot zelfs heel ver over onze grenzen.
Ook ik viel als voetbalplaatjes sparend jochie als een blok voor zijn betoverende looks, maar zeker ook vereerde ik Abe van den Ban voor zijn lepe spel en zijn grote opofferingsgezindheid.
De eer van een hele middag rondom Abe kwam hem volledig toe, en ik genoot van het plezier dat hij er in had.
Ik was te bleu om Abe om een handtekening te durven vragen, maar wat geheel onverwacht wél lukte, was een klein eerbetoon brengen aan de maestro, toen de eerste vraag werd gesteld in een quiz over de carrière van Abe.
De quizmasters daagden de eivolle kantine van Haarlem uit, zoveel mogelijk spelers op te noemen, waarmee Abe in zijn profloopbaan samen had gespeeld.
Geroezemoes alom, maar niemand riep een getal. Dan ik maar, dacht ik, en in een flits woog ik de keuze tussen twintig of dertig brullen. Allebei geen probleem voor me, twintig of dertig oud-ploeggenoten van Abe, maar ik besloot bescheiden eerst tot: "Twintig!"
Het geroezemoes sloeg om in een soort "Oooeeehhh...", dat kan opstijgen als iemand in een geanimeerd gezelschap wat gewaagds roept. Gewaagd dus, was het blijkbaar volgens deze kantine vol voetbalbollebozen - niemand durfde een tegenbod uit te brengen.
" Nou, kom maar naar voren meneer", gebaarde de geamuseerde quizmaster, en zo stond ik daar ineens pardoes vooraan, vlakbij Abe Himself, die ging beoordelen of ik twintig juiste oude voetbalmaten van hem op ging sommen.
Tot merkbare verbazing van Abe lepelde ik de ene na de andere juiste naam op uit zijn jaren bij FC Amsterdam en Haarlem, toebehorend aan veelal vergeten idolen als Theo Cornwall, Frits Flinkevleugel, Eef Melgers en Paul de Jong.
Lekker langzaam als Zwarte Kip drupten de namen uit mijn stalen voetbalgeheugen, en onder luide jubel bereikte ik de beloofde twintig.
Ik glunderde, blij dat ik Abe had kunnen tonen hoe goed ik opgelet had tijdens zijn fraaie loopbaan. Maar ook omdat nu eindelijk eens bewezen was, dat al die nutteloze voetbalkennis in mij bij nader inzien tóch heel nuttig wezen kon!
(met dank aan Jan-Jaap van den Berg voor het checken van de juiste data van Haarlem - Helmond Sport)
Abonneren op:
Posts (Atom)


