Posts tonen met het label Donald Duck. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Donald Duck. Alle posts tonen
woensdag 19 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 20 van 60)
Het ging niet goed met ma op de PAAZ van het Elisabeth. Het werd maandag en het werd dinsdag, maar minder gek werd mijn moeder niet. Dinsdagavond was ik voor het eerst meegeweest om haar te bezoeken. De hele autorit lang, op weg naar het ziekenhuis, hadden mijn stiefvader en ik zwijgend naast elkaar gezeten.
Zwijgen deed mijn moeder ook, dat wil zeggen tegen mij zei ze niets. Ook ome Klaas kreeg er niet veel uit. 'Ik weet 't niet Klaas, ik weet 't niet...' stamelde ze af en toe. Slaakte een diepe zucht. Zei 'Ga maar weg. Laat mij maar doodgaan.'
Mijn moeder wilde doodgaan? Klamme angst kroop in mijn hart. Diep van binnen voelde ik paniek in mij opkomen.
Zwijgend waren we ook weer naar huis gereden. In mijn hoofd spookten mij moeder en de rest van de PAAZ-bewoners nog na. De helft zat er als een zombie bij, de andere helft zat raar in zichzelf te murmelen of als een pendule heen en weer te schudden op een stoel. Je kon precies zien wie hier op bezoek was en wie niet. Het leek trouwens wel of al die gekken non-stop rookten. De hele PAAZ-afdeling stond strak blauw en de lucht bewoog maar heel traag.
Nog steeds zwijgend bereikten we de Van Lennepweg. De irritatie links van mij was voelbaar en werd steeds groter. De Galant draaide de parkeerplaats van de Stichting op, krulde om het gebouw heen naar het afdakje aan de achterkant, naast de schuur. Achter de grote gestalte van mijn norse stiefvader aan stapte ik mee de trappen op. In de woonkamer aangeland gooide hij zijn sleutels op tafel, ging zitten en gebaarde mij hetzelfde te doen. Hij keek me dringend aan.
'Kijk, Nelis. Laten we maar eerlijk zijn. Ik moet jou niet en jij hebt de schurft aan mij. Maar nu is je moeder ziek en moeten we 't samen rooien. Okee?'
Het was een korte, felle toespraak. Hij had zijn hand naar me uitgestoken over de tafel. Ik kon niet anders bedenken dan dat-ie gelijk had. Ma doorgedraaid en opgeborgen. Daar zaten we dan. We moesten nu een team vormen. Voor mamma.
Ik schudde hem de hand.
Hij kwam direct ter zake. 'Om te beginnen moet je me helpen met de kantoren schoonmaken op donderdag en vrijdag. En met de andere klussen natuurlijk. Voor het eten zal ik zorgen maar dan moet jij de boodschappen doen.' Hij sprak snel en weloverwogen. Hij bedacht het niet ter plekke, hij had het eerder al bedacht. Het klonk heel redelijk. Het was een goed plan. We moesten samen sterk zijn voor onze moeder en vrouw.
Donderdagavond hielp ik voor 't eerst met schoonmaken. In de vroeg avond waren we snel nog even langs de PAAZ gereden, daarna ging het terug naar de Stichting. We pakten stofzuigers en emmers, en gingen aan de slag op de eerste étage. Ik werd overspoeld met instructies. Ome Klaas had vroeger een eigen schoonmaakbedrijf gehad en was dus heel kundig op dit terrein. Niet om dingen heen poetsen, naar ze optillen en ook daaronder poetsen. Spullen altijd een beetje verschuiven, zodat de mensen van kantoor goed konden zien dat de schoonmaak bezig was geweest. Kwistig sprayen met de vanille-spuitbus.
Ik had er wel schik in. Vond tussen dooie vliegen hier en daar een dubbeltje of kwartje op de grond in het tapijt. Dat ging dan mooi in mijn achterzak. Van die lullige vijf gulden zakgeld die ik per week kreeg, kon ik het immers onmogelijk rondbreien. Een jongenskaartje bij Haarlem kosste al drie gulden en dan kwam het programmaboekje er ook nog bij. Plus de kosten die ik had voor voetbalplaatjes. Die vijf gulden kon ik wel tien keer uitgeven.
Fluitend liet ik mijn stofzuiger over de vloerbedekking scheren. Ik hoorde paperclips met luid getik door de stofsluigerslang naar binnen getrokken worden. Ik was in mijn nopjes. Dit was belangrijk. Mijn moeder kon nu niet werken, dus deed ik het voor haar. En mijn stiefvader bofte toch maar met zo'n ijverige jongen als ik. Zelfs toiletten boenen vond ik sport. Ik ronkte van genoegen.
Ome Klaas merkte hier allemaal niets van. Zonder iets te zeggen, met strakke kaken en getuite lippen werkte hij zijn wekelijkse donderdagavondritueel af. Pas toen we klaar waren voor die avond, tegen elven, we de schoonmaakspullen opgeborgen hadden en boven op de bank neerploften, kon ik zien hoe uitgeput mijn stiefvader was.
*
Na twee weken PAAZ was het nog steeds niks met mijn moeder. We waren elke avond samen op bezoek geweest, behalve maandag en woensdag als ik ging trainen. Daar kreeg ik gelukkig vrijaf voor van ome Klaas. Hij ging dan alleen.
Mamma was nog steeds maf, suf, teneergeslagen en nergens in geïnteresseerd. Ze wilde alleen maar slapen, reageerde geërgerd op onze vragen en begon zo langzaamaan ook een beetje te ruiken. Ze wilde zich niet douchen. 'We hebben van alles geprobeerd, maar uw vrouw wil het pertinent niet. Tja en dwingen... dat kunnen we niet.'
Ik begon het vies te vinden om mijn moeder een zoen te geven. Ik deed het vlug en ik zorgde ervoor dat ik daarbij niet door mijn neus ademhaalde.
Ome Klaas liet zich niet ontmoedigen door de desinteresse van zijn echtgenote. Hij bleef haar liefjes toespreken, aaide haar hand en nam elke dag wat lekkers voor haar mee. Mentos, Appelsientje, chocolade. Of bloemen. Het begon op te vallen bij het ziekenhuispersoneel. 'Nou meneer, u verwent uw vrouw wel zeg. Je kunt wel zien dat u veel van uw vrouw houdt.' Dan knikte ome Klaas bescheiden, met een zwak grijnsje. Maar in zijn ogen zag ik dat hij ervan genoot dat de mensen in de gaten hadden dat hij zo goed voor zijn vrouw was.
Thuisgekomen was hij weer dezelfde zwijgzame ome Klaas zoals ik die kende. Hij zat daar maar op de bank. In sombere gedachten verzonken. Dronk steeds meer cognac. Soms ging er op een avond bijna een complete halve-literfles van Dujardin doorheen. Ik stelde me voor hoe dat iedere maandag in de Dujardin-fabriek moest gaan. 'Hoe zijn de weekcijfers van de verkoop, Piet?
'Redelijk Henk, redelijk. Kan beter.'
'Da's waar Piet. Maar gelukkig hebben we Akerboom in Aerdenhout.'
'Zo is 't Henk. Op Akerboom kunnen we altijd rekenen. Die houdt de boel hier wel draaiende!'
Waarop de beide directeuren een proost uitbrachten op hun trouwe klant in Kennemerland.
'Ach Nelis...'
Ik schrok op uit mijn Dujardin-fantasie.
Mijn stiefvader´s hoofd hing voorovergebogen. Hij ondersteunde het met zijn handen, de ellebogen op zijn knieën. Tussen de vergeelde vingers van zijn rechterhand klemvast het onafscheidelijke sigaretje. De rook steeg kringelend op. Ik hoorde hem snikken. Eerst een beetje. Grote tranen dropten via wangen en kin op de houten vloer. Het snikken werd luider. Lange halen. Er kwam snot bij. 'Woe-woe-woe-woe-woe...' De remmen gingen los.
Uit de keuken haalde ik papier van de keukenrol. Aarzelend reikte ik hem dat aan. Hij zag 't niet, ging maar door met zijn wolvengehuil. Ik tikte hem op zijn schouder. Hij schrok op, pakte het keukenpapier aan. Zijn verkreukelde gezicht vervulde me met afkeer en medelijden tegelijk. Hij snoot zijn neus en veegde al het vocht van zijn gezicht.
'Dank je... hè-hè...'
Ik was blij dat hij zich nu herpakte. Ik vond het wel genoeg zo. Straks had ik 'm nog uitvoerig moeten troosten, een arm om hem heen slaan of zo. Ik moest er niet aan denken.
'Ze kunnen je moeder daar niet langer houden.' Hij sprak moeilijk, met verstikte stem. In zo'n PAAZ doen ze alleen de eerste opvang. Daarna is 't terug naar huis of naar 't gesticht. O God...'
Het woe-woe-woe begon weer. De sluizen gingen helemaal open. Hij was goed dronken. De fles cognac was leeg. Wat nu te doen? Water? Of toch een andere fles drank neerzetten? Koffie misschien? Ja, dat was 't beste, ik ging koffie voor hem maken.
Hij roerde in zijn kopje, schraapte zijn keel.
'Ze gaat maandag over naar de Bavo in Noordwijk. Daar gaan ze verder kijken wat ze kunnen doen.'
En weer schoot-ie vol. Hij ging er maar bij liggen op de bank. Met een pijnlijk vertrokken grimas en onregelmatig snurkend sliep-ie in. Uit de gang haalde ik een lange winterjas van mijn moeder. Daarmee dekte ik hem een beetje toe. Toen knipte ik het licht in de woonkamer uit en ging ik naar mij kamer om daar in bed nog wat Donald Ducks te lezen.
******
(wordt vervolgd)
******
dinsdag 11 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 12 van 60)
Carola en ik zoenden een paar weken onder haar flat en soms ook bij haar thuis. Haar moeder vond het wel leuk dat haar dochter verkering had met zo'n aardige jongen als ik. Ik was van harte welkom om pannenkoeken te blijven eten. Pannenkoeken en zoenen, mijn geluk was compleet.
Ergens in de loop van die weken was het, dat de juf een langverwachte poging deed om ons seksuele voorlichting te geven. We hadden er reikhalzend naar uitgekeken. We konden niet wachten. Maar nu was het dan zo ver. Eindelijk zouden alles te weten komen van hét. Onze potige, ouwe juf met haar hese bromstem stak aarzelend van wal. 'Seks... ehm, dat is als pappa en mamma zo dicht mogelijk bij elkaar willen zijn...' Met ingehouden adem wachtten we op het vervolg. Achterin de klas werd gegiecheld. Toen was het stil. Er kwam niets meer. Dit was het. Van het zoenen met Caroline had ik veel meer opgestoken.
In de musical die we aan het eind van het jaar opvoerden voor de ouders, was ik de slager. Ik was bedacht met twee zinnen tekst. Verder af en toe over het podium paraderen als passant. Dat was alles. Ik voelde me miskend. Als gelouterd misdienaar kon ik toch veel meer aan dat zo'n klein rotrolletje?
Mijn moeder zat die avond in de zaal, mijn stiefvader was zowaar ook meegekomen. Daar stond ik met mijn schamele twee zinnetjes, mijn witte schort voor en een met wasco onder mijn neus getekende snor.
Het schooljaar zat er nu op, ik was klaar met de Nicolaasschool. Voor mijn part gooiden ze er een bom op.
*
In de zomervakantie mocht ik een week bij Mark logeren. Het was heerlijk om weer in Amersfoort te zijn en een volle week lang met Mark te spelen, te voetballen en tv te kijken. Aansluitend ging ik een week met mijn vader naar Heerlen, logeren bij tante Daan en ome Kees. Ome Kees was al met pensioen, hij had meer dan veertig jaar in de mijnen gewerkt. Hij zat vrijwel de hele dag bij de radio in de keuken met koffie of een pilsje, in zijn bruine broek met roze overhemd en bretels. Voor zich op tafel had-ie de Duitse en Nederlandse totoformulieren en stapels kranten en voetbalbladen. Hij zat de hele week op zijn totovoorspellingen te puzzelen met statistieken, oude uitslagen, lijsten met geblesseerden en ga zo maar door. Je moest de toto niet te lichtzinnig opvatten, vond ome Kees.
Tante Daan en ome Kees hadden twee dochters, Gerdie en Jo. Ze waren allebei van de verkeerde kant. Ze werden wel gekscherend de zusjes Maywood genoemd. Maar die twee beroemde zussen woonden samen, en dat deden Gerdie en Jo niet.
Bijna elke dag nam Gerdie of Jo me wel mee op pad naar iets leuks. Paarden kijken, een dagje naar de stad in Geleen, of een kijkje nemen in het ziekenhuis waar Gerdie werkte. Jo was de lievelingsnicht van mijn vader: grof gebekt en liefhebster van een flinke pint. Dat vond mijn vader wel leuk. Ik vond Gerdie de liefste. Ze vertroeltelde me als een baby. Heerlijk hoe ze me toestopte voor het slapen gaan en me nog even over mijn hoofd of arm streek. Eén keer is Gerdie naast me gaan liggen en ben ik in haar armen in slaap gevallen. Warm en beschut.
Na twee weken onbekommerde zomerpret ging het weer terug. Ik zag ertegenop. Nog vier weken alleen met mijn moeder en stiefvader voordat het nieuwe schooljaar begon. De brugklas van het Haarlemse lyceum Sancta Maria.
Thuis viel het mee. Twee weken vakantie langs de Donau had de tortelduifjes goed gedaan. Mijn stiefvader was lang zo nors niet als normaal, maakte grapjes, deed verliefd naar mijn moeder. Ze hadden een plan gekregen in Oostenrijk: ze gingen trouwen. En ze lieten er geen gras over groeien, nog deze zomer moest het maar gebeuren. Het verbaasde me niet, ik was aan hun hoge tempo van beslissen gewend. Natuurlijk feliciteerde ik ze. Daarna gauw Carlo gebeld, afgesproken, en samen fietsten we naar strandtent van Carlo's vader.
Ook Carlo ging het proberen op Sancta Maria, net als nog twee klasgenootjes, Roger en Loes, de absolute studies en dus randfiguren van de zesde van de Nicolaasschool. De rest verdween naar LTS en huishoudschool, op een enkeling na die het op de MAVO mocht gaan proberen. Ik was blij dat ik in elk geval niet alleen op avontuur hoefde naar die grote school in Haarlem.
Terwijl ik op mijn kamertje bezig was met het kaften van de immense hoeveelheid schoolboeken die ik in de brugklas nodig zou hebben, trof het liefdespaar in de woonkamer de voorbereidingen voor hun huwelijk. Ze hadden het verrassend snel kunnen regelen op het Zandvoortse gemeentehuis. Het zou een sobere plechtigheid worden. Familie was niet welkom, een paar collega's van mijn stiefvader waren de getuigen en meer volk of drukte was niet nodig. Ik kocht twee speelgoedmedailles met een oranje lint voor ze, die zou ik ze opspelden op hun huwelijksdag.
'U hebt mij verzocht om de ceremonie kort te houden, want u weet allebei uit ervaring wel hoe het loopt' glimlachte de ambtenaar van de burgelijke stand. Bruid en bruidegom grijnsden naar elkaar. Zijn tweede huwelijk, haar derde alweer. De juffrouw van de gemeente verklaarde ze nu man en vrouw. Klein applausje van het tiental aanwezigen, daarna op naar de koffie met gebak bij ons in de flat.
Tussen het handjevol gasten in de flat zat een aardige man, die met vriendelijke en zachte stem sprak. Een arts uit Mariënhave, van een afdeling waar mijn stiefvader vaak facilitair in de weer was. De arts was heel anders dan mijn rauwe stiefvader en zijn luidruchtige kameraad Dick, met wie hij alles samen deed in Mariënhave. Hij vroeg naar hoe het op school ging, of ik op sport zat en of ik hobby's had. Ik vertelde dat ik wel eens met een brief in de Donald Duck had gestaan. Nou, dat wilde-ie wel eens zien. Ik sprong op van mijn stoel om die bijzondere Donald Duck met mijn brief aan oom Donald erin uit mijn kamer te gaan halen. Toen ik weer terug de kamer in wilde lopen, hield mijn stiefvader mij tegen. Hij keek me strak aan. 'Niet altijd alle aandacht voor jou opeisen Nelis. Blijf jij maar mooi effe in je kamer.'
******
(wordt vervolgd)
******
zondag 9 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 10 van 60)
De allerrauwste klanten op school waren de kinderen van het kamp. Bij ons in de klas zat Josje. Ze was groot, imposant en had lang vuurrood haar en sproeten. Ze zei bijna niets en deed ook niets. Ze zat haar tijd op de Nicolaasschool uit als een gevangenisstraf. Ze kon urenlang met een bevroren blik vol woede voor zich uitkijken, de armen gekruist. De juf probeerde af en toe om Josje ergens bij te betrekken, haar aan de gang te krijgen. De juf was daarbij zelf ook niet de fijngevoeligste, met haar schuurpapieren mannenstem deelde ze doorlopend beledigingen links en rechts uit. Op een regenachtige ochtend trok ze fel van leer tegen 'die vervelende zigeuners' van het kamp. Josje blafte 'kutwijf' terug. De rapen waren gaar. Josje stoof naar huis, haar vader kwam direct verhaal halen. Onze onverschrokken juf, van wie verhalen gingen dat ze menig lastig vader bij kop en kont de school uit had gesmeten, kreeg nu een pistool onder haar neus gedrukt. Het gebeurde allemaal op de gang. De bangerds van onze klas bleven stokstijf in hun bankje zitten, de dapperen renden naar de ramen aan de gangkant en drukten hun neus er zo dicht mogelijk tegenaan. Josje´s vader stond dreigend dicht bij de juf, een beetje voorovergebogen. Hij keek wat lodderig uit zijn ogen, onder zijn zwarte snor hing zijn mond open. Hij ademde zwaar, zei iets. Het pistool in zijn rechter hand was op de buik van de juf gericht, bewoog een beetje heen en weer in de zwevende hand van Josje´s vader. Juf had de armen halfweg geheven, nog onder haar schouders, praatte op de man in. Het leek uren te duren. Toen stopte Josje´s vader het pistool ineens tussen zijn broekriem, zwaaide vermanend met zijn wijsvinger, siste nog iets en draaide zich om. Traag en verdwaasd stapte juf de klas weer binnen. 'Even zitten hoor... we gaan zo weer verder.'
*
Eindelijk mocht ik weer naar mijn vader. Ik had hem een paar maanden niet gezien, alleen af en en toe gebeld. Mijn kon-ie niet bellen, we hadden een geheim nummer en dat mocht pa natuurlijk niet hebben. In de postbus kwamen elke week wel drie brieven of kaarten van hem voor mij. Ook een kaart met een afbeelding van een NS-trein van het type hondekop. Dat woord had mijn vader onderstreept. 'Voor pappa's hondekoppie' had-ie erbij geschreven. Dat was mijn koosnaampje, ik was zijn hondekoppie.
Ik ging op zaterdagmiddag naar hem toe en zondag weer terug. Met de auto brachten mijn moeder en stiefvader me naar station Haarlem. Mijn moeder kocht een weekendretourtje voor me. 'In Amsterdam moet je overstappen op de trein naar Amersfoort. Vraag maar aan een aardige conducteur waar die trein vertrekt.' Ik slikte. Als dat maar goed ging.
Op het perron zwaaide mijn moeder me na. Mijn stiefvader stond er roerloos naast, met uitgestreken smoel. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ging deze trein wel echt naar Amsterdam? Ik vroeg het een oudere mevrouw. Ja hoor, ik zat goed. Ook de conducteur, die de kaartjes kwam controleren, stelde me gerust. 'Op Amsterdam Centraal moet je naar spoor 10, daar komt jouw trein naar Amersfoort. Eerst komt zometeen nog Amsterdam Sloterdijk, en dan komt Centraal. Okee knul?' Ik knikte. Pakte snel een balpen uit mijn voetbaltas en schreef een grote 10 op mijn linker hand. Dan kon ik het niet vergeten. Dan moest het toch goed gaan. Toen we op Amsterdam Sloterdijk stopten, keek ik uit het raam op het vertrekbord dat boven het perron hing, Ja, het stond er op, deze trein ging Amsterdam Centraal. Maar wat nu als ze een fout hadden gemaakt? Als dit een verkeerd vertrekbord was?
In het gekrioel op Amsterdam Centraal raakte ik volledig in paniek. Waar was perron 10? Moest ik rennen om de trein te halen? Ik klampte een meneer in het blauw aan. Hij wees naar de borden die overal hingen, perron 10 was díe kant op. Ik wurmde me hijgend van spanning tussen de reizigersstroom door, vond spoor 10. De trein stond er. Maar was het de goede? Het vertrekbord zei van wel: hij ging langs heel veel verschillende stations, wel een stuk of tien, voordat Amersfoort aan de beurt kwam. Amersfoort stond vet gedrukt. Maar ja, wat nou als ze een fout hadden gemaakt? Dat we zomaar naar Maastricht of Den Bosch zouden rijden in plaats van Amersfoort? Ik schoot maar weer iemand in uniform aan. Het viel allemaal niet mee, dat reizen. Ook onderweg van Amsterdam naar Amersfoort bleef het vreselijk spannend. Bij ieder station, van Amsterdam Muiderpoort tot Baarn, hing ik weer uit het raam om te controleren of de machinist wel de juiste route reed. Pas toen we Baarn achter ons hadden gelaten en ik uit het raam hangend in verte de Lange Jan van Amersfoort op zag doemen, ontspande ik een beetje. Of... was het toch de Domtoren van Utrecht? Of straks bleek het wel de Lange Jan te zijn, maar sloeg de machinist station Amersfoort over...
Op het perron stond mijn vader al klaar in zijn crême-witte regenjas. Hij lachte breed naar me, met natte ogen achter zijn brilleglazen. 'Roentje...' Hij pufte korte pufjes, probeerde zich te beheersen, niet in huilen uit te barsten. Met mijn Amersfoortse Boys-tas in mijn ene hand en in mijn andere een in cadeaupapier gehuld pakje Van Nelle Export met Rizla rood liep ik met mijn vader via de stationshal naar de stadsbussen. Ik keek opgelucht om me heen op het stationsplein, zag de vertrouwde blauwe stadbussen van Nefkens. Ik was weer thuis.
In de bus naar het Soesterkwartier aaide mijn vader mij gedurig over mijn bol. Af en toe zuchtte hij smartelijk en keek me schuins met betraande ogen aan. Veel tekst had-ie niet. Dat lukte nog niet. Ik hoopte dat hij zich een beetje bij elkaar kon houden, vandaag en morgen.
In de Eikstraat was alles als vanouds. Zijn bemodderde Citroen 2CV Charleston stond voor de deur, de tuin was een oerwoud en binnen nog steeds dezelfde Spartaanse inrichting. In de woonkamer een bank, een bijzetafel en een stoel. Schemerlamp naast de bank om de krant te kunnen lezen. Aan de muur een huwelijkportret van een collega en diens bruid. Ze poseerden bij de trouwauto. Boven hun hoofden donkerblauwe lucht en een paar wolken. Verder een stoere foto van mij in vol ornaat op een kleine crossmotor. Een compleet crosspak, een knalgele helm, een stofbril en zwarte handschoenen. Naast de bank nog een klein tafeltje met de telefoon en een wekkerradio. Die stond nog aan. Vanzelfsprekend op een piratenzender. Achter de bank stond ongetwijfeld een fles jenever, buiten zicht. Ik zou een weekend lang net doen of ik dat niet in de gaten had. Af en toe zou mijn vader mij naar de keuken sturen voor iets lekkers of om koffie voor hem te maken. Dan kon-ie snel naar de fles grijpen en fluks een paar slokken nemen. In de keuken wachtte ik geduldig tot ik de dop weer op de fles hoorde schroeven. Dan een kort bonkje: fles tegen poot van de bank of tegen de muur. En vervolgens stapte ik met opgewarmde knakworstjes of een vers bakkie oploskoffie voor pa de woonkamer in alsof ik niks in de smiezen had. Dat ging prima zo.
In pappa's slaapkamer stond ook niet veel. Een tweepersoonsbed met een nachtkastje en een leeslamp, een kledingkast. Op en naast bed een zee van Het Bestes, Donald Ducks en Amersfoortse Couranten. Ik vond het te gek dat mijn vader nog altijd geabonneerd was op de Donald Duck. Zo had ik altijd wat te lezen als we niks meer te kletsen hadden of pa op de bank in slaap was gevallen. In Het Beste stond niet veel van mijn gading, behalve dan de moppen, anecdotes van lezers, en een quiz. In de Amersfoortse Courant keek ik even of er wat over Amersfoortse Boys of SC Amersfoort in stond en ik pakte natuurlijk de strips mee. Een enkele keer vond ik op het nachtkastje van mijn vader een folder van de Jehovah's Getuigen.
Het keukentje was klein en leeg. Een pannetje hier, een paar glazen daar. In de koelkast bier, melk, vleeswaren, een pot augurken, een pakje boter en een pul mosterd. Er was een halfje bruin, eitjes om te bakken. Huishouden van een man alleen.
Dit eerste weekend na de verhuizing gingen we nergens naartoe, hingen een beetje thuis. Uitgeput van alle emoties deed pa zaterdag het ene dutje na het andere. Ik vond het wel best, las Donald Ducks op bed. 's Avonds belde tante Pien, de favoriete zus van mijn vader. 'Adoe Denje!' galmde mijn vader door de lijn. Het was vooral tante Pien die aan het woord was. Mijn vader was al niet meer zo helder op dit uur van de dag, schommelde wat op de bank. Hield tijdens het telefoongesprek af en toe de hoorn een halve meter van zijn hoofd en stak zijn tong uit naar de hoorn. 'Pffffffffllrrt!' Aan de andere kant van de lijn vroeg tante Pien wat er aan de hand was. 'Niks Denje! Zusje! Adoe!' Knipoog naar mij.
Mijn vader lag in bed al luid te snurken toen ik in de woonkamer alle tijdschriften op een stapel legde en het licht uitknipte. Ik poetste stilletjes mijn tanden en kroop muisstil naast mijn vader in bed. Ik voelde me opeens net Wolfje, de zoon van Midas Wolf. Daar moest ik om lachen, ik deed dat zo stilletjes mogelijk om Midas naast me niet wakker te maken.
De volgende dag stond volledig in het teken van Het Afscheid. Vandaag moest ik weer terug naar Zandvoort. Mijn vader begon weer te grienen, was afwisselend boos, lief, verdrietig en gefrustreerd. Hij maakte zich zorgen. Was die vent wel goed voor me? Wat was dat eigenlijk voor kerel, die Akerboom? Sloeg-ie me? Als er nare dingen gebeurden, dan moest ik direct bellen. En dat postbusadres, dat zat hem ook niet lekker. Hij mocht toch wel weten waar zijn zoon woonde?
Ik kon hem overreden niet mee te gaan naar het station. Als-ie me op de bus naar het station zette dan redde ik me verder wel. Het was bijna zo ver, over een half uur ging de bus. Ik mocht zijn shaggies voor de rest van de dag van de dag rollen, hij stopte me een biljet van 25 toe. 'Koop maar een mooi boekie en de rest doe je maar sparen hè.'
Bij de bushalte kwam het moeilijkste. Snikkende, schokschouderende pappa. De bus kwam er aan. 'Nou doeg paps.' Hij vermande zich, wilde niet al te zeer voor joker staan tegenover de buschauffeur. 'Laat je niet kisten Roentje!' De bus trok op. Op zondag zaten er altijd maar weinig mensen in. Ik liep naar achteren, klom op de achterbank en zwaaide naar mijn vader. Hij zwaaide terug, drukte een zakdoek tegen zijn ogen. Toen de bus de hoek om reed, zag ik nog net hoe hij zijn handen in zijn zij zette en zijn hoofd achterover gooide om heel veel lucht binnen te kunnen halen.
******
(wordt vervolgd)
******
zaterdag 8 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 8 van 60)
Ik werd kort voorgesteld door de juf aan de zesde klas van de Nicolaasschool. Daarna moest ik gaan zitten op de enige vrije plek in de klas, naast een een lange blonde meid. Ze heette Louise. Ze had al borsten. Ze leek wel vijftien.
Niemand besteedde aandacht aan me. In de pauzes stond ik maar een beetje voor me uit te koekeloeren, probeerde me onzichtbaar te maken met mijn rug tegen het bruine hout van het schoolgebouw. Het schoolplein was veel kleiner dan bij ons in Amersfoort en je mocht nergens voetballen. Iedereen krioelde door elkaar. Ik vond het maar ruwe kinderen.
Aan het eind van mijn eerste schooldag kregen we huiswerk op. Rekenen, geschiedenis, taal. Ik wist niet wat me overkwam. Gatsie, moest ik nou thuis ook nog aan het werk? Met een stapel boeken en schriften onder mijn arm slenterde ik van de Nicolaasschool naar onze flat in de Lorentzstraat. Het was maar vijf minuten lopen. Het motregende. Mijn spullen werden langzaam nat. Ik had geen tas om ze in te doen. Rotboeken.
Mijn moeder was thuis zingend aan het schrobben, uitpakken en inruimen. Mijn kamertje was kleiner dan in Amersfoort. Ik had spullen weg moeten doen. Ondanks luid protest en gesmeek had ik onder andere een paar jaargangen Donald Duck weg moeten gooien. 1973 en 1974. Ik kon er nog steeds wel om huilen. Ik sloot mijn kamerdeur, zette mijn transistorradiootje aan en ging Mark een brief schrijven.
Ik hoorde mijn stiefvader thuiskomen. 'Zo, Stien.' Kwetterend vloog mijn moeder op hem af. Ze gingen naar de woonkamer, ik hoorde zijn gebrom langzaam zachter worden. Alleen voor het eten zou ik tevoorschijn komen. Verder niet.
De volgende ochtend slofte ik met lood in de schoenen naar school en kreeg direct de schrik van mijn leven: proefwerk geschiedenis! De klas zoemde opgewonden, alle boeken moesten van tafel en de juf deelde blaadjes uit. Ik liep rood aan. Wat was dit nu weer? Proefwerk? Wat was dat nu weer? Moest ik een opstel schrijven?
Juf dicteerde vragen, die we op moesten schrijven. Over de gouden eeuw. Ik had geen idee waarover het ging. Ik staarde naar de vragen. Wie er de baas was, met wie er oorlog was. Wat voor kleding de mensen droegen. Dat wist ik misschien wel. Pofbroeken, schreef ik op als antwoord. Verder wist ik niks. Bij alle andere vragen schreef ik een vraagteken op. De juf haalde de blaadjes weer op. Toen ze mijn blaadje oppakte, keek ze met afgrijzen naar wat ik opgeschreven had, en daarna naar mij. 'Jij bent ook de slimste niet hè. En wat is dat? Pofbroeken? Wie denk je dat je in de maling neemt?'
De volgende dag deelde ze de blaadjes weer uit. Boven de mijne stond een 3 geschreven. 'Voor de moeite dan maar.' Door al mijn vraagtekens stond een rode streep.
Mijn vader zal wel op erg op zijn neus hebben gekeken toen hij 's zaterdags bij Amerfoortse Boys kwam. Het was niks voor Jeroen om zomaar niet op te komen dagen, dat vonden ze bij de club ook, maar niemand wist waar ik uithing. Onze telefoon gaf een afgesloten toon. Ik was in rook opgegaan.
Het duurde twee volle weken voordat mijn moeder eindelijk zei: 'Nou, bel je vader dan maar op. Maar denkt 'r om hè: alleen het postbusnummer geven.'
Ik kreeg een hysterische vader aan de lijn, dan weer huilend, dan weer loeiend van opluchting en ontzetting tegelijk.
'Roentje! Waar zit je dan?'
'We wonen nu in Zandvoort.'
'Wat? Nondeju! Met een andere kerel zeker?'
Ik keek even opzij, naar mijn moeder en stiefvader, die meeluisterden. Ik mocht het zeggen.
'Ja.'
'Hoe heet die zak?'
'Ome Klaas.'
'Is-ie wel goed voor je?'
'Ja hoor.'
'Anders moet je 't pappa zeggen hoor. Godverdegodver nogantoe.'
'Jaja pap, maak je geen zorgen, het gaat goed hoor. Ik kom gauw een weekendje naar je toe. Okee?'
Hij begon weer te huilen, met lange gierende halen. Hij was dronken.
'Pappa...'
Afkappen, gebaarde mijn stiefvader. Hij haalde zijn vinger langs zijn hals. Ik gaf het postbusadres op aan mijn vader. Ons huisadres mocht-ie niet hebben, mijn moeder was bang dat pa misschien met zijn bezopen kop naar Zandvoort zou rijden en amok zou maken. Opnieuw geloei en gevloek aan de andere kant van de lijn. Hij kreeg alleen een postbusadres van zijn zoon. Wat een vernedering. Mijn vader was des duivels.
Ik hing op.
'Wát zegt die klootzak allemaal? Of ik wel goed voor dat jong zorg?' Mijn stiefvader trok met zijn mond, spande zijn armspieren aan, ademde snuivend door zijn neus.
'Klaas, rustig. Laat 'm uitrazen, dat trekt wel bij. Hij wil toch ook zijn jongen blijven zien, hij bindt heus wel in. Ik ben allang blij dat-ie alleen het postbusadres heeft. Stel je voor dat-ie het adres van de flat zou hebben en hiernaartoe zou komen.'
'Moet-ie doen. Dan is-ie voor mij.'
Ik keek naar mijn stiefvader. Boze stiefvader. Ik zag voor me hoe hij en mijn vader zouden vechten. Hij zou mijn vader vast vermoorden. Als pappa dronken was, dan maakte-ie geen schijn van kans tegen deze woesteling uit Lisse. Misschien zou mijn stiefvader mijn vader wel over de reling van onze galerij gooien. Drie hoog naar beneden, dat zou pappa niet overleven. Of zou hij mijn vader met een mes neersteken, net zoals-ie met die Duitse soldaat had gedaan in de Tweede Wereldoorlog? Mijn stiefvader had opgeschept dat-ie als tienerknaap met een paar kameraden (mijn stiefvader had het nooit over vrienden, altijd over kameraden) 'zo'n vuile rotmof' naar een eilandje in de Kaag had gelokt. Daar hadden ze de soldaat met z'n allen aangevallen en een mes in zijn buik gestoken. 'En dan doe je zó...' Hij omklemde het denkbeeldige lemmet met zijn rechter hand, draaide het me een korte, felle slag naar rechts. '... dan draai je in één keer het hele zooitje kapot, darmen en alles. Nou, dan is het wel gebeurd.' Hij keek er voldaan bij. Benadrukte dat-ie zich er niet op voor wilde laten staan dat-ie die mof had omgelegd met z'n kameraden. Ze hadden gewoon hun bijdrage geleverd. Vergeleken bij zijn moeder stelde-ie niks voor. Dáár waren de moffen pas bang van! 'De hele bollenstreek sidderde en beefde voor dat spul uit Moffrica. Maar voor mijn moeder hadden ze het grootste ontzag. Het was ja mevrouw Akerboom, nee mevrouw Akerboom. Toen ze aankwamen om kolen in te vorderen, ging ze er gewoon met de koekenpan op af. Ze wisten niet hoe snel ze het erf af moesten komen, hahaha! Ze krópen voor d'r!' Ik zag het helemaal voor me. Niet alleen mijn stiefvader was een geweldenaar, ook zijn moeder was een supervrouw. Wat een ruige familie moest dat zijn.
******
(wordt vervolgd)
******
Abonneren op:
Posts (Atom)
