maandag 17 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 17 van 60)
'Hij heeft gisteren toch heel erg zijn best gedaan', hoorde ik mijn moeder prevelen.
'Wil je terug naar huis ma?'
'Ja... ik denk dat dat voor ons allemaal het beste is...' Ze klonk niet alsof ze erin geloofde, maar alsof ze wílde dat ze erin geloofde.
Er werd getelefoneerd. Hij kwam ons halen. De directeur wenste mijn moeder succes. Mij gaf-ie een knipoog en een aai over mijn bol. 'Het komt vast wel weer goed voor mekaar jongen.'
De hele rit naar huis was mijn stiefvader aan het woord. Wat-ie allemaal wel niet door had moeten maken. En waaraan hij dit in Godsnaam toch verdiend had. Hij kon er nóg niet over uit. Regelmatig schoot-ie vol. Ik vroeg me af of-ie de weg nog wel goed kon zien. Ik rook cognac om hem heen. Mijn moeder rommelde in haar tas. 'Hier Klaas, een zaddoekie.'
*
'Ik hou je in de gaten, vuile schmiecht.'
Mijn moeder was in de keuken bezig met koken. Ik rook bloemkool en karbonaadjes. Ik lag in mijn kamer op de grond de Voetbal International te lezen. Mijn stiefvader stond naast me, ik keek tegen zijn sandalen aan. Ik keek omhoog. Ik zag zijn gebalde vuisten in zijn zij. Zijn geërgerde kop. Dat mondje. Hij siste nog even door.
'Stiekem rotjong. Je moeder ophitsen tegen mij hè. 'm Smeren als een dief in de nacht, samen met je moer. Flik dat niet nog een keer, Nelis. Dan trek ik je kop van je romp. Met dat stomme smoel van je.'
Hij liep weer weg. Ik staarde even voor me uit. Schudde mijn hoofd als een hond die kletsnat uit een vijver was gekropen. Daarna zonk ik weer terug in het artikel over Haarlem, dat na de degradatie in de eerste divisie aan een sterk seizoen bezig was. Ik was de afgelopen weken al een paar keer in mijn eentje wezen kijken. Met de fiets van Aerdenhout naar Haarlem-noord op zaterdagavond of zondagmiddag. In het begin belandde ik nog in het altijd bijna lege oostvak, naderhand vaste prik op de West-side, onder het scorebrod, waar de fantiekste blauw-rode fans stonden en waar 90 minuten lang gezongen, gescandeerd, gejouwd, gejuicht en gefloten werd. Daar voelde ik me thuis. Mijn schoolvriendjes Jan en Theo stonden er ook altijd. Theo stotterde, maar tijdens het zingen van Haarlem-liederen verdween die handicap als sneeuw voor de zon. Maar als-ie in al zijn opwinding wat tegen de scheidsrechter of een Haarlem-speler wilde roepen, dan liep-ie gelijk weer helemaal vast. 'S-s-s-schop 'm-em-em-em-em neer g-g-g-godvrrr-redomme!' Voorstopper Piet Huyg was de grote favoriet van Theo. Piet Huyg stotterde ook. Daarnaast had hij een sportzaak in Haarlem-noord en ook nog een knappe dochter. Piet Huyg was Mister Haarlem voor de harde kern op de tribunes. Ikzelf was het meest gecharmeerd van de dartele spits Joop Böckling, die koket met de handjes wapperend door het vijandelijke strafschopgebied huppelde. Hij had sluik haar, een fijn snorretje, ondeugende ogen en hij droeg altijd witte enkelsokjes over zijn kousen. Volgens Jan en Theo duidden die sokjes en dat verwijfde gedoe met die handjes maar op één ding: Jopie Böckling was een ongelofelijke nicht. Ik vond zijn sokjes en kittige gebaartjes juist erg grappig, en besloot Joop nog feller dan ooit tevoren aan te moedigen. Ik begon zijn manier van bewegen in het veld bij Zandvoort'75 te imiteren. Het maakte me lichtvoetiger, wendbaarder, en sneller in de eerste meters. Jopie Böckling was mijn grote held.
Op school rolde ik aardig door de brugklas. Mijn contact met de andere drie brugklassers van de Nicolaasschool was snel verwaterd. Ik sloot me aan bij een groep jongens die iedere pauze met een tennisbal voetbalde op een groot stenen veld. Met jassen werden doelpalen aangemerkt. Het ging er rauw aan toe. Er werden beuken uitgedeeld, hier en daar maakte een jongen een onbedoelde buikschuiver over de tegels en gilde het uit. Maar het ging vooral om het maken van doelpunten, die op uitzinnige wijze werden gevierd. De doelpuntenmaker spurtte van het stenen veld naar het aanperkende gras, alwaar hij voor zijn juichende medespelers uitvluchtte totdat eentje hem tackelde, waarna het hele team de gelukkige schutter op brute wijze besprong en bedolf. Zo ging dat op tv immers ook.
Mijn lievelingsvakken waren Duits en Nederlands. Dat ging me het makkelijkst af. Gym vond ik ook leuk. Tenminste, als er gehonkbald of gevoetbald werd. Dat gedoe met paarden, ringen en rekken lag me een stuk minder. Ik had hoogtevrees en was bang om te vallen.
Sancta Maria viel me reuze mee, het was hier veel leuker dan op die achterlijke Nicolaasschool.
******
(wordt vervolgd)
******
zondag 16 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 16 van 60)
In het Blijf van mijn lijf-huis kregen we een stapelbed toegewezen in een kamer waar ook een moeder met haar dochter sliep. Het meisje heette Miranda, was een jaar of zes en speelde de meeste tijd met haar knuffelpop. Ik speelde wat met haar mee, vond het wel leuk om voor even haar grote broer te zijn. Ondertussen luisterde ik de opgewonden gesprekken af die onze moeders met elkaar voerden.
'Ik dacht, straks vermoordt-ie ons nog.'
'Ik ben ook zó bang voor die van mij...'
'Dat kind heeft het allemaal niet zo in de gaten, gelukkig. Maar ik denk, voordat-ie haar ook gaat slaan...'
'Drinkt die van jou ook?'
'Jaja... en meermalen gedreigd met zelfmoord. Ja Jezus, dóe dat dan man, dacht ik steeds.'
'Dat zou wel makkelijk zijn...'
Een derde vrouw, een pronte Surinaamse, mengde zich in het zorgelijke gesprek.
'Mij heeft-ie achter de ramen gezet. Ben je dan lekker.'
Kreetjes van ontzetting.
Mijn moeder was veel in gesprek met de leiding. Ik speelde dan met Miranda, legde een kaartje met wat andere jongens, of lag op bed te luisteren naar wat de Blijf van mijn lijf-vrouwen elkaar vertelden. Radio of tv was er niet, maar ik maalde er niet om. Ik vond het wel een spannend avontuur en voelde me sterk en bijzonder.
Geregeld werd de betrekkelijke rust verstoord door ruzies tussen de opgefokte moeders of hun kinderen. Er werd ook gepikt, je moest goed op je spullen letten. Er kon ieder moment een vrouw in hysterisch gekrijs of gehuil uitbarsten. Alleen als er een man voor de deur stond die schreeuwend en op de zware buitendeur bonkend zijn vrouw opeiste, gleed een vreemde, diepe stilte door het pand. Alles en iedereen zweeg dan. Er was dan alleen dat woedende mannengebrul. Na een tijdje hield het ook altijd weer op. Via een intercom dreigde de huisleiding met de politie als er geen normaal gesprek mogelijk was. Soms kwam het daadwerkelijk zo ver en voerde de Utrechtse politie zo'n schuimbekkende woesteling af. Andere keren beukten kerels zich moe op de loodzware voordeur. Dit huis was een onneembare vesting. Een Zwitserse kluis. Een schuilkelder tegen vliegtuigbommen. In mijn vuistje lachtte ik om al die stomme kerels die zich belachelijk stonden te maken voor dit huis. Ze konden ons niks maken.
Na twee dagen belde mijn moeder naar mijn stiefvader. Hij was op de avond van onze vlucht door de Utrechtse politie gebeld en ingelicht dat we voorlopig ergens ondergedoken zaten. Ze onthulden niet waar we zaten, dat zou hij later nog wel horen, als de tijd rijp was. Hij had furieus gereageerd, zei de leiding tegen mijn moeder.
Mijn moeder had lange gesprekken met de leiding gehad. Ze was toch zo bang voor haar man. Dat hij ons iets aan zou doen. Altijd hing die dreiging in de lucht. Nee, hij had haar nog nooit geslagen. Maar dat kon niet lang meer duren. Ze had het in zijn ogen gelezen. Die blik kende ze nog van haar tweede man.
De leiding wilde weten of mijn moeder wilde dat het weer goed kwam tussen haar en ome Klaas. Het antwoord was twee dagen lang 'weet ik niet' en werd toen 'ja, ik denk 't wel...' Toen vond de leiding het tijd worden dat mijn moeder hem op zou bellen om te vertellen waar we zaten. 'Het moet er toch een keer van komen dat je contact opneemt als je nog wilt dat het wat wordt. En als het fout gaat aan de telefoon, en hij komt hierheen om stampij te maken, dat weet je dat je hier veilig zit. Hij kan je hier niets doen. Okee?'
Mijn moeder belde hem. Hij voer direct tegen haar uit. Hoe had ze het hart kunnen hebben, hem te vergiftigen en hulpeloos achter laten op de bank in de woonkamer. Hij was radeloos geweest, waar was zijn vrouw toch naartoe? Waaron had ze hem in de steek gelaten? Waarom dook ze voor hem onder alsof-ie een boef was, samen met dat jong van d'r? Hij was steeds harder gaan razen door de telefoon en toen mijn moeder vertelde waar we zaten, explodeerde-ie. 'Ik kom gelijk naar dat rotte zooitje toe, godverredomme!' En bam - ging de hoorn erop.
Drie kwartier later stond ome Klaas inderdaad te schreeuwen, bonzen en loeien aan de deur van het Blijf van mijn lijf-huis. De gebruikelijke taferelen. Alleen ging het nu opeens om onze eigen man en stiefvader. We konden hem goed tekeer horen gaan. Af en toe hoorden we tussendoor dat er iets terug werd gezegd via de intercom. Dat maakte ome Klaas alleen maar razender. Totdat er kennelijk met de politie gedreigd werd door de leiding. We hoorden nog wat geram en gevloek. Dan even stil. Tot slot gierende banden van de Mitsubishi Galant.
Ook met mij werd gepraat door de leiding. Ik kon gerust alles zeggen. Wat ik van mijn stiefvader vond. Hoe het thuis ging. Ik vertelde dat ik mijn stiefvader niet zo'n aardige man vond en dat ik het niet met hem kon vinden. Verder hield ik me een beetje op de vlakte, ze moesten het maar aan mijn moeder vragen. Instinctief voelde ik aan dat het mijn stiefvader zou gaan lukken om ons weer mee naar huis te krijgen. Ik kon dus beter maar niet al te negatief over hem doen, want dat kreeg-ie dan vast te horen en wie weet wat voor gevolgen dat voor mij zou kunnen hebben.
Het tweede telefoontje van mijn moeder naar huis ging heel anders. Ome Klaas snikte en snotterde dat-ie zo'n verdriet had dat we weg waren. Hij zou er alles aan doen om te zorgen dat we een gelukkig gezinnetje zouden worden. Als we maar terugkwamen.
Mijn moeder legde neer. Ze ontspande zich voor het eerst in dagen tijd een beetje en een tevreden lachje brak door in haar gezicht.
'Wat denk je, Stien, zullen we Klaas uitnodigen voor een gesprek hier?'
'Ach ja... praten kan nooit kwaad.'
Hij verscheen fris geschoren en onberispelijk gekleed voor de afspraak in het Blijf van mijn lijf-huis. Hij had een bos rozen bij zich. Eerst spraken twee mensen van de leiding buiten met hem. Een jonge vrouw, samen met een grote sterke mannelijke collega. Toen dat goed ging, mocht-ie naar binnen. Daar volgde een tweede gesprek, nu met de directeur van het huis. De grote sterke man hield ook hierbij een oogje in het zeil. Toen ook dat gesprek naar behoren was verlopen, was het grote moment van de hereniging aangebroken. De grote sterke man liet ome Klaas binnen in het vertrek waar mijn moeder nagelkauwend van de spanning op hem zat te wachten. De tranen stroomden mijn stiefvader over de wangen. Snikkend omhelsde bij zijn vrouw. 'Och Stien, wat heb je me toch aangedaan meissie...' Beduusd liet mijn moeder het over zich heen komen. 'We gaan naar huis en beginnen opnieuw...' De grote sterke man en de directeur volgden het tafereel met waakzame blik. Aan de andere kant van de kamer zat ik roerloos op een stoel te wachten op wat nu komen ging. Ik hoopte dat-ie mij niet zo ging omhelzen en ondersnotteren. Ik rilde al bij de gedachte. Het bleef bij een onhandige zwaai naar mij. Zijn kletsnatte ogen zochten en vonden de mijne. 'Zo, Nelis...'
Afgesproken werd, dat mijn moeder er nog een nachtje over zou slapen, en hem de volgende ochtend weer zou bellen.
******
(wordt vervolgd)
******
zaterdag 15 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 15 van 60)
Het was zaterdagmiddag. Ik was al terug uit Zandvoort van voetbal. Vandaag ging het gebeuren. We zouden vluchten. Mijn moeder had het helemaal gepland. Tegen vieren vroeg mijn moeder aan haar man of-ie misschien een lekker koppie koffie wilde hebben. Hij was aangenaam verrast. Normaal dronken we nooit koffie rond deze tijd. Maar hij kon 't wel gebruiken, was wat moe na een hele week hard werken. Met vuurrood hoofd bereidde mijn moeder de koffie in de keuken. Ze ademde snel, probeerde niet te hijgen. Ze schonk nog wat meer kokend water op het koffiefilter, het moesten minstens twee koppen worden. Op haar teken liep ik terug naar de woonkamer. In de deuropening staand kon ik mijn stiefvader goed in de peiling houden. Die zat op de bank, leesbil op, stuurs lezend in De Telegraaf. Mijn moeder kreeg en bemoedigend knikje van me, ze ging de keuken weer in en schonk een kop koffie in. Daarna haalde ze de tabletten tevoorschijn, en begon de ene na de andere in de koffie op te lossen door er eindeloos in te roeren.
'Hier lieverd.' Ze zette de koffie voor haar man neer met een omhaal alsof ze kaviaar op zilverblad presenteerde. Ze deed zo anders dan anders, nog veel kruiperiger dan ze normaal al deed tegen haar echtgenoot. Als dat zo doorging dan viel ze zometeen nog door de mand, dacht ik bezorgd. Ook Ome Klaas leek lont te ruiken. Argwanend keek hij zijn vrouw aan, die zenuwachtig naast de bank bleef staan waarop hij zat, in haar handen wreef en daarbij af en toe als een ooievaar een been optrok. Peinzend, sabbelend op een pootje van zijn leesbril, keek mijn stiefvader op naar mijn moeder. Toen liet hij zijn achterdocht varen.
'Wat is er toch meissie? Je ben zo nerveus. Hoe komt dat toch? Ga 's zitten. Is het te druk voor je, het huishouden plus de klussen hier in het kantoorpand erbij?' Hij sprak met zachte bromstem. Ineens helemaal niet zo bars of onvriendelijk.
'Drink je koffie maar op Klaas, anders wordt-ie koud.' Ze klonk afgemeten. Angst had in enkele seconden tijd plaatsgemaakt voor haast en vastberadenheid.
Hij dronk. Trok een vies gezicht. 'Wat... brrr, wat is die bitter zeg!' Hij tilde zijn koffiekopje op tot vlakbij zijn gezicht en keek het onderzoekend aan. 'Heb ik er te weinig suiker ingedaan?', pareerde mijn moeder in een reflex. Ze wachtte het antwoord niet af en beende naar de keuken om de suikerpot te halen. Mijn stiefvader keek haar na. Hij leek geroerd door zijn nerveuze vrouw. 'Stien...'
'Ja?' klonk het alert vanuit de keuken.
'We gaan binnenkort weer 's met z'n tweetjes naar Oostenrijk. Da's goed voor de zenuwen. Dan kunnen we tot rust komen.'
Ze beende de kamer weer in en grijnsde breed. 'Ja leuk.'
Er ging extra suiker in de koffie. Het smaakte hem nog steeds niet bijster, maar kennelijk wilde hij zijn vrouw niet teleurstellen. Zijn plotselinge zachtheid bracht me even aan het twijfelen. Was dit nou wel zo'n slechte man?
Mijn moeder zette door, ging een tweede kop koffie halen. Mijn stiefvader pakte de krant weer op. We herhaalden de truc met mij in de deuropening terwijl mijn moeder tabletten door de koffie roerde. Hij had niks in de gaten.
De tweede kop koffie, met nog meer suiker dan de eerste, ging eveneens moeizaam maar zeker naar binnen bij ome Klaas. Hij zag er grauw uit toen hij het op had. 'Poe... ik voel me niet zo lekker, ik denk dat ik even ga liggen...'
'Doe maar lieverd.'
Met gefronste wenkbrauwen, getuit mondje en de ogen toe strekte ome Klaas zich uit op de bank. Gebiologeerd keken mijn moeder ik toe. Hij zuchtte 's. Smakte een beetje. Ademde met een lang, snuivend geluid door zijn neus uit. Dat ging een paar minuten zo. Daarna zonk-ie stap voor stap steeds verder in een diepe slaap. Zijn borst ging gestaag op en neer. Hij lag er gekweld maar rustig bij.
Mijn moeder gaf me een knikje. Op kousevouten slopen we de kamer uit.
In de gang trokken we intens zwijgend onze jassen en schoenen aan. Muisstil de trap af. Onderaan de trap heel voorzichtig de deur opengeduwd en met grote zorgvuldigheid geruisloos weer toe. Dan via de overloop op de eerste étage naar de volgende trap en eenmaal beneden in de hal uit de bezemkast snel de twee plastic tassen met daarin het hoogstnodige tevoorschijn gehaald.
We sloten ook de voordeur achter ons en in stevige looppas ging het nu naar station Heemstede-Aerdenhout. We hoefden alleen maar de Zandvoortselaan af te lopen, het was hooguit tien minuten wandelen. In mezelf verzon ik smoezen voor het geval dat ome Klaas onze vlucht nu zou ontdekken en ons op de Zandvoortselaan zou onderscheppen. 'U hebt zo hard gewerkt de afgelopen weken, we dachten laten we als verrassing voor ome Klaas er stilletjes op uit gaan om tompoucen te kopen.' Ik glimlachte bij de gedachte aan de verraste, gevleide reactie die dat zou opleveren.
Naast mij stapte mij moeder driftig voort. Hijgend, haar blik vast gericht op het station. Bij het loket gekomen raakte mijn moeder de kluts kwijt. Schichtig keek ze om zich heen, drukte haar portemonnee in mijn hand. 'Twee enkeltjes Utrecht altublieft.' De lokettist keek me geamuseerd aan. 'Zo jongen, neem jij je moeder mee op reis? Zul je goed op d'r passen?' De draaischijf keerde mijn geld naar de lokettist en de kartonnen kaartjes met wisselgeld terug maar mij. 'Ja hoor meneer, dat zal ik doen.' Ik glom. Natúúrlijk zou ik goed op mijn moeder passen. Mijn moeder had haar zoon nu harder dan ooit nodig. Ik voelde me kalm en trots. In de trein zaten we op het balcon. Ik nam haar hand in de mijne en wreef die zachtjes. 'Komt wel goed mamma.' Ze leek het allemaal niet zo te merken. Haar grote groene ogen staarden naar iets wat ik niet kon zien. Haar mond hing open. Ze was heel ver weg.
******
(wordt vervolgd)
******
donderdag 13 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 14 van 60)
Mijn moeder was in alle staten van paraatheid door de verhuizing naar Aerdenhout. In de woonkamer in Zandvoort stond ze tussen tientallen verhuisdozen, de meesten nog maar half ingepakt. Zoals altijd wanneer ze hevig opgewonden was, haalde ze ook nu haar keelslijm op, spuugde het in haar handen, en wreef het brok slijm razendsnel fijn tussen haar handen. Ze kon dat zó snel, dat je haar vingers niet meer kon onderscheiden en dat haar handen ervan klapperden. Haar gezicht trok hierbij in een idiote grimas, haar ogen stonden scheel. Een akelig gezicht. Als ze uitgewreven was, ging haar gezicht weer normaal staan. Ze lachte naar me, zag mijn vertrokken smoeltje. 'Zo deed je oma dat ook altijd. Is heel goed voor de handen, daar blijven ze lekker zacht van.'
Zuchtend begon ook ik maar weer in te pakken. Dit werd mijn zevende huis al. Ik was nu 12, dus nog geen twee jaar per huis. Ik begon een intense hekel te krijgen aan de verhuisdrift van mijn moeder.
Aerdenhout lag halfweg Zandvoort en Haarlem. Voor school was het wel prettig dat ik dichterbij kwam te wonen, maar van Zandvoort '75 was ik nu twintig minuten fietsen verwijderd.
Het was wel wennen, in een huis te wonen boven een kantoor. Er werkten wel honderd mensen bij de Stichting. Die waren er nooit allemaal tegelijk, maar met doordeweeks gemiddeld vijftig, zestig aanwezigen was het toch een drukke, zoemende bijenkorf. Beneden kwam je binnen in een grote hal met een witmarmeren vloer. Als looppad lag een rood tapijt in het midden. Meteen rechts was een loket, waar mensen zich konden melden. Hierachter zaten de telefooncentrale en de adminstratie, verreweg het grootste kantoor. Hier zaten ook de aardigste mensen. De telefonistes zwaaiden vrolijk naar me als ik thuis kwam en met mijn grote schooltas langs hun ramen slofte.
Ook de grote baas van de Stichting, meneer Van der Veer, had op de begane grond zijn kantoor, het grootste kantoor van het hele pand. Naast hem had zijn secretaresse, mevrouw Van Laar, ook een eigen kantoor. Mevrouw Van Laar, zo wist mijn stiefvader al binnen een paar dagen te vertellen, was verliefd op haar baas. Ome Klaas had ze een keer betrapt toen ze stonden te zoenen. Dat was om zes uur geweest. Het kantoor was officieel al dicht, mijn stiefvader hoorde een gerucht en ging even kijken. Die eerste weken was hij immers extra waaks. Het licht op het kantoor van meneer Van der Veer bleek nog aan te zijn. Meneer Van der Veer werkte vaak over en dan bleef mevrouw Van Laar ook, om hem daarbij te assisteren. Toen mijn stiefvader het kantoor binnenstapte, hing mevrouw Van Laar om de hals van haar baas en zoende hem op de mond. 'Ehm... meneer Akerboom, dit hebt u natuurlijk niet gezien.' Meneer Van der Veer had zijn stropdas rechtgetrokken, zijn aktentas gesloten en was weggegaan. Een ontdane mevrouw Van Laar biechtte in tranen op dat ze verliefd was op haar baas, maar ook dat het niets kon worden zolang hij nog getrouwd was. Ze vroeg mijn stiefvader dringend om er met niemand over te praten. Dat beloofde hij. Hij vond het wel een mooi verhaal, vertelde het met smaak aan ons tijdens het eten. Een mooi verhaal. Misschien kwam het hem nog wel eens van pas.
Op de eerste verdieping waren ook een heleboel kantoren, het personeelskeukentje en de deur naar onze woning op zolderétage. Achter de deur ging het eerst twintig treden stijl omhoog, over dik bloedrood tapijt. Op het overloopje kon je naar rechts, waar het nette echtpaar een grote slaapkamer had. Linksaf voerde naar een logeerkamertje aan de rechterhand, met daar weer achter mijn kamer. Aan de linkerhand kon je via een klein deurtje naar een gigantisch dakterras. Ging je rechtdoor, dan kwam rechts de woonkamer. Ook die was erg groot, zo groot had ik het nog nooit thuis gehad. Ten slotte kwam nog de smalle keuken, met een voor zo'n enorm huis merkwaardig klein douche-toilet. Het was dan ook geen normale woning. Het was een hele grote zolder, aangepast aan bewoning. Een zolder met allerlei hoekjes. En met overal ramen die uitkeken op blauwe lucht of boomtoppen. Arbeiders op eenzame hoogte tussen de rijksten van Nederland.
Twee avonden per week, op donderdag en vrijdag, daalden ze na het eten af naar de kantoren. Ik deed boven de afwas terwijl het het concierge-duo met stofzuiger, emmers sop, doeken en de rest van hun bewapening aan de slag ging om het grote gebouw van de Stichting schoon te maken. Ze hadden hun handen vol, kwamen pas na half elf weer boven. Ik vond het prima. Op donderdag en vrijdag was ik dus de baas van de tv. Was er niks op tv, dan kon ik hard mijn Kiss-platen draaien. Ik droomde dat ik voor bomvolle stadions vol gillende meisjes speelde terwijl ik de partijen van Peter Criss in de lucht meedrumde. Het zweet gutste van mijn hoofd.
Ze hadden het zwaar met die twee lange schoonmaakavonden aan het einde van de week. Ze waren toch al vijftig geweest, mijn stiefvader had er ook nog zijn volle baan in de facilitaire dienst naast. Al dat gesleep en al die trappen op en af, het was een hele inspanning. En dan nog bladeren vegen op zaterdag, om de week gras maaien en onkruid wieden, een paar lampen vervangen op zondag. Het hield eigenlijk nooit op. Maar we woonden gratis. In het poenigste dorp van Nederland. Ze moesten doorzetten.
*
Mijn moeder drentelde ongedurig door ons huis, van raam naar raam. Haar ogen had ze groot opgezet, ze hijgde een beetje. Het was anders dan anders, als ze een opvlieger had en voor een open raam druk met haar armen stond te wapperen om maar zoveel mogelijk lucht naar haar gezicht te duwen.
'Het is niet goed hier. Dit huis...' Ze keek nu door het raam in de woonkamer, de verstilde groene tuin in met de hoge, zwijgende bomen eromheen. Paniekerig schoten haar ogen van links naar rechts. Overal groen. Overal stilte.
'Misschien moet je nog wennen mam. We wonen hier pas zes weken.'
Ze herpakte zich. 'Ja.' Ze ging het eten opzetten. Haar man kon zo thuiskomen.
*
Het begon vroeger donker te worden, het was al laat in oktober. Fietsen met licht. Ik moest harder trappen wanneer ik naar Zandvoort fietste met de remming van de dymano op mijn voorband. Het regende ijskoude druppels. Ik voelde het niet. Ik ging trainen. Mijn gezicht was nat, het water kwam nu ook door mijn jack heen. Ik reed Zandvoort binnen, won het van de tegenwind en bereikte het clubhuis bij het circuit. Meneer Peitsman keek met een bezorgde blik naar de hemel. 'Wat zullen we doen jongens... nou okee, omkleden dan maar.'
De helft van ons team was niet op komen dagen door het noodweer. Het bliksemde steeds dichterbij, de striemende regen werd hagel. Steeds grotere hagelstenen denderden neer op het veld, op ons, op ons lijf, in ons gezicht. Het donderde en het bliksemde, steeds harder en dichterbij. Meneer Peitsman staakte ons partijtje. 'Naar binnen, hup, als de donder jongens!'
Woedend bleef ik staan. 'Ik wil trainen!' gilde ik. Meneer Peitsman pakte me bij mijn arm, ik trok me los, hij gaf het op en draafde achter de jongens aan naar de beschutting van de kleedkamer. Huilend bleef ik staan. Druipnat, de hagel geselde mijn gezicht. Maar de lichtmasten schenen door. Ik pakte de bal en ging 'm hooghouden.
*
We woonden nu ruim twee maanden boven de Stichting. Ma hield het niet meer vol. Wist zich overdag geen raad. Was bang. Opgejaagd. Beet nagels. Tot mijn stiefvader uit Warmond thuiskwam. Dan ging er een knop om in mijn moeders hoofd: de knop van vrolijk en gezellig werd ingedrukt. Haar stem ging een paar octaven onhoog, ze lachte om alles. Ze deed overdreven. Vreemd. Haar man leek niets in de gaten te hebben. Vertelde zijn gewichtige belevenissen met Dick in de facilitaire dienst. At zijn eten, liet zich zijn koffie en cognac inschenken. Zo lang mijn moeder gedienstig bleef, en ik zorgde dat ik niet of nauwelijks opviel in huis, was de sfeer in elk geval niet al te grimmig.
Terwijl mijn stiefvader in de woonkamer naar een schlagerfestival zat te kijken, greep mijn moeder mij in de keuken bij mijn arm. Met groot opgezette ogen keek ze me verdwaasd aan. Gejaagd begon ze te fluisteren. 'Ome Klaas mag niks merken. Komend weekend smeren we 'm. We gaan naar het Blijf van mijn lijf-huis in Utrecht. Ze weten ervan, we worden zaterdag verwacht. Zeg niks tegen hem. Ik regel 't.'
Mijn moeder overviel me totaal met haar plan, maar ik zag het gelijk zitten. Mijn stiefvader een hak zetten, daar was ik wel voor te porren. Wat een avontuur kon dit worden, tjonge, naar het Blijf van mijn lijf-huis. Daar had tante Greet ook wel 's gezeten met een paar van haar kinderen. Oom Harry had namelijk losse handjes waarmee-ie hard kon slaan als-ie weer 's bezopen was.
******
(wordt vervolgd)
******
woensdag 12 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 13 van 60)
De kersverse echtgenoot van mijn moeder had nóg een nieuw plan gekregen. 'Wat zou je ervan zeggen als je voortaan Akerboom zou heten?' Hij oogde ontspannen terwijl hij het me voorlegde. Hij glimlachte zelfs. Naast hem keek mijn moeder me vol verwachting aan. Ze hoopte duidelijk dat ik ja zou zeggen. 'Dan ben je echt mijn zoon en hebben we de dingen goed geregeld.'
Ik duizelde. Wat een vreselijk plan. De naam van die boer hier op de bank aannemen, anmenooitniet. Ik moest er niet aan denken. En mijn vader zou het niet overleven.
'Goh, dank u wel, da's heel hartelijk van u. Maar u overvalt me wel een beetje. Ik denk er even rustig over na, goed?'
Ik hoorde mezelf u tegen mijn stiefvader zeggen, terwijl ik dat toch al zo lang zo zorgvuldig had weten te omzeilen. Ik was duidelijk van de kaart.
'Hm. Goed dan.' Hij was zichtbaar teleurgesteld dat ik niet direct dankbaar hoera had geroepen en daarbij mijn handen van dolle blijdschap ten hemel geheven. Ik was heel anders dan zijn vrouw, die alles goed en geweldig aan hem vond. Haar had-ie wél honderd procent onder contrôle. Bij mij kwam-ie misschien wel tot negentig, maar die laatste tien procent zaten hem erg dwars.
De volgende ochtend, toen de heer des huizes naar zijn werk was, vertelde ik mijn moeder dat ik het niet wilde.
'Oh... maar daar doe je ome Klaas erg veel verdriet mee.' Ze keek verontrust. Een beetje bang.
'Toch wil ik het niet.'
Ik liet het mijn moeder aan hem vertellen. In de woonkamer hoorde ik hem tieren. 'Ik trek mijn handen van dat rotjong af! Mijn hart klopte in mijn keel. 'Ondankbaar stuk vreten!' Ik begon zachtjes te bidden.
*
De trainingen bij Zandvoort '75 begonnen weer. Ik had me de hele zomer behoorlijk fit gehouden met al mijn spelletjes met de bal. Mijn ziel en zaligheid gooide ik erin. Met de schietoefeningen liet ik af en toe projectielen los waar onze keeper even een stapje voor opzij deed. Het seizoen kon beginnen.
Wat wel al van start was gegaan, was het schooljaar. Gevieren fietste de delegatie van de Nicolaasschool de hele Zandvoortselaan af, onder station Heemstede-Aerdenhout door, linksaf de Leidsevaart op. Daar zag je het statige Sancta Maria al van verre liggen, aan de overkant van het water. Geen van de andere drie zat bij mij in de brugklas. Voor de tweede keer in nog geen jaar tijd belandde ik in een gloednieuwe klas. De lokalen waren immens, de hele school was immens. Met al mijn schoolboeken in mijn overladen, uitpuilende tas, sleepte ik me van les naar les. Tussen de lessen door verdwaald, op zoek naar het juiste lokaal. Geduw van grotere kinderen. 'Stomme brugsmurf!'
De hoeveelheid huiswerk viel in het begin heel erg mee. Op de Nicolaasschool had ik veel meer thuis moeten doen. Wat stom, dat ze ons daar zo veel huiswerk hadden gegeven. 'Dan kun je vast wennen, voor straks op de grote school', hadden ze altijd gezegd. Maar op de grote school kregen we nu veel minder opgaven voor thuis. Op de Paulusschool hadden we nooit huiswerk, konden we altijd spelen. Dat vond ik veel beter.
Thuis liep de spanning op. Sinds ik geen Akerboom wilde gaan heten, vond mijn stiefvader steeds vaker dat ik maar naar mijn vader moest gaan om geld te vragen voor kleding, voor voetbalschoenen, voor weet ik wat allemaal. Wist ik wel wat al die schoolboeken hadden gekost? Een vermogen, Nelis!
Ik zat in een lastig parket. Ik voelde me rot dat ik zoveel geld kostte, maar telkens om geld bij mijn vader bedelen zag ik ook niet zitten. De eerste keer dat ik er bij mijn vader over was begonnen, extra geld voor kleding voor mij, was-ie helemaal geflipt. Of die lul van een vent daar in Zandvoort soms te beroerd was om voor mij te zorgen en kleren voor me te kopen, godgodverdegodgodgodverdegodver. Ik snapte mijn vader wel, stond aan zijn kant, vond het gênant dat ik op pad werd gestuurd om zijn portemonnee leeg te kloppen. Uiteindelijk kwamen mijn vader en moeder telefonisch overeen dat pa de alimentatie wat op zou schroeven en dan verder geen gezeur meer. Hij zou het regelen met meneer Burgstra, die zijn geldzaken beheerde sinds ons vertrek naar Zandvoort. Voorlopig was er weer even wapenstilstand.
*
Er waren geldzorgen. De flat was toch wel duur. Er was net een nieuwe, grotere auto op afbetaling gekocht. Van Zandvoort naar naar Mariënhave in Warmond heen en weer was toch nog steeds erg veel benzine elke dag. De alimentatie die mijn stiefvader aan zijn ex-vrouw moest betalen loog er ook niet om. En de alimentatie voor mij was juist te weinig. Er moest iets gebeuren.
In Aerdenhout zocht de Stichting Gezinszorg Kennemerland Zuid een net echtpaar dat als concierges boven het kantoor wilde wonen. Alle kantoren moesten wekelijks worden schoongemaakt en allerlei klussen in en om het pand hoorden er ook bij. Gras maaien, bladeren vegen, kleine reparaties, dat soort dingen. In ruil voor die diensten mocht het nette echtpaar gratis en voor niets wonen op de zolderétage.
Op een zondag gingen we op spionage. In de fonkelnieuwe Mitsubishi Galant van mijn stiefvader. Een grote, chique beige bak. Zijn trots. Die had-ie wel verdiend, legde-ie uit. Hij had al zó veel ellende meegemaakt in zijn leven, zo'n mooie auto kwam hem nu wel toe. Bovendien was hij een uitmuntend chauffeur. Dat bewees het Mitsubishi-speldje dat-ie trots op zijn stropdas droeg. Zo'n speldje kreeg je als je 25 jaar schadevrij had gereden. Omdat hij Mitsubishi reed toen hij deze fraaie mijlpaal bereikte, had Mitsubishi Nederland het genoegen gesmaakt om Klaas Akerboom met deze speld te decoreren voor 25 jaar geen ongelukken op de weg.
De witte villa van de Stichting was veel groter dan we hadden durven denken. Ik was er al heel vaak vlak langs gefietst, de Zandvoortselaan voerde immers ook door Aerdenhout, maar de villa aan de Van Lennepweg 1 was me nog nooit opgevallen omdat ze verscholen ging tussen forse bomen en struikpartijen.
De drie verdiepingen telden talloze kantoortjes en ramen. We waagden ons op het parkeerterrein naast het kantoor. Liepen een rondje om het gebouw heen. Achter de villa was een overdekte parkeerplek en een schuur. Een tuin, ruim genoeg om een balletje te kunnen trappen, omzoomde de halve omtrek van het gebouw. Mijn moeder was opgetogen, kirde van plezier en opwinding. In Aerdenhout woonden allen maar rijke stinkerds. In zo'n dure villa wilde ze ook wel wonen. En dan nog voor niks ook! Het was een buitenkansje. Klaas Akerboom keek nog eens peinzend omhoog, naar de bovenste étage, de concierge-woning. Er brandde geen licht, het was helemaal donker in de nok van het gebouw. Hij knikte. Ze moesten het maar doen, schrijven op de betrekking als concierges. Ze maakten vast een goede kans.
Het begon met losse droppen te regenen. We hadden genoeg gezien. De auto startte, draaide het parkeerterrein af, terug naar de Zandvoortselaan. Ik keek nog eens door de achterruit waar de druppels steeds harder op vielen. Ik tuurde naar de tuin. De donkere boomtoppen wiegden in de wind heel zachtjes van links naar rechts. De bomen schudden nee.
******
(wordt vervolgd)
******
dinsdag 11 juni 2013
Leeg
Seizoen
is voorbij
De velden zijn weer
leeg
Tribunes blijven
leeg
De schema`s keihard
leeg
Agenda wit en
leeg
Mijn hartje
nog zo vol
Ze zomert maar niet
leeg
De bomen schudden nee (deel 12 van 60)
Carola en ik zoenden een paar weken onder haar flat en soms ook bij haar thuis. Haar moeder vond het wel leuk dat haar dochter verkering had met zo'n aardige jongen als ik. Ik was van harte welkom om pannenkoeken te blijven eten. Pannenkoeken en zoenen, mijn geluk was compleet.
Ergens in de loop van die weken was het, dat de juf een langverwachte poging deed om ons seksuele voorlichting te geven. We hadden er reikhalzend naar uitgekeken. We konden niet wachten. Maar nu was het dan zo ver. Eindelijk zouden alles te weten komen van hét. Onze potige, ouwe juf met haar hese bromstem stak aarzelend van wal. 'Seks... ehm, dat is als pappa en mamma zo dicht mogelijk bij elkaar willen zijn...' Met ingehouden adem wachtten we op het vervolg. Achterin de klas werd gegiecheld. Toen was het stil. Er kwam niets meer. Dit was het. Van het zoenen met Caroline had ik veel meer opgestoken.
In de musical die we aan het eind van het jaar opvoerden voor de ouders, was ik de slager. Ik was bedacht met twee zinnen tekst. Verder af en toe over het podium paraderen als passant. Dat was alles. Ik voelde me miskend. Als gelouterd misdienaar kon ik toch veel meer aan dat zo'n klein rotrolletje?
Mijn moeder zat die avond in de zaal, mijn stiefvader was zowaar ook meegekomen. Daar stond ik met mijn schamele twee zinnetjes, mijn witte schort voor en een met wasco onder mijn neus getekende snor.
Het schooljaar zat er nu op, ik was klaar met de Nicolaasschool. Voor mijn part gooiden ze er een bom op.
*
In de zomervakantie mocht ik een week bij Mark logeren. Het was heerlijk om weer in Amersfoort te zijn en een volle week lang met Mark te spelen, te voetballen en tv te kijken. Aansluitend ging ik een week met mijn vader naar Heerlen, logeren bij tante Daan en ome Kees. Ome Kees was al met pensioen, hij had meer dan veertig jaar in de mijnen gewerkt. Hij zat vrijwel de hele dag bij de radio in de keuken met koffie of een pilsje, in zijn bruine broek met roze overhemd en bretels. Voor zich op tafel had-ie de Duitse en Nederlandse totoformulieren en stapels kranten en voetbalbladen. Hij zat de hele week op zijn totovoorspellingen te puzzelen met statistieken, oude uitslagen, lijsten met geblesseerden en ga zo maar door. Je moest de toto niet te lichtzinnig opvatten, vond ome Kees.
Tante Daan en ome Kees hadden twee dochters, Gerdie en Jo. Ze waren allebei van de verkeerde kant. Ze werden wel gekscherend de zusjes Maywood genoemd. Maar die twee beroemde zussen woonden samen, en dat deden Gerdie en Jo niet.
Bijna elke dag nam Gerdie of Jo me wel mee op pad naar iets leuks. Paarden kijken, een dagje naar de stad in Geleen, of een kijkje nemen in het ziekenhuis waar Gerdie werkte. Jo was de lievelingsnicht van mijn vader: grof gebekt en liefhebster van een flinke pint. Dat vond mijn vader wel leuk. Ik vond Gerdie de liefste. Ze vertroeltelde me als een baby. Heerlijk hoe ze me toestopte voor het slapen gaan en me nog even over mijn hoofd of arm streek. Eén keer is Gerdie naast me gaan liggen en ben ik in haar armen in slaap gevallen. Warm en beschut.
Na twee weken onbekommerde zomerpret ging het weer terug. Ik zag ertegenop. Nog vier weken alleen met mijn moeder en stiefvader voordat het nieuwe schooljaar begon. De brugklas van het Haarlemse lyceum Sancta Maria.
Thuis viel het mee. Twee weken vakantie langs de Donau had de tortelduifjes goed gedaan. Mijn stiefvader was lang zo nors niet als normaal, maakte grapjes, deed verliefd naar mijn moeder. Ze hadden een plan gekregen in Oostenrijk: ze gingen trouwen. En ze lieten er geen gras over groeien, nog deze zomer moest het maar gebeuren. Het verbaasde me niet, ik was aan hun hoge tempo van beslissen gewend. Natuurlijk feliciteerde ik ze. Daarna gauw Carlo gebeld, afgesproken, en samen fietsten we naar strandtent van Carlo's vader.
Ook Carlo ging het proberen op Sancta Maria, net als nog twee klasgenootjes, Roger en Loes, de absolute studies en dus randfiguren van de zesde van de Nicolaasschool. De rest verdween naar LTS en huishoudschool, op een enkeling na die het op de MAVO mocht gaan proberen. Ik was blij dat ik in elk geval niet alleen op avontuur hoefde naar die grote school in Haarlem.
Terwijl ik op mijn kamertje bezig was met het kaften van de immense hoeveelheid schoolboeken die ik in de brugklas nodig zou hebben, trof het liefdespaar in de woonkamer de voorbereidingen voor hun huwelijk. Ze hadden het verrassend snel kunnen regelen op het Zandvoortse gemeentehuis. Het zou een sobere plechtigheid worden. Familie was niet welkom, een paar collega's van mijn stiefvader waren de getuigen en meer volk of drukte was niet nodig. Ik kocht twee speelgoedmedailles met een oranje lint voor ze, die zou ik ze opspelden op hun huwelijksdag.
'U hebt mij verzocht om de ceremonie kort te houden, want u weet allebei uit ervaring wel hoe het loopt' glimlachte de ambtenaar van de burgelijke stand. Bruid en bruidegom grijnsden naar elkaar. Zijn tweede huwelijk, haar derde alweer. De juffrouw van de gemeente verklaarde ze nu man en vrouw. Klein applausje van het tiental aanwezigen, daarna op naar de koffie met gebak bij ons in de flat.
Tussen het handjevol gasten in de flat zat een aardige man, die met vriendelijke en zachte stem sprak. Een arts uit Mariënhave, van een afdeling waar mijn stiefvader vaak facilitair in de weer was. De arts was heel anders dan mijn rauwe stiefvader en zijn luidruchtige kameraad Dick, met wie hij alles samen deed in Mariënhave. Hij vroeg naar hoe het op school ging, of ik op sport zat en of ik hobby's had. Ik vertelde dat ik wel eens met een brief in de Donald Duck had gestaan. Nou, dat wilde-ie wel eens zien. Ik sprong op van mijn stoel om die bijzondere Donald Duck met mijn brief aan oom Donald erin uit mijn kamer te gaan halen. Toen ik weer terug de kamer in wilde lopen, hield mijn stiefvader mij tegen. Hij keek me strak aan. 'Niet altijd alle aandacht voor jou opeisen Nelis. Blijf jij maar mooi effe in je kamer.'
******
(wordt vervolgd)
******
Abonneren op:
Posts (Atom)
