zondag 13 januari 2013
Zij was een opblaaspop
Als het even kan, pik ik graag ieder seizoen weer lekker FC Utrecht - Ajax mee. Voor de hele stad Utrecht is dat altijd weer dé wedstrijd van het jaar, waar reikhalzend naar wordt uitgekeken, en die al net zo intens wordt beleefd.
En, wederom als het even kan: ik neem dan altijd graag een voetballiefhebber mee die dit nog nooit eerder mee heeft gemaakt, en zich daar dan heerlijk aan vergapen kan.
Vorig seizoen had ik mijn goede popvriend Chiel meegesleept, in het dagelijks leven tanelijk fanatiek Ajax-aanhanger. Hij ligt nu nóg aan de zuurstof van de adembenemende 6-4 nederlaag die zijn dolende Godenzonen toen voor de kiezen kregen.
Dit seizoen was mijn Duitse zwager Martin aan de beurt. Opgedraaid door mijn spannende verhalen vooraf zat hij al op het puntje van zijn stoel toen de bal nog moest gaan rollen.
Hij zag een eerste helft waarin Utrecht compleet onder de voet werd gelopen door de Amsterdammers, die tal van opgelegde kansen creërden maar er net zoveel om zeep hielpen. Toch had Martin, met al zijn voetbalkennis, al na een half uur door dat deze eenzijdige belegering uiteindelijk niets op zou leveren, terwijl hij ook de onmacht van de Domstedelingen haarfijn in de smiezen had: "Das wird hier ganz bestimmt ein 0:0".
Martin was aangenaam verbaasd over de loyale toewijding van de thuisfans aan hun ploeterende favorieten en lanceerde bij het bestuderen van de Utrechtse supporters nog een paar andere rake observaties: "Ich glaube, Hauptsache hier ist nicht verlieren". Dat had-ie heel goed in de peiling. Niet verliezen van Ajax telt als een zege in Utrecht. En vandaag niet verslagen worden, zou betekenen dat FC Utrecht al voor de zesde achtereenvolgende keer een competitiewedstrijd niet verloor van Ajax.
Maar ook zei Martin, en dat kwam er wel wat smalend uit: "Die Fans hier sind wirklich mit Alles zufrieden..!" Tja, en ook dat was waar. Veel tegenhouden (doelman Robin Ruiter), beetje schaven en schoppen (toekomstig Oranje-klant Dave Bulthuis) en maar standvastig blijven sleuren (Jacob Mulenga) - beter dan dat werd het maar niet voor Utrecht, en toch werd na negentig minuten de behaalde brilstand op de tribunes gevierd met emotionele omhelzingen en vreugde-gehuil alsof zojuist de eerste landstitel sinds 1958 op het droge was getrokken. Zwager Martin was geamuseerd door dit alles, maar een tikkie merkwaardig vond-ie het allemaal wel.
Niet minder verbouwereerd was een aantal jaar geleden, om precies te zijn op 23 januari 2005, was mijn Duitse voetbalmaat Tom toen ik hem meenam naar de Utrechts-Amsterdamse clash van dat seizoen. Het was in de tijd dat stadionbezoekers pamfletten kregen uitgedeeld met daarop allerlei expliciete woorden en spreuken die met nadruk verboden waren om te worden gescandeerd of gezongen - op straffe van een hoop ellende voor de club. Wat er in die opsomming kennelijk niet tussen stond, was het woordloze gesis dat enkele malen uit de Bunnik-side opsteeg. Tom trok helemaal bleek weg toen hij doorkreeg waar hiermee aan gerefereerd werd: de gaskamers uit de vernietigingskampen van WOII. Hij was oprecht geschokt en dacht op dat moment dat hij in een stadions vol keiharde nazi-sympathisanten was terecht gekomen. De Ajax-fans aan de andere zijde zongen als antwoord op de duistere sisserij welgemutst van "Ajax-joden, superjoden, hey!, hey! " en ja, ook dàt is best moeilijk uit te leggen aan een historisch bewuste en politiek correcte, in-en-in keurige Duitse jongeman - dat we het in Nederland allemaal nou ook weer niet zó erstig menen als het op hem overkomt.
Gelukkig viel er tenslotte ook nog wel wat voor Tom te lachen, en daarvoor kom ik nog even terug op dat eerder genoemde lijstje met wat er wel niet mocht op het gebied van spreekkoren. Zo mocht er niemand meer voor hoer worden uitgemaakt, iets wat nog wel eens gebeurde met vooral moeders van arbiters en/of spelers.
Sylvie Meis, op dat moment sinds een tijdje de geliefde van Rafael van der Vaart, had het eerder al moeten ontgelden in diverse stadions, waar zij werd besmeurd met de beschuldiging dat zij "de hoer van Amsterdam" was.
Welnu, iets met hoer, dat mocht dus niet meer.
De Utrechtse aanhang had hierop een opblaaspop ter hand genomen, op haar rug heel groot SYLVIE gestift, en deze plastic belediging ging de volle negentig minuten het hele stadion door, over de hoofden heen doorgegeven, onder het luid gebrulde "Sylvie is een opblaaspop, Sylvie is een opblaaspop".
Hier kon Tom dan nog wel een beetje om lachen, deze ludieke omzeiling van verboden vuilspuiterij. Maar het werkelijk begrijpen of invoelen van al die moeilijke Utrechtse gevoelens tegenover Ajax, een mooie ploeg toch in de ogen van de meeste oosterburen - nee, dat zat en dat zit er toch echt niet in.
FC Utrecht - Ajax, 23 december 2012: 0-0, Eredivisie. Toeschouwers: 18.500
dinsdag 8 januari 2013
Ik wil contact
Ik kom intussen met enige regelmaat bij NEC kijken en het is opvallend hoe snel je de vaste patronen rond zo’n wedstrijd in je systeem opneemt. Ik ben er deze keer met het gezellige ADO-span Iwan en Inge, ware voetbalgenieters die ook graag eens een wedstrijdvorkje buiten de eigen Haagse deur meeprikken. Ik neem ze bij de hand rondom en in de Goffert. Vooraf even mijn goede contact bij de viskraam showen, vervolgens naar het piepkleine fanshopje, en dan kalmpjes door naar vak Z. Alsof ik daar al decennia lang mijn eigen kuipstoeltje heb. Geroutineerd wijs ik waar de fanatieke aanhang zit, en vraag ik vooraf alvast aandacht voor het vaste slotlied van de pauze: Al mot ik krupe, dat traditioneel wordt uitgezongen door de fans, als de plaat allang gestorven is. Lekker gevoel is dat, gastheer zijn in een stadion dat je zelf nog niet eens zo heel lang geleden zelf nog moest ontdekken.
We zien een vrolijke pot voetbal, het spel golft op en neer en Melvin Platje steelt op koddige wijze een doelpunt van Utrecht-goalie Robbin Ruiter, die net als een week eerder Piet Velthuizen even niet goed uit zijn doppen kijkt. Het is zo’n moment waarvan je nu al zeker weet dat die het jaaroverzicht van de Eredivisie zal gaan halen. Leuk – dat je kunt zeggen: ja ja mensen, daar was ik bij hoor. En we zaten precies achter dat doel waar het gebeurde, ook dat nog.
In het herentoilet, als ik me tegen de plaswand te buiten ga, valt me vandaag voor het eerst op dat fijne watersproeiertjes op borsthoogte niet alleen zorgen voor constante bewatering van de plaswand, maar ook voor vernevelde luchtstroompjes met een geurmengeling van fris water en klef mannenvlees. Een barre sensatie. Ik voel dat ik een vies gezicht trek. Moderne techniek is lang niet alles, gadverdamme nee!
******************** Enkele weekenden later ga ik op cadeautjesjacht voor Kerstmis, en pak mij stevig in met onder meer mijn NEC-sjawl. Dat doe ik al dit hele najaar. Voelt goed. Beetje binding met de omgeving. En: komt goed aan.
Ik fiets eerst naar het winkelpleintje bij ons in de buurt, voor een paar kleine aankopen. Daar loop ik pardoes die goeie lieverd van een visvrouw tegen het lijf – naast hun visstand bij het stadion hebben ze hier op het pleintje hun reguliere viswinkel. “Acccchhh Jeroen..!”, brengt ze met haar zachte G zoemend warm uit. Ik ben niet minder enthousiast haar weer te zien.
“Kom je v`naovond nog ne NEC, ze motte tege PSV?”, vraagt ze, koppie schuin.
“Nee... we krijgen bezoek...”
“Ach, jammer... wel laot hoor, ze beginne pas um kwart veur nege... is veur ons eige`lijk geen doen joh... wat motte wij nou doen, al die ure wachte, as de winkel dich is, to`dat et bij het stadion es begint... wel zwaor hoor, Jeroen...”
Het lijkt mij ook zwaar, en ik heb alle respect voor haar en haar man, keiharde viswerkers van dik in de zestig, en dat altijd met een gulle lach op hun snuit. Ik wens haar sterkte, en als altijd vooral ook: een goede omzet.
Vanaf het pleintje zoef ik naar het centrum, waar ik onder meer voor de taak sta een paar erg moeilijke geschenken voor mijn schoonvader te bemachtigen. Vooral zijn vage wens “chique sjawl, geen das, passend bij bleu” baart mij grote kommer.
Eerst echter naar good old V&D, alwaar ik op de damesafdeling hoop te slagen voor wat wij in huiselijke kring een Isabell Schmidt-mutsje noemen: een modieus omgedraaid smurf-hoofddekseltje. Na enig stuurloos gedraal begeef ik mij naar de klantenservice waar een kloeke schone blonde dame van rond de veertig mij hartelijk begroet, zich over haar toonbank buigt en zonder waarschuwen even zachtjes doch kordaat aan de uiteinden mijn slajwtje trekt.
”Ik hoop wel dat ze vanavond winnen hoor, meneer... anders zit ik de rest van het weekend met twee straalchagrijnige mannen thuis...”
Ze lacht haar tanden bloot en vraagt waarmee ze mij van dienst kan zijn. (Nou... even dwalen mijn gedachten af naar die twee knorrepotten bij haar thuis... kan mij daar werkelijk niets bij voorstellen...). Dan gaat het, op aanwijzingen van de struise blonde schoonheid met hart voor NEC-mannen, verder op mutsjesjacht – de assecoiresafdeling biedt soelaas. Ik ben blij: gescoord!
Dan komt de kwestie-sjawl-bij-bleu aan de orde. Ik dool wat door de C&A, zucht door de HEMA en moet dan langzamerhand toch wel dringend pissen. De H&M is daarom mijn laatste hoop voor knappen. Bij de herenafdeling begint het al goed als de jongedame achter de kassa blij zegt, blikkend op mijn NEC-sjawl: “Ha, goed volk!”
Minder goed komen we eruit als het gaat om de sjawl waar schoonpaps zo naar langt.
“Ik haal er even mijn mannelijke collega bij, meneer, die weet wel raad.”
En of haar mannelijke collega dat weet – als hij in mij zijn gelijke gespiegeld ziet als toegewijd NEC-fan, geeft hij alles voor de juiste match met bleu.
Tussendoor bezingt hij zijn liefde voor zijn Nijmeegse club, die hij als jochie nog heeft zien degraderen naar Eerste Divisie - een echte hardliner dus – en die hij altijd intens lief heeft gehad, en nog altijd trouw bezoekt bij iedere thuiswedstrijd.
“Ik begrijp er niks van man... ze staan gewoon keurig zevende, en iedereen maar zeiken nu we een keer bij RKC verliezen... alsof dat zo’n schande is...”
Hij heeft helemaal gelijk, mijn fijne verkoper, die mij op nonchalante wijze raak naar een grijze nichtensjawl leidt die perfect past bij het bleu waar mijn schoonvader zo om verlegen zit.
Dit is een hele echte fan, en kenner ook, die niet geleid wordt door de waan van de dag, en donders goed weet dat je in je handjes moet klappen van plezier als je zevende staat met NEC.
Hij zwaait me uit, met in zijn ogen al de wedstrijdspanning van straks.
“Tot straks man!”, sist hij me toe, en balt een vuistje.
Ik durf niet te zeggen dat ik niet kan omdat wij bezoek krijgen. Ik bal een vuistje terug. Boks!
Dan stap ik op mijn fiets, voorzichtig met mij knalvolle blaas, en vang te trappen aan. Murmel flarden van opper-Nijmegenaar Frank Boeijen: Ik wil contact... tussen jou en mij... ik wil contact... laten we eerlijk zijn...
Gewoon een NEC-sjawl omdoen in Nijmegen, Frank, dan komt dat wel goed. ****************** NEC – FC Utrecht, 24 november 2012: 2-0 (2-0), Eredivisie. Toeschouwers: 12.350
Labels:
FC Utrecht,
Frank Boeijen,
Isabell Schmidt,
NEC,
Robbin Ruiter
zondag 9 december 2012
Drie legendes
Op 23 november stond Abe van den Ban in het middelpunt van de belangstelling in het Haarlem-stadion (zie ook een eerder blog van mij), maar Abe was bepaalde niet de enige voetbalprominent die in het wild te zien was die dag.
Voor mijn cameraatje zag ik een mooi onderonsje gaande tussen drie voormalige topspitsen, die alledrie een verleden hebben bij mijn cluppie Haarlem.
Ik overwon mijn schroom en vroeg, van links naar rechts, Johnny Rep, Joop Böckling en Piet Keur om even naar het vogeltje te kijken.
Mooi om te zien hoe verschillend ze zijn in hun uitstraling: de wat gekweld ogende Rep naast de ijdele good-looking Böckling, met naast hem weer de laconieke Keur.
"Drie Haarlem-legendes op een rij! Dank jullie wel, mannen!"
De heren voetbalgoden grijnsden woordloos terug.
Achter mij snoof mijn trouwe Haarlem-maat JJ verontwaadigd. Hij was het er totaal niet mee eens dat ik de heer Rep tot de Haarlem-legendes waagde te rekenen.
"Poe. Vijf wedstrijdjes voor Haarlem. Stelt niks voor!"
Demonstratief kiekte JJ het duo Böckling-Keur, daarbij de tweevoudig WK-finalist Rep volstrekt negerend.
Ja, jeetje... ergens heeft JJ wel gelijk.
Na Böckling en Keur komt er natuurlijk een hele tijd niets voor de ware Haarlem-fan. Of, als we het even puur bij spitsen houden, het moet good old Piet van den Berg zijn.
Maar ik ben er toch stiekem best trots op, dat de Man Met Het Gouden Pikkie het korenblauwe shirt van Haarlem ooit gedragen heeft!
(foto: Rißmann)
Labels:
Abe van den Ban,
Haarlem,
HFC Haarlem,
Johnny Rep,
Joop Böckling,
Piet Keur
In den ban van Abe
Slechts enkele weken nadat we met een heleboel Haarlem-suppoters, bloggers, journalisten en andere voetbalromantici de levende snor-legende Abe van den Ban in het zonnetje hebben gezet in het vervallen Haarlem-stadion, kan ik nog altijd maar nauwelijks bevatten dat ik Hem weer terug heb gezien, en dan ook nog wel In Het Echt... Abe van den Ban!
Ik spreek van geluk dat ik Abe als jeugdige fan van de roodbroeken nog twee seizoenen heb zien schitteren op het middenveld van mijn Haarlemse favorieten. Voor dat schitteren moest je overigens wel oog hebben: Abe was geen man van spectaculaire pegels of omhalen, en ook al geen schopper of theatermaker. Veel meer was hij de strateeg die het middenrif met stille kracht controleerde, strooide met ragfijne steekballetjes, er op los stofzuigde alsof er niet al een Willy van de Kerkhof bestond, en continue in beweging leek te zijn.
Ik smaakte zelfs het bijzondere genoegen, een doelpunt van de zelden scorende Abe live mee te mogen maken:in de thuiswedstrijd tegen Helmond Sport op 3 september 1980. Het werd die dag uiteindelijk 3-1 voor mijn helden, en naast Abe troffen ook Ruud Gullit en Jopie Böckling doel.
Ik herinner mij de goal van Abe als zodanig eerlijk gezegd niet meer - wel zie ik nog scherp voor me hoe hij als een magneet een kluit jubelende teamgenoten naar zich toe leek te zuigen. Volgens mij was de hele ploeg hartstikke blij dat de ultieme teamspeler Abe er eindelijk zelf ook weer eens eentje had mogen maken!
Ruim dertig jaar later lijkt Abe van den Ban zowel gevleid alsook verbaasd over zoveel aandacht en verering voor zijn persoontje. Herhaaldelijk wordt verwezen naar zijn legendarische snor, die hem inderdaad een ongekende beroemheid heeft bezorgd in de voetbalwereld, tot zelfs heel ver over onze grenzen.
Ook ik viel als voetbalplaatjes sparend jochie als een blok voor zijn betoverende looks, maar zeker ook vereerde ik Abe van den Ban voor zijn lepe spel en zijn grote opofferingsgezindheid.
De eer van een hele middag rondom Abe kwam hem volledig toe, en ik genoot van het plezier dat hij er in had.
Ik was te bleu om Abe om een handtekening te durven vragen, maar wat geheel onverwacht wél lukte, was een klein eerbetoon brengen aan de maestro, toen de eerste vraag werd gesteld in een quiz over de carrière van Abe.
De quizmasters daagden de eivolle kantine van Haarlem uit, zoveel mogelijk spelers op te noemen, waarmee Abe in zijn profloopbaan samen had gespeeld.
Geroezemoes alom, maar niemand riep een getal. Dan ik maar, dacht ik, en in een flits woog ik de keuze tussen twintig of dertig brullen. Allebei geen probleem voor me, twintig of dertig oud-ploeggenoten van Abe, maar ik besloot bescheiden eerst tot: "Twintig!"
Het geroezemoes sloeg om in een soort "Oooeeehhh...", dat kan opstijgen als iemand in een geanimeerd gezelschap wat gewaagds roept. Gewaagd dus, was het blijkbaar volgens deze kantine vol voetbalbollebozen - niemand durfde een tegenbod uit te brengen.
" Nou, kom maar naar voren meneer", gebaarde de geamuseerde quizmaster, en zo stond ik daar ineens pardoes vooraan, vlakbij Abe Himself, die ging beoordelen of ik twintig juiste oude voetbalmaten van hem op ging sommen.
Tot merkbare verbazing van Abe lepelde ik de ene na de andere juiste naam op uit zijn jaren bij FC Amsterdam en Haarlem, toebehorend aan veelal vergeten idolen als Theo Cornwall, Frits Flinkevleugel, Eef Melgers en Paul de Jong.
Lekker langzaam als Zwarte Kip drupten de namen uit mijn stalen voetbalgeheugen, en onder luide jubel bereikte ik de beloofde twintig.
Ik glunderde, blij dat ik Abe had kunnen tonen hoe goed ik opgelet had tijdens zijn fraaie loopbaan. Maar ook omdat nu eindelijk eens bewezen was, dat al die nutteloze voetbalkennis in mij bij nader inzien tóch heel nuttig wezen kon!
(met dank aan Jan-Jaap van den Berg voor het checken van de juiste data van Haarlem - Helmond Sport)
Amsterdam huilt

Het gebeurt niet zo vaak, dat ik in de ArenA kom, maar áls ik er ben dan is het in de regel ook wel gelijk feest. Twee seizoenen terug heeft mijn trouwe vriendin Véronique mij gevraagd om als chaperon van haar dochter Karin mee te gaan naar de kansloze missie van Ajax tegen Real Madrid, en ik wilde dat lieve kind natuurlijk niet teleurstellen. Jongens, wat heb ik die avond zitten smullen van het swingende combo uit Madrid, en dan met name van de zo vaak verguisde Christiano Ronaldo. Kuifje uit Portugal verblufte mij met zijn explosieve sprints, waarmee hij de Mokumse tegenstanders als een raket rap meters achter zich liet. Nog betoverender was mijn kersverse idool als hij even met zijn heupen schudde: niet alleen leidde dat tot opgewonden gekir van Karin naast mij (naast Ajax-adept is ze ook heel dol op meneer Ronaldo) - ook onder de Ajacieden op het veld ontstond grote verwarring alom. Vooral die ene keer: Ronaldo stond stil, voetje op de bal. Dan: een flits vanuit de heupen, in stilstand. Twee Aacieden vallen verbijsterd achterover in het gras, terwijl de andere twee gezwind naar links en rechts wegspurten, in de kennelijke veronderstelling dat Ronaldo die kant op zal gaan. De kunstenaar maakt echter nog een fractie van een seconde roerloos pas op de plaats, om daarna simpelweg kaarsrecht door te steken, richting het Amsterdamse doel. Bovenmenselijk. Het werd die avond 0-4, Real deed het kalmpjes aan en pakte ook nog expres twee rode kaarten om onbelast de kwartfinales in te gaan. Ik zag het nonchalante machtvertoon van de Spaanse tovenaars aan, met naast mij een huilende Karin, verdrietig zwaaiend met haar Ajax-vlaggetje. Zoiets vergeet ik nooit meer. Twee jaar nadien was het nu op initiatief van mijn manager Toon, dat ik weer eens naar de hoofdstad toog voor een pittig potje in de Europacup. Het ging deze avond tegen de Duitse kampioen Borussia Dortmund, de BVB zogezegd, onder leiding van de door mij intens aanbeden wondertrainer Jürgen Klopp. Er was op voorhand alle reden om de schitterende BVB-voetbalmachine te vrezen, maar vooruit: Ajax stond er in de poule eigenlijk best aardig voor en speelde bovendien thuis. Het enthousiasme van Toon, die blaakte van goede zin en gezonde wedstrijdzenuwen, werkte aanstekelijk - ik raakte helemaal met hem mee in de ban terwijl we op de grauwe en sfeerloze ArenA Boulevard tevergeefs zochten naar een plekje waar we even konden neerstrijken om een hapje te eten. Een uurtje rondslenteren later was het dan zo ver: André Rieu dirigeerde een vrolijk potje vendelzwaaien op de tribunes, en weldra werd er afgetrapt. Spijtig voor Toon en al die andere Ajacieden om ons heen: alle opwinding werd al vlot in de wedstrijd de nek omgedraaid door de lustig en rustig tikkende mannen van maestro Klopp, die zoals te doen gebruikelijk als een dolleman stond te wijzen, wegwerpgebaren maken en woest gesticuleren richting allerhande officials. We konden hem goed volgen, de imposante vlerk in zijn coachvak, bijna recht voor ons. Het was een genot om te zien hoe scherp Kloppie bleef, ook nadat zijn pupillen de 0-3 er al in hadden gevoetbald. Hij blééf ze maar opjutten en bij de les houden. En terecht, als je het mij vraagt, want valt de 1-3 dan kan het nog zomaar eens gaan spoken in het Pannenkoekenhuis... Kortom: wat een fantastische fanaat, Jürgen Klopp. Pas nadat het ver na rust 0-4 was geworden, en daarmee het gevaar kennelijk definitief geweken, zeeg Klopp genoeglijk neer op de bank. Terwijl het Ajax-publiek haar verwende reputatie waarmaakte door vanaf de 0-3 massaal haar club in de steek te laten en mokkend het stadion uit te benen, bleef Toon naast mij doorzetten met vlammende aanmoedigingen voor zijn geliefde Godenzonen, hierbij geestdriftig klappend en opzwepende kreten en gebaren ten beste gevend. Hij werd er toch nog een beetje voor beloond, met een late eretreffer van Danny Hoesen. Toon glunderde ervan. Zoiets zie ik graag, oprechte en volledige toewijding voor een club - dat geeft de voetbalburger moed. Na afloop zwaaide Toon af in een stemming van goedmoedige teleurstelling - de ware fan. Ikzelf boog de andere kant op, via de ArenA Boulevard naar station Bijlmer, wadend door een deprimerende zee aan herfstbladeren, verroerd met weggesmeten plastic, glas en etensresten. Amsterdam huilde. Ajax - Borussia Dortmund, 21 november 2012: 1-4 (0-3), Champions League (groepsfase). Toeschouwers: 48.913 ****** (tekening Jürgen Klopp: Rißmann)
Labels:
Ajax,
ArenA,
Borussia Dortmund,
BVB,
Champions League,
Christiano Ronaldo,
Jürgen Klopp
der Kommerz
Adje had me zo halfjes nog wel gevraagd of ik met hem mee wilde naar de friendly Nederland-Duitsland, maar ondanks dit aantrekkelijke affiche besloot ik toch maar te passen - Bruin kan het niet allemáál trekken tenslotte.
Wel een heerlijk makkelijk voetbaluitje voor Adje, zo bedacht ik me, want hij kon ontspannen op de fiets naar het stadion - de ArenA, die wij onderling overigens liever de Hamburgertent of het Pannenkoekenhuis noemen.
Voor de buis zat ik natuurlijk wel, want het is en blijft een heuse klassieker, als Nederland en Duitsland elkaar treffen.
Het werd een poepsaaie pot en daarmee een lange en moeilijke zit. En zo verloor ik mij al snel in bijzaken - iets wat mij toch al vlug gebeurt als ik voetbal kijk.
Naast de leuke bijzaak dat Kenneth Vermeer eindelijk en terecht debuteerde in Oranje (prachtig, dat gespannen koppie bij het volkslied), viel mijn oog al snel op de opmerkelijke aard van de wervende uitingen op de electronische reclame-borden. Want: daar zag ik een eindeloze stroom aan op Duitsland gerichte Werbung voorbij komen zeilen: Commerzbank, Bitburger, Würth, TV Movie, Engelbert Strauss, Fischer, Bauhaus, Mein Paket.de.
Dat is toch wel even slikken: Duitsland loopt niet alleen in het voetbal stelselmatig ver op ons voor - ook als het om ´ons´ terrein van de handel gaat, lopen ze ons tegenwoordig dus onder de voet.
Laten we maar snel een provincie van Duitsland worden, denk ik bekommerd, terwijl ik de buis uitdoe en bedrukt ter kooi ga.
zondag 4 november 2012
flessendiefstal Auf Schalke
In Duitsland is het een bekend verschijnsel: fans nemen graag een indrinkbiertje mee in bus, metro of tram, op weg naar het stadion. Je lege fles kun je vervolgens op iedere hoek van het stadionterrein kwijt aan gepensioneerden, werklozen en andere nooddruftigen, die het glaswerk gretig inzamelen om aldus een leuk centje aan statiegeld bijeen te scharen.
Zo ook op deze dinsdagavond in Gelsenkirchen, waar ik op de gezellige boulevard langs de oostzijde van de Veltins Arena wacht op Peter, die wat vertraging heeft opgelopen en pakweg drie kwartier later dan mij zal aankomen.
Ik zoek een wat hoger gelegen plekje op, waar ik als een adelaar de boel kan overzien. Een prachtig gezicht: vrolijk koutende fans sjokken langs, iets verderop valt te zien hoe geordend het toegaat op een parkeerterrein, dat zich volgens een voorgegeven structuur gestaag vult met dinky toys.
Het krioelt nogal van de flessenverzamelaars, zo merk ik – hun bedrijvigheid is hier, dicht bij de toegangspoorten, duchtig te noemen. Opvallend is het grote verschil in aanpak van de statiegeldjagers: ik zie scharrelaars met slechts een enkel gewoon plastic tasje, meer hebberigen met twee of drie zwaardere boodschappentassen, en als uitschieter een groot denkende man met twee winkelwagentjes plus op enkele andere strategische plekken (bij vuilnisbakken) opengestelde boodschappentassen. De forsgebouwde man beent kordaat op bierdrinkers af, die hij niet zelden sommeert om vlot hun fles leeg te drinken, zodat hij die in kan nemen. Dat doen de meesten braaf, en ondertussen zetten vele anderen hun lege hulsels uit eigen beweging in zijn karretjes of tassen. Want Duitsers vormen een relatief milieubewust volkje, dat het fijn vindt als afval netjes wordt gerecycled.
Zoals dat ook is met verkopers van straatkranten, de brutaalsten krijgen de meeste omzet, zo is dat ook met deze doortastende bolle heer. Ik vraag mij een tikje bezorgd af hoe hij zijn enorme glasberg straks af wil voeren. Hijzelf lijkt daar niet mee te zitten: ijverig gaat hij van karretje naar tas, van tas naar volgende tas, dan weer af op passerende leveranciers. Tussendoor kijkt hij vorsend in iedere afvalbak die hier in de buurt staat, roert door de zooi daarin en trekt er af en toe een zojuist gedropt flesje uit.
De concurrentie slaapt echter niet: ze sluipt kruislings tussen zijn looplijnen door. Schuchter loeren ze op de restprooien die de overheersende grootverdiener over het hoofd ziet. Het is bij vlagen ontluisterend wat ik zie. Het ene moment werpt een supporter een volgetoeterd servet of zakdoekje in een prullenkorf – het volgende moment komt de ene na de andere gegadigde gluren en graaien in al die vieze prut, hopend op een 33-centilitertje van 8 cent inruilwaarde. Met je handen vol snot en mayo naar huis, en dat voor soms maar een schamel eurootje vangst in totaal – ik vind het gewoon verdrietig.
Iets minder treurig, want bijna zwarte humor, is wat ik plots de enige vrouw onder de jagers zie doen. Deze bejaarde dame, die er met haar glimmende oorbellen eigenlijk helemaal niet zo armoedig uitziet, heeft het lange tijd zwaar met oogsten. Telkens komt ze nét te laat, haar tasje bevat hooguit enkele glaswerkjes en klingelt nauwelijks. Maar dan komt het: ze staart de verbeten rondcirkelende dikkerd een tijdje na, en als hij met zijn rug naar haar heel kort in gesprek raakt met wat Schalke-liefhebbers, slaat ze toe: twee flessen joept ze kordaat uit één van zijn goedgevulde tassen. Ik lach stilletjes. Ik vind het wel mooi. Goed zo, moedertje.
Dan stommelt ze weer verder, van bak naar bak. En Dikkie Dik, die heeft er niets van gemerkt. ***
FC Schalke 04 – SV Sandhausen, 30 oktober 2012: 3-0 (1-0), 2. Hauptrunde DFB-Pokal. Toeschouwers: 52.970.
Labels:
Auf Schalke,
DFB-Pokal,
FC Schalke 04,
SV Sandhausen
Abonneren op:
Posts (Atom)







