Posts tonen met het label SC Amersfoort. Alle posts tonen
Posts tonen met het label SC Amersfoort. Alle posts tonen
maandag 17 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 18 van 60)
Ik had mijn handen vol aan school, Zandvoort'75 en Haarlem. Thuis trok ik me terug in mijn kamer. Draaide plaatjes. Luisterde radio. Hilversum 3 of Langs de Lijn. Las de VI en speelde met smurfen voetbalwedstrijdjes. Vijf tegen vijf. Een klein kleien balletje had ik speciaal voor mijn smurfen op school bij handenarbeid gebakken. Het balletje had ik wit geverfd en daarna voorzien van zwarte stippen. De bal was niet helemaal egaal rond maar rolde toch prima. Doelen had ik gemaakt van opgestapelde gummen en lege doosjes van vulpenvullingen als doelpalen, met een potlood er overheen als lat. Zakdoeken deden dienst als netten. De bedoeling van het spel was, dat de smurfen de bal naar hun medespelers overschoten. Als de bal uitgerold was, was-ie voor de dichtstbijzijnde smurf. Die mocht de bal vanaf de plek waar de bal lag dan weer schieten naar een ploeggenoot. Dat vergde heel veel gevoel en precisie. Was de bal na tal van combinaties aangekomen in de speciale schietzone, dicht bij het vijandelijke doel, dan mocht de smurf aan de bal een schot op doel wagen. Daar ging het natuurlijk allemaal om. Ik speelde in mijn eentje, en bediende dus zowel mijn eigen ploeg Haarlem alsook die van de opponent. Kwam mijn eigen Jopie Böckling in doelrijpe posite te staan, dan volgde een daverend schot waar het hele doel van instortte, liefst met keeper en al. Dat alles begeleidde ik met opgewonden verslaggeving. 'En jaaaaaa hoooooor, Jo-pie Böck-ling doet ' t weerrrrrrrr! 3-0 voor Haarlem dames en heren, Ajax krijgt voetballes aan de Jan Gijzenkade!' Aan de overzijde had Haarlem-keepersmurf Edward Metgod het stukken rustiger. Spitsen van de tegenstander waren vaak al zó door zijn aanblik geïmponeerd, dat ze de bal van angst naast schoven, of niet verder kwamen dan een slap rollertje, waar Edward Metgod niet eens voor hoefde te duiken. Meestal hield-ie zijn doel schoon. Alleen voor een enkele sympathieke tegenstander, zoals SC Amersfoort, FC Utrecht of Wageningen, kon er wel een eretreffertje van af. En uiteraard werd het doel van Edward Metgod nooit aan puin geschoten.
*
Mijn stiefvader mocht dan tegen mij niet zo aardig zijn na ons uitstapje naar het Blijf van mijn lijf-huis, tegen mijn moeder was-ie poeslief. Elke dag als-ie uit zijn werk thuiskwam, begroette hij mijn moeder alsof ze zonet ongedeerd van een reis naar de Noordpool was teruggekeerd. Een luidkeels 'Ha meissie!' en dan veel smakkerdesmak. Hij vroeg aansluitend omstandig hoe haar dag was geweest en de dozen bonbons en fleurige boeketten waren niet van de lucht. Hij was kennelijk erg geschrokken van de vluchtpartij.
Mijn moeder was eveneens nog steeds van slag. Ze was vaak heel ergens anders met haar gedachten als ik iets tegen haar zei of als ome Klaas haar op de bank over haar rug streelde. Ze zag bleek als een vaatdoek, rilde af en toe. Als ik uit school kwam, en ome Klaas was nog niet thuis, dan lag ze meestal op de bank. Als ze niet sliep, dan lag ze diep te zuchten terwijl ze rusteloos haar voorhoofd wreef.
'Mamma..?'
'Laat mamma maar...'
'Wil je thee? Ma? Zal ik thee maken?'
'Nee...'
Ze stond moeizaam op, met trillende armen, waggelde naar een raam en keek met holle blik naar de boomtoppen en de donkerblauwe lucht. 'Ik word gek hier.'
*
Het was zaterdag. Mijn moeder werd inderdaad gek. 's Morgens tegen tienen, toen ik mijn spullen in mijn voetbaltas pakte, hoorde ik hoorde haar hard rondstappen over onze étage. 'Oooooooooowwww...' kreunde ze daarbij voor zich uit. Mijn stiefvader was er niet, die was even naar de winkels bij het station om zijn krant, shag en drie tompoucen te halen. Dat deed-ie sinds het Blijf van mijn lijf-incedent iedere zaterdag, drie gebakjes halen.
Juist als mijn stiefvader er even niet was, gedroeg mijn moeder zich de afgelopen tijd steeds een tikkie vreemder. En nu banjerde ze vingerkauwend en klaaglijk jammerend door onze woning alsof ieder moment de hemel op onze kop kon vallen. Haar water kookte over, ze gaf stoom af. 'Ik wor gek jochie, ik wor gék!' Haar ge-was-en-watergolfde haren zaten plat en door de war, haar bloeddoorlopen ogen waren wijd opengesperd en met haar ondergebit beet ze in haar bovenlip, zoals Gene Simmons op de hoes van Dynasty. Ze hipte van haar linkerbeen op haar rechter. Ik voelde paniek opkomen. Mijn moeder werd gek. Wat moest ik nu doen?
Ik hoorde de deur. Een zucht van verlichting. Nog nooit eerder was ik zó blij geweest mijn stiefvader thuis te horen komen. Ook hij zag direct dat het mis was. In een laatste poging om tegenover haar man zo normaal mogelijk te doen, stapte ze op hem af om het een zoen te geven. Daarbij duwde ze met haar tong om en om haar boven- en ondergebit uit. Ze schudde van boven tot onder, terwijl ze met een kinderlijk stemmetje 'Ha, Klaas' piepte.
Terwijl mijn stiefvader mijn moeder stevig aan haar bovenarmen vastpakte en zacht brommend op haar inpraatte, sloop ik terug naar mijn kamer om mijn voetbaltas verder in pakken. No chance. 'Nelis! Bel jij die klote-voetbal maar lekker af. Je blijft mooi hier.'
Met tranen in mijn ogen belde ik meneer Peitsman op. 'Ik kan vandaag niet komen spelen... mijn moeder is ziek en daar moet ik bij blijven...'
'Wat rot voor je, jochie. Nou... geeft niks, we zijn vandaag met z'n veertienen, dus geen man over boord. Beterschap voor je moeder en ik zie je dan volgende week weer, goed?'
'Wel winnen hè...'
'Doen we!
Ik legde neer. Achter me draaide mijn moeder cirkels om de bijzettafel. 'Ooooooooooooooowwwww...' kermde ze zachtjes, daarna ging het van 'Aaaaaaaa....waaaaah!' Gelukkig hadden we geen directe buren in Aerdenhout. haar volume werd steeds hoger, in Amersfoort of Zandvoort had ze beslist de halve galerij of straat bij mekaar gebruld.
'Hier die telefoon. Let jij op je moeder.'
******
(wordt vervolgd)
******
maandag 10 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 11 van 60)
Tussen mij en mijn stiefvader nam de spanning toe. Ik hoorde hem, met mijn oor tegen mijn kamerdeur, bij mijn moeder over me klagen. 'Dat stiekeme jong regelt alles met jou. Ik word overal buiten gehouden.' Sussende woorden van mijn moeder. 'En hij krijgt ook nog altijd het grootste stuk vlees.' Dat was mij nog niet opgevallen. Maar het deed me plezier dat te horen. Net goed!
Mijn moeder praatte op de volgende dag op me in toen ik uit school terug kwam. 'Ome Klaas vindt je zo stug en afstandelijk. En hij bedoelt het zo goed met je. Kun je niet wat aardiger voor hem zijn? Gewoon af en toe vragen hoe het op z'n werk was en zo. Okee?' Ik beloofde het.
Bij Zandvoort '75 voelde ik me nu helemaal op mijn gemak. Ik genoot van de trainingen van ome Gijs. Geen domme rondjes lopen en opdrukken zoals bij Amerfoortste Boys, maar alles met de bal, alles op techniek. Met links en met rechts liet-ie ons werken, niet alleen je goeie been. Gonzend van voetbalhonger oefende ik mijn zwakkere linkerbeen ook thuis voor de flat tegen een schuurdeur eindeloos met een tennisballetje. Afgewisseld met hooghouden, links, rechts, links, rechts. Na het eten oefende ik op mijn kamer met een stuiterbal mijn reflexen. Op mijn kont zat ik voor mijn opklapbed, het doel. Via de grond gooide ik de stuiterbal tegen de muur en de terugspringende kleine bal ving ik of tikte ik met handen of voeten weg. In de C1 was ik vaste waarde geworden. Ik vrat de spitsen van de tegenstanders op met huid en haar. Zelden kwam er eentje aan scoren toe. We draaiden goed, we waren sterk. Ik was fier. We zouden dat seizoen tweede worden.
Voetbal op tv zat er meestal niet in. Daar hield mijn stiefvader niet van. 'Tweeëntwintig gekken die achter een bal aanrennen. Er als er eentje de bal eindelijk de bal heeft dan geeft-ie 'm weer een rotschop en dan rennen ze er weer alle tweeëntwintig achteraan.' Ik zat sowieso niet graag in de woonkamer als hij er was. Dus redde ik me met Langs de Lijn op mijn transistorradiootje.
Ik had geluk toen Pim na lang aarzelen een keer een weekend naar Zandvoort kwam. Het was een van de zeldzame keren dat we überhaupt bezoek kregen. Ik was erg blij mijn broer eindelijk weer 's te zien. Hij woonde intussen niet meer bij zijn hospita op kamers. Dat had-ie na een paar maanden wel bekeken, dat rare mens. Ze was begin veertig, alleenstaand en ze had het op mijn broer voorzien. Ze banjerde in een doorschijnende jurk door het huis, stapte met blote borsten zogenaamd per ongeluk niet de badkamer, maar zijn kamer in. Hij kreeg 't er Spaans benauwd van. Gelukkig kon-ie een flatje krijgen in Schothorst. Op de muur in zijn woonkamer schilderde hij met hulp van Joop een hele grote, half openstaande rits. Die rits was symbolisch, legde-ie uit, iets met geslotenheid en eenzaamheid. Ik was trots op mijn kunstzinnige broer.
Het weekend liep stroef. Mijn stiefvader had het hoogste woord, mijn moeder lachte maar wat mee en Pim knikte, hmm-de en zweeg verder. Hij was blij toen ik hem voorstelde om samen monopoly te spelen. 'Zo. Ben ik mooi effe van al dat oeverloze gelul van die vent af.'
'Ik weet nog wel wat leuks, voor morgen.'
'Wat dan?'
'Zullen we naar Haarlem-Feyenoord gaan? Dat is niet ver van hier en ze spelen morgen.'
Pim dacht even na. Dat gedrang in zo'n stadion trok hem niet zo. Maar het brak de dag wel mooi, de hele dag hier met die ouwelui zitten was ook niet alles.
'Okee dan jochie, dat doen we.'
Ik kon bijna niet slapen van opwinding. Ik was al met mijn vader al vaak naar SC Amersfoort geweest, een keertje naar FC Utrecht en zelfs een keer naar Roda JC, toen we logeerden bij tante Daan en ome Kees. Nu gingen we dus naar Haarlem, ik was heel benieuwd hoe het daar zou zijn.
Met Pim`s Honda Civic reden we naar Haarlem, zochten en vonden het stadion en konden er tot onze verbazing dichtbij parkeren. We waren keurig op tijd, hoefden niet lang voor onze kaartjes in de rij te staan. We gingen op de westtibune tegen het hek aan staan. We stonden met onze neus vlakbij het doel waar Haarlem-keeper Rob Boersma werd ingeschoten.
Het was een zonnige dag. De stadionvlaggen wapperden, hoog boven het veld cirkelden tientallen meeuwen. De tribunes stroomden vol en de wedstrijd begon. Haarlem had geen schijn van kans tegen Feyenoord. Alleen de Haarlem-spelers Wim Balm en Ruud Gullit konden aardig opboksen tegen de gasten uit Rotterdam. Grootste attractie op het veld was Haarlems middenvelder Abe van den Ban, die in het echt net zo'n fraaie grote siersnor droeg als op de voetbalplaatjes. Het eindigde in 0-2 voor Feyenoord, maar het had nog wel erger af kunnen lopen. Het publiek druppelde murmelend het stadion uit. Er viel geen onvertogen woord. De mensen hadden zelfs voor de spelers geklapt na afloop. Dat was toch wel anders dan bij SC Amersfoort. Dan begonnen ze bij de 0-1 al massaal boe en geld terug te roepen. Hier in Haarlem was het anders. Beschaafd en ontspannen. Het beviel me wel.
Willem bleef nog bij ons eten en smeerde 'm daarna. Ik was weer alleen met die twee.
*
Het schooljaar liep langzaam op z'n einde. Mijn moeder en ik werden bij de juf ontboden voor een schooladvies. 'Nou' zei de juf, en daarbij keek ze me vorsend aan, 'eigenlijk zou ik LTS willen zeggen, maar al te handig is-ie ook al niet. Dan wordt wordt 't MAVO. Maar dan zal-ie héél hard moeten werken.' Mijn moeder zette grote ogen op. 'In Amersfoort zeiden ze altijd dat Jeroen zeker naar de HAVO of het Atheneum kan.'
'Doe wat u niet laten kunt' glimlachte de juf en ze haalde haar schouders op.
In de klas was ik een beetje bevriend geraakt met een paar meisjes. Christie, Paula en Carola. Carola had sluik blond haar, sproeten en een buitenboordbeugel. Die stond haar prachtig. Ze kon 'm goed hebben, die beugel. Haar bruinleren jack stond haar stoer, dat maakte het plaatje helemaal af. Ik was smoorverliefd op haar. Op een woensdagmiddag kwam mijn kans. Na school bleven we met z'n viertjes nog een halfuurtje nakletsen. De hele school ging over de tong, de ene jongen was nog lelijker dan de ander en het ene meisje nog stommer dan de ander. Wij troffen het maar met elkaar, temidden van zoveel afschuwelijke kinderen om ons heen. Paula ging naar huis, die woonde niet in Noord. Carola en ik gingen de andere kant op, naar de flats in Noord. Christie kwam nog even mee. Hoffelijk liep ik mee tot Carola´s flat, die een paar honderd meter verder lag dan de onze in de Lorentzstraat. Christie stelde grijnzend voor om in de gangen onder de flat, waar de schuren zaten, nog even wat verder te kletsen. Ze had gezien wat er liep, hoe de kaarten lagen, en nu arrangeerde ze een kusplek voor mij en Carola. 'Ik ben met een paar minuten terug.'
In het donker van het ondergrondse van de flat keek Carola me dromerig aan. We zeiden niets. Ze leunde tegen de muur, reikte met haar hand. Ze klipte haar beugel af. Heel voorzichtig kwam ik dichterbij. Ze trok me tegen zich aan en drukte haar mond op de mijne. Haar tong was van honing. Ik steeg op naar een wolk waar ik de eerstkomende jaren niet meer van af wilde komen. Ook niet toen Christie zich weer meldde, mij aan mijn arm schudde en licht geïrriteerd zei dat het zo wel genoeg was.
******
(wordt vervolgd)
******
zondag 9 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 10 van 60)
De allerrauwste klanten op school waren de kinderen van het kamp. Bij ons in de klas zat Josje. Ze was groot, imposant en had lang vuurrood haar en sproeten. Ze zei bijna niets en deed ook niets. Ze zat haar tijd op de Nicolaasschool uit als een gevangenisstraf. Ze kon urenlang met een bevroren blik vol woede voor zich uitkijken, de armen gekruist. De juf probeerde af en toe om Josje ergens bij te betrekken, haar aan de gang te krijgen. De juf was daarbij zelf ook niet de fijngevoeligste, met haar schuurpapieren mannenstem deelde ze doorlopend beledigingen links en rechts uit. Op een regenachtige ochtend trok ze fel van leer tegen 'die vervelende zigeuners' van het kamp. Josje blafte 'kutwijf' terug. De rapen waren gaar. Josje stoof naar huis, haar vader kwam direct verhaal halen. Onze onverschrokken juf, van wie verhalen gingen dat ze menig lastig vader bij kop en kont de school uit had gesmeten, kreeg nu een pistool onder haar neus gedrukt. Het gebeurde allemaal op de gang. De bangerds van onze klas bleven stokstijf in hun bankje zitten, de dapperen renden naar de ramen aan de gangkant en drukten hun neus er zo dicht mogelijk tegenaan. Josje´s vader stond dreigend dicht bij de juf, een beetje voorovergebogen. Hij keek wat lodderig uit zijn ogen, onder zijn zwarte snor hing zijn mond open. Hij ademde zwaar, zei iets. Het pistool in zijn rechter hand was op de buik van de juf gericht, bewoog een beetje heen en weer in de zwevende hand van Josje´s vader. Juf had de armen halfweg geheven, nog onder haar schouders, praatte op de man in. Het leek uren te duren. Toen stopte Josje´s vader het pistool ineens tussen zijn broekriem, zwaaide vermanend met zijn wijsvinger, siste nog iets en draaide zich om. Traag en verdwaasd stapte juf de klas weer binnen. 'Even zitten hoor... we gaan zo weer verder.'
*
Eindelijk mocht ik weer naar mijn vader. Ik had hem een paar maanden niet gezien, alleen af en en toe gebeld. Mijn kon-ie niet bellen, we hadden een geheim nummer en dat mocht pa natuurlijk niet hebben. In de postbus kwamen elke week wel drie brieven of kaarten van hem voor mij. Ook een kaart met een afbeelding van een NS-trein van het type hondekop. Dat woord had mijn vader onderstreept. 'Voor pappa's hondekoppie' had-ie erbij geschreven. Dat was mijn koosnaampje, ik was zijn hondekoppie.
Ik ging op zaterdagmiddag naar hem toe en zondag weer terug. Met de auto brachten mijn moeder en stiefvader me naar station Haarlem. Mijn moeder kocht een weekendretourtje voor me. 'In Amsterdam moet je overstappen op de trein naar Amersfoort. Vraag maar aan een aardige conducteur waar die trein vertrekt.' Ik slikte. Als dat maar goed ging.
Op het perron zwaaide mijn moeder me na. Mijn stiefvader stond er roerloos naast, met uitgestreken smoel. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ging deze trein wel echt naar Amsterdam? Ik vroeg het een oudere mevrouw. Ja hoor, ik zat goed. Ook de conducteur, die de kaartjes kwam controleren, stelde me gerust. 'Op Amsterdam Centraal moet je naar spoor 10, daar komt jouw trein naar Amersfoort. Eerst komt zometeen nog Amsterdam Sloterdijk, en dan komt Centraal. Okee knul?' Ik knikte. Pakte snel een balpen uit mijn voetbaltas en schreef een grote 10 op mijn linker hand. Dan kon ik het niet vergeten. Dan moest het toch goed gaan. Toen we op Amsterdam Sloterdijk stopten, keek ik uit het raam op het vertrekbord dat boven het perron hing, Ja, het stond er op, deze trein ging Amsterdam Centraal. Maar wat nu als ze een fout hadden gemaakt? Als dit een verkeerd vertrekbord was?
In het gekrioel op Amsterdam Centraal raakte ik volledig in paniek. Waar was perron 10? Moest ik rennen om de trein te halen? Ik klampte een meneer in het blauw aan. Hij wees naar de borden die overal hingen, perron 10 was díe kant op. Ik wurmde me hijgend van spanning tussen de reizigersstroom door, vond spoor 10. De trein stond er. Maar was het de goede? Het vertrekbord zei van wel: hij ging langs heel veel verschillende stations, wel een stuk of tien, voordat Amersfoort aan de beurt kwam. Amersfoort stond vet gedrukt. Maar ja, wat nou als ze een fout hadden gemaakt? Dat we zomaar naar Maastricht of Den Bosch zouden rijden in plaats van Amersfoort? Ik schoot maar weer iemand in uniform aan. Het viel allemaal niet mee, dat reizen. Ook onderweg van Amsterdam naar Amersfoort bleef het vreselijk spannend. Bij ieder station, van Amsterdam Muiderpoort tot Baarn, hing ik weer uit het raam om te controleren of de machinist wel de juiste route reed. Pas toen we Baarn achter ons hadden gelaten en ik uit het raam hangend in verte de Lange Jan van Amersfoort op zag doemen, ontspande ik een beetje. Of... was het toch de Domtoren van Utrecht? Of straks bleek het wel de Lange Jan te zijn, maar sloeg de machinist station Amersfoort over...
Op het perron stond mijn vader al klaar in zijn crême-witte regenjas. Hij lachte breed naar me, met natte ogen achter zijn brilleglazen. 'Roentje...' Hij pufte korte pufjes, probeerde zich te beheersen, niet in huilen uit te barsten. Met mijn Amersfoortse Boys-tas in mijn ene hand en in mijn andere een in cadeaupapier gehuld pakje Van Nelle Export met Rizla rood liep ik met mijn vader via de stationshal naar de stadsbussen. Ik keek opgelucht om me heen op het stationsplein, zag de vertrouwde blauwe stadbussen van Nefkens. Ik was weer thuis.
In de bus naar het Soesterkwartier aaide mijn vader mij gedurig over mijn bol. Af en toe zuchtte hij smartelijk en keek me schuins met betraande ogen aan. Veel tekst had-ie niet. Dat lukte nog niet. Ik hoopte dat hij zich een beetje bij elkaar kon houden, vandaag en morgen.
In de Eikstraat was alles als vanouds. Zijn bemodderde Citroen 2CV Charleston stond voor de deur, de tuin was een oerwoud en binnen nog steeds dezelfde Spartaanse inrichting. In de woonkamer een bank, een bijzetafel en een stoel. Schemerlamp naast de bank om de krant te kunnen lezen. Aan de muur een huwelijkportret van een collega en diens bruid. Ze poseerden bij de trouwauto. Boven hun hoofden donkerblauwe lucht en een paar wolken. Verder een stoere foto van mij in vol ornaat op een kleine crossmotor. Een compleet crosspak, een knalgele helm, een stofbril en zwarte handschoenen. Naast de bank nog een klein tafeltje met de telefoon en een wekkerradio. Die stond nog aan. Vanzelfsprekend op een piratenzender. Achter de bank stond ongetwijfeld een fles jenever, buiten zicht. Ik zou een weekend lang net doen of ik dat niet in de gaten had. Af en toe zou mijn vader mij naar de keuken sturen voor iets lekkers of om koffie voor hem te maken. Dan kon-ie snel naar de fles grijpen en fluks een paar slokken nemen. In de keuken wachtte ik geduldig tot ik de dop weer op de fles hoorde schroeven. Dan een kort bonkje: fles tegen poot van de bank of tegen de muur. En vervolgens stapte ik met opgewarmde knakworstjes of een vers bakkie oploskoffie voor pa de woonkamer in alsof ik niks in de smiezen had. Dat ging prima zo.
In pappa's slaapkamer stond ook niet veel. Een tweepersoonsbed met een nachtkastje en een leeslamp, een kledingkast. Op en naast bed een zee van Het Bestes, Donald Ducks en Amersfoortse Couranten. Ik vond het te gek dat mijn vader nog altijd geabonneerd was op de Donald Duck. Zo had ik altijd wat te lezen als we niks meer te kletsen hadden of pa op de bank in slaap was gevallen. In Het Beste stond niet veel van mijn gading, behalve dan de moppen, anecdotes van lezers, en een quiz. In de Amersfoortse Courant keek ik even of er wat over Amersfoortse Boys of SC Amersfoort in stond en ik pakte natuurlijk de strips mee. Een enkele keer vond ik op het nachtkastje van mijn vader een folder van de Jehovah's Getuigen.
Het keukentje was klein en leeg. Een pannetje hier, een paar glazen daar. In de koelkast bier, melk, vleeswaren, een pot augurken, een pakje boter en een pul mosterd. Er was een halfje bruin, eitjes om te bakken. Huishouden van een man alleen.
Dit eerste weekend na de verhuizing gingen we nergens naartoe, hingen een beetje thuis. Uitgeput van alle emoties deed pa zaterdag het ene dutje na het andere. Ik vond het wel best, las Donald Ducks op bed. 's Avonds belde tante Pien, de favoriete zus van mijn vader. 'Adoe Denje!' galmde mijn vader door de lijn. Het was vooral tante Pien die aan het woord was. Mijn vader was al niet meer zo helder op dit uur van de dag, schommelde wat op de bank. Hield tijdens het telefoongesprek af en toe de hoorn een halve meter van zijn hoofd en stak zijn tong uit naar de hoorn. 'Pffffffffllrrt!' Aan de andere kant van de lijn vroeg tante Pien wat er aan de hand was. 'Niks Denje! Zusje! Adoe!' Knipoog naar mij.
Mijn vader lag in bed al luid te snurken toen ik in de woonkamer alle tijdschriften op een stapel legde en het licht uitknipte. Ik poetste stilletjes mijn tanden en kroop muisstil naast mijn vader in bed. Ik voelde me opeens net Wolfje, de zoon van Midas Wolf. Daar moest ik om lachen, ik deed dat zo stilletjes mogelijk om Midas naast me niet wakker te maken.
De volgende dag stond volledig in het teken van Het Afscheid. Vandaag moest ik weer terug naar Zandvoort. Mijn vader begon weer te grienen, was afwisselend boos, lief, verdrietig en gefrustreerd. Hij maakte zich zorgen. Was die vent wel goed voor me? Wat was dat eigenlijk voor kerel, die Akerboom? Sloeg-ie me? Als er nare dingen gebeurden, dan moest ik direct bellen. En dat postbusadres, dat zat hem ook niet lekker. Hij mocht toch wel weten waar zijn zoon woonde?
Ik kon hem overreden niet mee te gaan naar het station. Als-ie me op de bus naar het station zette dan redde ik me verder wel. Het was bijna zo ver, over een half uur ging de bus. Ik mocht zijn shaggies voor de rest van de dag van de dag rollen, hij stopte me een biljet van 25 toe. 'Koop maar een mooi boekie en de rest doe je maar sparen hè.'
Bij de bushalte kwam het moeilijkste. Snikkende, schokschouderende pappa. De bus kwam er aan. 'Nou doeg paps.' Hij vermande zich, wilde niet al te zeer voor joker staan tegenover de buschauffeur. 'Laat je niet kisten Roentje!' De bus trok op. Op zondag zaten er altijd maar weinig mensen in. Ik liep naar achteren, klom op de achterbank en zwaaide naar mijn vader. Hij zwaaide terug, drukte een zakdoek tegen zijn ogen. Toen de bus de hoek om reed, zag ik nog net hoe hij zijn handen in zijn zij zette en zijn hoofd achterover gooide om heel veel lucht binnen te kunnen halen.
******
(wordt vervolgd)
******
zondag 2 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 3 van 60)
Vriendjes mocht ik niet mee naar huis nemen. Dat vond mijn moeder teveel drukte geven. Alleen voor Mark, mijn beste vriend, maakte ze soms een uitzondering. Ik mocht zó vaak bij Mark thuis spelen en meeëten, dat mijn moeder Mark maar moeilijk kon weigeren, die enkele keer dat ik vroeg of het goed was dat hij meekwam. Tegen andere jongens moest ik altijd zeggen dat mijn moeder lag te slapen en dat het daarom niet kon.
Ik kon heel goed alleen spelen. Mijn moeder vertelde vaak vol trots dat ze mij al alleen thuis kon laten toen ik nog maar vijf was, en zij uit werken moest terwijl pappa in de kazerne was. 'Ik zei dan alleen maar tegen je: niet met je handjes aan de kachel komen hoor, en dan zat je uren zoet te spelen in je eentje.' Daar was ze geweldig mee ingenomen, dat ze mij al die tijd onbezorgd alleen kon laten.
De zaterdagen als mijn moeder bij de één of andere oom was, die waren eigenlijk zo gek nog niet. Prima zelfs. Op zondag werd het langzaam spannend, wanneer het moment naderde waarop mijn moeder weer thuis zou komen. Zou ze alleen terugkomen, met de bus vanaf het station? Of zou ze helemaal naar huis gebracht worden door haar nieuwste vlam? Dat laatste gebeurde regelmatig: oom zus of zo wilde natuurlijk de puike gentleman uithangen, en bracht mamma in zijn auto wel even naar huis in Amersfoort. Zo'n gentleman had uiteraard nog wel een kopje koffie verdiend, en zo werden Pim en ik dan weer voorgesteld aan alweer een wildvreemde meneer. De slimmeriken onder de wildvreemde meneren waren op alles voorbereid en wisten niet alleen onze namen al bij het voorstellen, maar hadden ook een cadeautje meegebracht voor ons allebei: een pakje Drum voor Pim en een dinky toy voor mij. Mamma had ze ongetwijfeld goed geïnstrueerd. Of zo'n oom verder aardig was of niet, het leverde in elk geval altijd weer een nieuwe bolide op voor mijn Formule 1-races.
Maar nu was er ineens deze ome Klaas. Het had meteen geklikt tussen hem en mamma, afgelopen zaterdagavond in de stationsrestauratie. En dus was hij meteen mee naar huis genomen. En toen klikte het zelfs zó goed, dat ze diezelfde nacht besloten dat hij maar bij ons moest komen wonen.
En nu was het maandagochtend, 36 uur nadat ze elkaar voor het eerst ontmoet hadden. Mijn moeder was opgewonden, ademde snel en verheugde zich op de thuiskomst van ome Klaas, die nu eerst aan het werk was en daarna wat kleren bij zijn vrouw ging halen. En daarna voor altijd bij ons zou komen wonen.
*
Ik mocht niemand vertellen van ome Klaas. Op school niet, op de club niet, en zeker mijn vader niet. Ik kon heel goed een geheim bewaren, dus zei ik er niemand iets over. Ome Klaas was niet iemand die zich interesseerde voor wat ik deed of meemaakte, dus niemand van de Paulusschool of bij Amersfoortse Boys zag hem ooit of had iets in de gaten. Maar ook mijn vader mocht ik dus niks zeggen. Mamma was bang dat mijn vader het er helemaal niet mee eens zou zijn, dat kon een hoop problemen geven. Bijvoorbeeld met de alimentatie. Maar ook waste mamma nog altijd pappa's kleren en maakte ze zijn huis in de Miereveldstraat schoon. Daarvoor kreeg ze een vergoeding van pappa, en dat wilde ze niet door ruzie in de waagschaal stellen. Mijn moeder beheerde zelfs het geld van mijn vader. Pappa was daar niet zo handig in. Die bracht zijn hele salaris -en dat was best veel- maar naar de kroeg en naar zijn rare vrienden als mijn moeder dat niet voor hem in de gaten hield. Ook hiervoor kreeg mijn moeder een vergoeding van pappa. Die vergoeding kon ze zelf makkelijk regelen. Ze kon bij al het geld van pappa en hij maakte zich er niet druk om. Zijn rekeningen waren altijd keurig betaald, zijn overhemden schoon, zijn huisje aan kant, en toch bleef er nog genoeg over om wat leuks met mij te ondernemen. En voor zijn jenever en Amstel-bier. Kortom: iedereen tevreden. En dat wilde mijn moeder graag zo houden. Dat was ook in mijn belang, zei ze.
Ik zei dan ook niets tegen mijn vader. En wat maakte het eigenlijk uit? We bleven elkaar zien bij Amersfoortse Boys op zaterdag, en vaak ook op zondag. Dan gingen we naar Birkhoven, het voetbalstadion in Amersfoort, voor een wedstrijd van SC Amersfoort, dat praktisch altijd verloor. Of naar het honkbalstadion, waar hoofdklasser Fresh Up Quick haar thuiswedstrijden speelde. Net zoals de sportcollega's van de Amersfoortse profvoetbalclub vormden ook de spelers van Fresh Up Quick bepaald geen team van kampioenen. Maar de aanhang was talrijk en bloedfanatiek en geen enkele club reisde graag naar Amersfoort, waar het behoorlijk kon spoken in dat stadionnetje vol zingende, schreeuwende en hossende malloten.
Mijn vader kende een paar spelers persoonlijk, waaronder de sierlijke eerstehonkman Tico Flemming. Via hem regelde pappa dat ik en Mark de handtekeningen kregen van de hele selectie. En ik mocht met Tico Flemming op de foto.
Helemaal niet verbazingwekkend dat mijn vader dat allemaal zo kon ritselen, want iedereen in Amersfoort kende mijn vader. En iedereen mocht hem graag. Als mijn vader weer eens in het ziekenhuis verbleef na een buikoperatie (een regelmatig terugkerend euvel sinds hij in zijn KNIL-tijd in Indië in zijn buik was geschoten, de wond bleef telkens opnieuw ontsteken) en hij zat in de benedenhal met mij te kletsen, dan deed pappa niets anders dan mensen groeten, handen schudden, zwaaien, babbelen, lachen, een tong uitsteken hier en knipoogje geven daar. Het leek wel een defilé. Wat was die man populair, dat was niet normaal. Je kon werkelijk geen gesprek met hem voeren in die hal van het Elisabeth Ziekenhuis. En dus haalde ik nog maar een gevulde koek in het winkeltje in de hal.
Pappa was bovendien nogal een knappe kerel, met zijn jongensachtige kop, zijn bruine ogen en zwart haar. Als jonge vent had-ie aanbidsters te kust en te keur en nam hij het er behoorlijk van. Zelfs in de huwelijksnacht van zijn eerste huwelijk bedroog hij zijn vrouw, tante Mia, met een ander. Tante Mia was de moeder van Ton en Guusje, mijn halfbroer en -zus. Mijn moeder leerde-ie jaren later kennen in het militair hospitaal in Utrecht, toen de oorlogswond in zijn buik weer eens opspeelde. Ook mijn moeder had al twee kinderen uit een eerste huwelijk met ene Govert Smit: Lia en Pim, mijn andere halfbroer en -zus. Toen mijn moeder zwanger werd van mij, zijn zij en mijn vader allebei voor de tweede keer in het huwelijksbootje gestapt.
Mijn vader was ook op zijn werk alom gewaardeerd. Hij had twee banen sinds hij was ontslagen uit het leger: eentje overdag op kantoor bij verkeringsmaatschappij Levob en daar bovenop nog drie avonden als sorteerder bij de PTT. Hij strooide met grappen en was erg geliefd, dat merkte ik wel als ik met hem meekwam. 'Eén ding moet ik je vader nageven: hij is een harde werker' prees mijn moeder hem vaak. Alleen in het leger dachten ze daar anders over, daar was pappa uiteindelijk na het zoveelste incident eruit gevlogen. Dronkenschap onder diensttijd was al vaker voorgekomen, maar dat een zwaar benevelde kapitein De Haan ook nog met zijn dienstpistool zijn vrouw en schoonzus had bedreigd en daarom was opgepakt door de politie van Amersfoort, dat had de deur dichtgedaan. Gelukkig had deze geschiedenis geen problemen opgeleverd toen mijn vader bij Levob en de PTT solliciteerde. En daar hield-ie zich op het werk aardig in, met de drank.
Ook bij mij hield pappa zich in met drinken. Ik merkte er bijna nooit iets van. Alleen een keer toen we naar de motorcross gingen. Er was een lange rij voor het loket waar de kaartjes verkocht werden en dat wachten vond pappa maar niks. Hij maakte misbaar, pufte, blies, vloekte heel hard en wankelde op zijn benen. Toen we eindelijk aan de beurt waren smeet pappa het geld voor de kaartjes woedend neer voor de neus van de kaartjes verkoopster. 'Hier dan, gatverredámme! Pfffff!'
'Da's toch ook wat hè, voor zo'n kind', hoorde ik achter me fluisteren. Ik schaamde me rot.
******
(wordt vervolgd)
******
Abonneren op:
Posts (Atom)
