maandag 10 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 11 van 60)
Tussen mij en mijn stiefvader nam de spanning toe. Ik hoorde hem, met mijn oor tegen mijn kamerdeur, bij mijn moeder over me klagen. 'Dat stiekeme jong regelt alles met jou. Ik word overal buiten gehouden.' Sussende woorden van mijn moeder. 'En hij krijgt ook nog altijd het grootste stuk vlees.' Dat was mij nog niet opgevallen. Maar het deed me plezier dat te horen. Net goed!
Mijn moeder praatte op de volgende dag op me in toen ik uit school terug kwam. 'Ome Klaas vindt je zo stug en afstandelijk. En hij bedoelt het zo goed met je. Kun je niet wat aardiger voor hem zijn? Gewoon af en toe vragen hoe het op z'n werk was en zo. Okee?' Ik beloofde het.
Bij Zandvoort '75 voelde ik me nu helemaal op mijn gemak. Ik genoot van de trainingen van ome Gijs. Geen domme rondjes lopen en opdrukken zoals bij Amerfoortste Boys, maar alles met de bal, alles op techniek. Met links en met rechts liet-ie ons werken, niet alleen je goeie been. Gonzend van voetbalhonger oefende ik mijn zwakkere linkerbeen ook thuis voor de flat tegen een schuurdeur eindeloos met een tennisballetje. Afgewisseld met hooghouden, links, rechts, links, rechts. Na het eten oefende ik op mijn kamer met een stuiterbal mijn reflexen. Op mijn kont zat ik voor mijn opklapbed, het doel. Via de grond gooide ik de stuiterbal tegen de muur en de terugspringende kleine bal ving ik of tikte ik met handen of voeten weg. In de C1 was ik vaste waarde geworden. Ik vrat de spitsen van de tegenstanders op met huid en haar. Zelden kwam er eentje aan scoren toe. We draaiden goed, we waren sterk. Ik was fier. We zouden dat seizoen tweede worden.
Voetbal op tv zat er meestal niet in. Daar hield mijn stiefvader niet van. 'Tweeëntwintig gekken die achter een bal aanrennen. Er als er eentje de bal eindelijk de bal heeft dan geeft-ie 'm weer een rotschop en dan rennen ze er weer alle tweeëntwintig achteraan.' Ik zat sowieso niet graag in de woonkamer als hij er was. Dus redde ik me met Langs de Lijn op mijn transistorradiootje.
Ik had geluk toen Pim na lang aarzelen een keer een weekend naar Zandvoort kwam. Het was een van de zeldzame keren dat we überhaupt bezoek kregen. Ik was erg blij mijn broer eindelijk weer 's te zien. Hij woonde intussen niet meer bij zijn hospita op kamers. Dat had-ie na een paar maanden wel bekeken, dat rare mens. Ze was begin veertig, alleenstaand en ze had het op mijn broer voorzien. Ze banjerde in een doorschijnende jurk door het huis, stapte met blote borsten zogenaamd per ongeluk niet de badkamer, maar zijn kamer in. Hij kreeg 't er Spaans benauwd van. Gelukkig kon-ie een flatje krijgen in Schothorst. Op de muur in zijn woonkamer schilderde hij met hulp van Joop een hele grote, half openstaande rits. Die rits was symbolisch, legde-ie uit, iets met geslotenheid en eenzaamheid. Ik was trots op mijn kunstzinnige broer.
Het weekend liep stroef. Mijn stiefvader had het hoogste woord, mijn moeder lachte maar wat mee en Pim knikte, hmm-de en zweeg verder. Hij was blij toen ik hem voorstelde om samen monopoly te spelen. 'Zo. Ben ik mooi effe van al dat oeverloze gelul van die vent af.'
'Ik weet nog wel wat leuks, voor morgen.'
'Wat dan?'
'Zullen we naar Haarlem-Feyenoord gaan? Dat is niet ver van hier en ze spelen morgen.'
Pim dacht even na. Dat gedrang in zo'n stadion trok hem niet zo. Maar het brak de dag wel mooi, de hele dag hier met die ouwelui zitten was ook niet alles.
'Okee dan jochie, dat doen we.'
Ik kon bijna niet slapen van opwinding. Ik was al met mijn vader al vaak naar SC Amersfoort geweest, een keertje naar FC Utrecht en zelfs een keer naar Roda JC, toen we logeerden bij tante Daan en ome Kees. Nu gingen we dus naar Haarlem, ik was heel benieuwd hoe het daar zou zijn.
Met Pim`s Honda Civic reden we naar Haarlem, zochten en vonden het stadion en konden er tot onze verbazing dichtbij parkeren. We waren keurig op tijd, hoefden niet lang voor onze kaartjes in de rij te staan. We gingen op de westtibune tegen het hek aan staan. We stonden met onze neus vlakbij het doel waar Haarlem-keeper Rob Boersma werd ingeschoten.
Het was een zonnige dag. De stadionvlaggen wapperden, hoog boven het veld cirkelden tientallen meeuwen. De tribunes stroomden vol en de wedstrijd begon. Haarlem had geen schijn van kans tegen Feyenoord. Alleen de Haarlem-spelers Wim Balm en Ruud Gullit konden aardig opboksen tegen de gasten uit Rotterdam. Grootste attractie op het veld was Haarlems middenvelder Abe van den Ban, die in het echt net zo'n fraaie grote siersnor droeg als op de voetbalplaatjes. Het eindigde in 0-2 voor Feyenoord, maar het had nog wel erger af kunnen lopen. Het publiek druppelde murmelend het stadion uit. Er viel geen onvertogen woord. De mensen hadden zelfs voor de spelers geklapt na afloop. Dat was toch wel anders dan bij SC Amersfoort. Dan begonnen ze bij de 0-1 al massaal boe en geld terug te roepen. Hier in Haarlem was het anders. Beschaafd en ontspannen. Het beviel me wel.
Willem bleef nog bij ons eten en smeerde 'm daarna. Ik was weer alleen met die twee.
*
Het schooljaar liep langzaam op z'n einde. Mijn moeder en ik werden bij de juf ontboden voor een schooladvies. 'Nou' zei de juf, en daarbij keek ze me vorsend aan, 'eigenlijk zou ik LTS willen zeggen, maar al te handig is-ie ook al niet. Dan wordt wordt 't MAVO. Maar dan zal-ie héél hard moeten werken.' Mijn moeder zette grote ogen op. 'In Amersfoort zeiden ze altijd dat Jeroen zeker naar de HAVO of het Atheneum kan.'
'Doe wat u niet laten kunt' glimlachte de juf en ze haalde haar schouders op.
In de klas was ik een beetje bevriend geraakt met een paar meisjes. Christie, Paula en Carola. Carola had sluik blond haar, sproeten en een buitenboordbeugel. Die stond haar prachtig. Ze kon 'm goed hebben, die beugel. Haar bruinleren jack stond haar stoer, dat maakte het plaatje helemaal af. Ik was smoorverliefd op haar. Op een woensdagmiddag kwam mijn kans. Na school bleven we met z'n viertjes nog een halfuurtje nakletsen. De hele school ging over de tong, de ene jongen was nog lelijker dan de ander en het ene meisje nog stommer dan de ander. Wij troffen het maar met elkaar, temidden van zoveel afschuwelijke kinderen om ons heen. Paula ging naar huis, die woonde niet in Noord. Carola en ik gingen de andere kant op, naar de flats in Noord. Christie kwam nog even mee. Hoffelijk liep ik mee tot Carola´s flat, die een paar honderd meter verder lag dan de onze in de Lorentzstraat. Christie stelde grijnzend voor om in de gangen onder de flat, waar de schuren zaten, nog even wat verder te kletsen. Ze had gezien wat er liep, hoe de kaarten lagen, en nu arrangeerde ze een kusplek voor mij en Carola. 'Ik ben met een paar minuten terug.'
In het donker van het ondergrondse van de flat keek Carola me dromerig aan. We zeiden niets. Ze leunde tegen de muur, reikte met haar hand. Ze klipte haar beugel af. Heel voorzichtig kwam ik dichterbij. Ze trok me tegen zich aan en drukte haar mond op de mijne. Haar tong was van honing. Ik steeg op naar een wolk waar ik de eerstkomende jaren niet meer van af wilde komen. Ook niet toen Christie zich weer meldde, mij aan mijn arm schudde en licht geïrriteerd zei dat het zo wel genoeg was.
******
(wordt vervolgd)
******
zondag 9 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 10 van 60)
De allerrauwste klanten op school waren de kinderen van het kamp. Bij ons in de klas zat Josje. Ze was groot, imposant en had lang vuurrood haar en sproeten. Ze zei bijna niets en deed ook niets. Ze zat haar tijd op de Nicolaasschool uit als een gevangenisstraf. Ze kon urenlang met een bevroren blik vol woede voor zich uitkijken, de armen gekruist. De juf probeerde af en toe om Josje ergens bij te betrekken, haar aan de gang te krijgen. De juf was daarbij zelf ook niet de fijngevoeligste, met haar schuurpapieren mannenstem deelde ze doorlopend beledigingen links en rechts uit. Op een regenachtige ochtend trok ze fel van leer tegen 'die vervelende zigeuners' van het kamp. Josje blafte 'kutwijf' terug. De rapen waren gaar. Josje stoof naar huis, haar vader kwam direct verhaal halen. Onze onverschrokken juf, van wie verhalen gingen dat ze menig lastig vader bij kop en kont de school uit had gesmeten, kreeg nu een pistool onder haar neus gedrukt. Het gebeurde allemaal op de gang. De bangerds van onze klas bleven stokstijf in hun bankje zitten, de dapperen renden naar de ramen aan de gangkant en drukten hun neus er zo dicht mogelijk tegenaan. Josje´s vader stond dreigend dicht bij de juf, een beetje voorovergebogen. Hij keek wat lodderig uit zijn ogen, onder zijn zwarte snor hing zijn mond open. Hij ademde zwaar, zei iets. Het pistool in zijn rechter hand was op de buik van de juf gericht, bewoog een beetje heen en weer in de zwevende hand van Josje´s vader. Juf had de armen halfweg geheven, nog onder haar schouders, praatte op de man in. Het leek uren te duren. Toen stopte Josje´s vader het pistool ineens tussen zijn broekriem, zwaaide vermanend met zijn wijsvinger, siste nog iets en draaide zich om. Traag en verdwaasd stapte juf de klas weer binnen. 'Even zitten hoor... we gaan zo weer verder.'
*
Eindelijk mocht ik weer naar mijn vader. Ik had hem een paar maanden niet gezien, alleen af en en toe gebeld. Mijn kon-ie niet bellen, we hadden een geheim nummer en dat mocht pa natuurlijk niet hebben. In de postbus kwamen elke week wel drie brieven of kaarten van hem voor mij. Ook een kaart met een afbeelding van een NS-trein van het type hondekop. Dat woord had mijn vader onderstreept. 'Voor pappa's hondekoppie' had-ie erbij geschreven. Dat was mijn koosnaampje, ik was zijn hondekoppie.
Ik ging op zaterdagmiddag naar hem toe en zondag weer terug. Met de auto brachten mijn moeder en stiefvader me naar station Haarlem. Mijn moeder kocht een weekendretourtje voor me. 'In Amsterdam moet je overstappen op de trein naar Amersfoort. Vraag maar aan een aardige conducteur waar die trein vertrekt.' Ik slikte. Als dat maar goed ging.
Op het perron zwaaide mijn moeder me na. Mijn stiefvader stond er roerloos naast, met uitgestreken smoel. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ging deze trein wel echt naar Amsterdam? Ik vroeg het een oudere mevrouw. Ja hoor, ik zat goed. Ook de conducteur, die de kaartjes kwam controleren, stelde me gerust. 'Op Amsterdam Centraal moet je naar spoor 10, daar komt jouw trein naar Amersfoort. Eerst komt zometeen nog Amsterdam Sloterdijk, en dan komt Centraal. Okee knul?' Ik knikte. Pakte snel een balpen uit mijn voetbaltas en schreef een grote 10 op mijn linker hand. Dan kon ik het niet vergeten. Dan moest het toch goed gaan. Toen we op Amsterdam Sloterdijk stopten, keek ik uit het raam op het vertrekbord dat boven het perron hing, Ja, het stond er op, deze trein ging Amsterdam Centraal. Maar wat nu als ze een fout hadden gemaakt? Als dit een verkeerd vertrekbord was?
In het gekrioel op Amsterdam Centraal raakte ik volledig in paniek. Waar was perron 10? Moest ik rennen om de trein te halen? Ik klampte een meneer in het blauw aan. Hij wees naar de borden die overal hingen, perron 10 was díe kant op. Ik wurmde me hijgend van spanning tussen de reizigersstroom door, vond spoor 10. De trein stond er. Maar was het de goede? Het vertrekbord zei van wel: hij ging langs heel veel verschillende stations, wel een stuk of tien, voordat Amersfoort aan de beurt kwam. Amersfoort stond vet gedrukt. Maar ja, wat nou als ze een fout hadden gemaakt? Dat we zomaar naar Maastricht of Den Bosch zouden rijden in plaats van Amersfoort? Ik schoot maar weer iemand in uniform aan. Het viel allemaal niet mee, dat reizen. Ook onderweg van Amsterdam naar Amersfoort bleef het vreselijk spannend. Bij ieder station, van Amsterdam Muiderpoort tot Baarn, hing ik weer uit het raam om te controleren of de machinist wel de juiste route reed. Pas toen we Baarn achter ons hadden gelaten en ik uit het raam hangend in verte de Lange Jan van Amersfoort op zag doemen, ontspande ik een beetje. Of... was het toch de Domtoren van Utrecht? Of straks bleek het wel de Lange Jan te zijn, maar sloeg de machinist station Amersfoort over...
Op het perron stond mijn vader al klaar in zijn crême-witte regenjas. Hij lachte breed naar me, met natte ogen achter zijn brilleglazen. 'Roentje...' Hij pufte korte pufjes, probeerde zich te beheersen, niet in huilen uit te barsten. Met mijn Amersfoortse Boys-tas in mijn ene hand en in mijn andere een in cadeaupapier gehuld pakje Van Nelle Export met Rizla rood liep ik met mijn vader via de stationshal naar de stadsbussen. Ik keek opgelucht om me heen op het stationsplein, zag de vertrouwde blauwe stadbussen van Nefkens. Ik was weer thuis.
In de bus naar het Soesterkwartier aaide mijn vader mij gedurig over mijn bol. Af en toe zuchtte hij smartelijk en keek me schuins met betraande ogen aan. Veel tekst had-ie niet. Dat lukte nog niet. Ik hoopte dat hij zich een beetje bij elkaar kon houden, vandaag en morgen.
In de Eikstraat was alles als vanouds. Zijn bemodderde Citroen 2CV Charleston stond voor de deur, de tuin was een oerwoud en binnen nog steeds dezelfde Spartaanse inrichting. In de woonkamer een bank, een bijzetafel en een stoel. Schemerlamp naast de bank om de krant te kunnen lezen. Aan de muur een huwelijkportret van een collega en diens bruid. Ze poseerden bij de trouwauto. Boven hun hoofden donkerblauwe lucht en een paar wolken. Verder een stoere foto van mij in vol ornaat op een kleine crossmotor. Een compleet crosspak, een knalgele helm, een stofbril en zwarte handschoenen. Naast de bank nog een klein tafeltje met de telefoon en een wekkerradio. Die stond nog aan. Vanzelfsprekend op een piratenzender. Achter de bank stond ongetwijfeld een fles jenever, buiten zicht. Ik zou een weekend lang net doen of ik dat niet in de gaten had. Af en toe zou mijn vader mij naar de keuken sturen voor iets lekkers of om koffie voor hem te maken. Dan kon-ie snel naar de fles grijpen en fluks een paar slokken nemen. In de keuken wachtte ik geduldig tot ik de dop weer op de fles hoorde schroeven. Dan een kort bonkje: fles tegen poot van de bank of tegen de muur. En vervolgens stapte ik met opgewarmde knakworstjes of een vers bakkie oploskoffie voor pa de woonkamer in alsof ik niks in de smiezen had. Dat ging prima zo.
In pappa's slaapkamer stond ook niet veel. Een tweepersoonsbed met een nachtkastje en een leeslamp, een kledingkast. Op en naast bed een zee van Het Bestes, Donald Ducks en Amersfoortse Couranten. Ik vond het te gek dat mijn vader nog altijd geabonneerd was op de Donald Duck. Zo had ik altijd wat te lezen als we niks meer te kletsen hadden of pa op de bank in slaap was gevallen. In Het Beste stond niet veel van mijn gading, behalve dan de moppen, anecdotes van lezers, en een quiz. In de Amersfoortse Courant keek ik even of er wat over Amersfoortse Boys of SC Amersfoort in stond en ik pakte natuurlijk de strips mee. Een enkele keer vond ik op het nachtkastje van mijn vader een folder van de Jehovah's Getuigen.
Het keukentje was klein en leeg. Een pannetje hier, een paar glazen daar. In de koelkast bier, melk, vleeswaren, een pot augurken, een pakje boter en een pul mosterd. Er was een halfje bruin, eitjes om te bakken. Huishouden van een man alleen.
Dit eerste weekend na de verhuizing gingen we nergens naartoe, hingen een beetje thuis. Uitgeput van alle emoties deed pa zaterdag het ene dutje na het andere. Ik vond het wel best, las Donald Ducks op bed. 's Avonds belde tante Pien, de favoriete zus van mijn vader. 'Adoe Denje!' galmde mijn vader door de lijn. Het was vooral tante Pien die aan het woord was. Mijn vader was al niet meer zo helder op dit uur van de dag, schommelde wat op de bank. Hield tijdens het telefoongesprek af en toe de hoorn een halve meter van zijn hoofd en stak zijn tong uit naar de hoorn. 'Pffffffffllrrt!' Aan de andere kant van de lijn vroeg tante Pien wat er aan de hand was. 'Niks Denje! Zusje! Adoe!' Knipoog naar mij.
Mijn vader lag in bed al luid te snurken toen ik in de woonkamer alle tijdschriften op een stapel legde en het licht uitknipte. Ik poetste stilletjes mijn tanden en kroop muisstil naast mijn vader in bed. Ik voelde me opeens net Wolfje, de zoon van Midas Wolf. Daar moest ik om lachen, ik deed dat zo stilletjes mogelijk om Midas naast me niet wakker te maken.
De volgende dag stond volledig in het teken van Het Afscheid. Vandaag moest ik weer terug naar Zandvoort. Mijn vader begon weer te grienen, was afwisselend boos, lief, verdrietig en gefrustreerd. Hij maakte zich zorgen. Was die vent wel goed voor me? Wat was dat eigenlijk voor kerel, die Akerboom? Sloeg-ie me? Als er nare dingen gebeurden, dan moest ik direct bellen. En dat postbusadres, dat zat hem ook niet lekker. Hij mocht toch wel weten waar zijn zoon woonde?
Ik kon hem overreden niet mee te gaan naar het station. Als-ie me op de bus naar het station zette dan redde ik me verder wel. Het was bijna zo ver, over een half uur ging de bus. Ik mocht zijn shaggies voor de rest van de dag van de dag rollen, hij stopte me een biljet van 25 toe. 'Koop maar een mooi boekie en de rest doe je maar sparen hè.'
Bij de bushalte kwam het moeilijkste. Snikkende, schokschouderende pappa. De bus kwam er aan. 'Nou doeg paps.' Hij vermande zich, wilde niet al te zeer voor joker staan tegenover de buschauffeur. 'Laat je niet kisten Roentje!' De bus trok op. Op zondag zaten er altijd maar weinig mensen in. Ik liep naar achteren, klom op de achterbank en zwaaide naar mijn vader. Hij zwaaide terug, drukte een zakdoek tegen zijn ogen. Toen de bus de hoek om reed, zag ik nog net hoe hij zijn handen in zijn zij zette en zijn hoofd achterover gooide om heel veel lucht binnen te kunnen halen.
******
(wordt vervolgd)
******
De bomen schudden nee (deel 9 van 60)
Mijn moeder vond het niet verstandig dat ik al te snel bij mijn vader op bezoek zou gaan. Het kon nog wel een paar weken duren voordat de tijd rijp was. Intussen begon ik een klein beetje gewend te raken aan Zandvoort. Het was heel anders dan ik me herinnerde van die keer dat ik een weekje met vakantie naar Zandvoort was geweest. Mijn moeder had een appartementje gehuurd, vlak aan de kust. Mark mocht meekomen en verder waren ook Guusje en Karin van de partij. Mijn moeder was toen al van mijn vader af, dus het was best bijzonder dat ze Guusje mee had gevraagd, mijn halfzus uit het eerste huwelijk van mijn vader. Guusje was zogezegd niks van haar, maar ze hadden toch een goede band. Bovendien had mijn moeder na de scheiding wat vaker contact met tante Mia, de moeder van Guusje en Ton. Ze gingen wel eens bij elkaar op de koffie, konden het goed met elkaar vinden. Allebei getrouwd geweest met Jan de Haan, dat was toch een onderwerp waar ze niet gauw over uitgepraat raakten. Dat naast Guusje ook Karin meeging op vakantie, onderstreepte de uitstekende verhoudingen. Karin was de dochter uit het tweede huwelijk van tante Mia. Al snel na de breuk met mijn vader had tante Mia meneer Theunissen ontmoet. Met hem was ze nu al jaren gelukkig getrouwd en had ze Karin gekregen. En zo was mijn moeder met een bont gezelschap grotere en kleinere kinderen op pad in Zandvoort. Helemaal in haar element. Daar hield ze van, dingen doen die anders waren dan anders.
Het Zandvoort van die korte vakantie beleefde ik nu heel anders. Ik speelde niet dagelijks in het zand aan de Noordzee-kust, maar liep gewoon door het dorp. En het was geen hartje zomer, maar half november. Het enige wat hetzelfde gebeven was, was ik dat nog altijd een buitenstaander was. Ik was geen Zandvoorter, maar nog steeds een soort toerist.
In de drogisterij annex kapsalon op het winkelpleintje in onze buurt in Zandvoort-Noord waren ook de postbussen. Wij hadden postbus 240. Ik vond het leuk om de post daar op te halen. Ik hield van post. Je wist maar nooit wat erbij kon zitten, het was altijd weer en verrassing. Misschien een kaart of brief van mijn vader. Of post van Mark. Ook Mark en alle anderen die ik kende hadden alleen ons postbusadres. Veiligheidsmaatregel tegen mijn vader. In de postbus kwam vooral post voor mijn stiefvader. Vaak wat grotere, bruine enveloppen, zonder duidelijke afzender. Wat kon daar toch in zitten?
In de winkel van de drogisterij hadden ze tot mijn grote vreugde ook voetbalplaatjes. En net als bij meneer Bak hadden ze niet alleen de plaatjes van Panini, maar ook die van Vanderhout. Die vond ik veel mooier dan die stijve, eenvormige Panini-prentjes: alle voetballers in hetzelfde shirtje en bijna geen tekst erbij, zo saai. Nee, dan de plaatjes van Vanderhout, daarop stonden de spelers soms in hun wedstrijdshirt, soms in hun trainingspak, Wimke Meijers zelfs in een stoere leren jas. Jo van Zoest zat mokkend in de dugout in een geel hesje. Jochen Vieten stond geconcentreerd klaar om een bal af te vangen, met één hand tegen de doelpaal leunend. Paul de Jong tijdens het uitlopen op de training. Dát was voetbal! Ook de beschrijvingen van de spelers in het Vanderhout-boek waren veel sprekender dan de korte droge zinnetjes in de Panini-albums. Vanderhout sprak bijvoorbeeld liefdevol over Gerrit Mintjes met een prachtzin als 'Is een meester in het schaduwen van een tegenstander', waar Panini bij alle spelers grossierde in algemeenheden als 'Centrumspits, ook als linkerspits in te zetten'. Wat zei dat nou? Dat leek nergens naar.
In heel Zandvoort leek ik wel de enige die voetbalplaatjes spaarde. Ik zag nooit jongens plaatjes ruilen op schoolplein. Er zat niet veel anders op dan mijn vader vragen of hij een paar keer onder verschillende namen prentjes na wilde bestellen. Die truc hadden we al vaker uitgehaald. Nu was het echt bittere noodzaak, zonder jongens om mee te ruilen kreeg ik mijn boeken anders nooit vol. Ik zou het mijn vader vragen zodra ik hem weer mocht zien.
In Zandvoort werden dan misschien geen voetbalplaatjes gespaard, en op het schoolplein waren ballen zelfs verboden, maar bij de drie voetbalclubs van het dorp werd fanatiek gespeeld. Je had het chique TZB, de club van de betere mileus. En dan had je volksclub Zandvoortmeeuwen. Zandvoortmeeuwen was een veel grotere club dan TZB, er waren nu eenmaal niet zoveel betere milieus in Zandvoort. In 1975 was er nog een derde club bij gekomen, opgericht door TZB'ers en Zandvoortmeeuwenaren die het bij geen van beide uitersten van clubs naar hun zin hadden. De club noemde zich simpelweg Zandvoort '75. Het was nogal een rel dat de club werd opgericht, het was verraad tegenover allebei de andere clubs. De gemoederen in het vissersdorp liepen hoog op, maar het eigenwijze Zandvoort '75 trok zich daar niets van aan en bouwde een clubhuis in de duinen naast het circuit. Dat vond ik natuurlijk erg interessant, ik was immers groot Formule 1-fan. Bovendien was Zandvoort '75 vlakbij onze flat, op de fiets was ik er in vijf minuten. En dus werd ik lid van Zandvoort '75.
Ook bij de club was ik duidelijk een buitenstaander, maar op de trainingen van de C1 viel ik op door mijn tomeloze inzet en de onverzettelijkheid waarmee ik mij vastbeet in tegenstanders. Onze elftalleider, meneer Peitsman, en onze trainer ome Gijs wisten dat op waarde te schatten. Ik werd gewaardeerd voorstopper van de C1. Mijn onzekere middenveldgeklungel bij Amersfoortse Boys verdween als sneeuw voor de zon. Ik was als voorstopper herboren. Ik hoefde alleen mijn tegenstander uit te schakelen, en dan de bal inleveren bij Makkie, Eric of Dries. Die wisten er wel raad mee.
In Zandvoort moest je je als import extra bewijzen. Dat deed ik nu. Ik hoorde erbij! Het was niet zo dat ik nu opeens vrienden had, dat ik met jongens mee naar huis mocht of werd uitgenodigd voor verjaardagsfeestjes. Maar het begin was was er. Ik had het zelfs makkelijker in de ploeg dan de geboren en getogen Zandvoorter Carlo, met wie ik ook nog in de klas zat. Carlo bakte er helemaal niks van, struikelde voornamelijk over de bal, en werd de hele wedstrijd lang door de halve ploeg verrot gescholden. Het was een bloedfanatiek team dat geen achterblijvers duldde. Arme Carlo moest dan ook hard boeten voor zijn gehannes links voorin of op het middenveld.
Carlo was dan wel geboren en getogen in Zandvoort, maar zijn moeder was Spaans en dus telde hij niet mee als echte Zandvoorter. Hij werd op school veel gepest met zijn rode haar en zijn grote neus. Een buitenstaander. Net als ik. Carlo kon bovendien goed leren, dat werd ook niet echt gewaardeerd op de volkse Nicolaasschool, waar de meisjes later huisvrouw en moeder wilden worden en de jongens visser of monteur. Hoewel de juf ook mij maar en domme jongen vond met mijn pofbroeken, had ik op de Paulusschool altijd goed mee kunnen komen met de besten. Carlo en ik werden automatisch naar elkaar gedreven.
Carlo's vader was een ras-Zandvoorter. Dat hij bij Carlo's moeder een kind verwekt had, was achteraf gezien een klein wonder. Want eigenlijk hield de vader van Carlo van mannen. Hij dreef een strandtent op het naaktstrand. Carlo en ik waren daar 's zomers regelmatig op bezoek. We konden in de strandtent van Carlo's vader gewoon onze zwembroek aanhouden. De stamgasten, vooral mannen, zaten bloot aan de bar of aan de tafeltjes. Een enkeling had een t-shirt aan. 'Wat een schatjes hè' hoorden we soms vertederd mompelen als we door de strandtent liepen. We waren altijd heel welkom, iedereen was aardig tegen ons en als we dorst hadden dan kregen we altijd wel van iemand limonade aangeboden. Het was altijd gezellig en ontspannen in de strandtent van Carlo's vader.
Het gebeurde regelmatig dat Carlo uren te laat of zelfs helemaal niet op kwam dagen als we afgesproken hadden. Dat kwam door zijn Spaanse achtergrond, zei ome Klaas. Het was allemaal mañana, mañana met die gastarbeiders, daar kon je niet op bouwen. Maar toch was ik blij dat ik een vriendje had. En ook hij had een paar Kiss-elpees. Hij mocht dan een gastarbeider zijn, met zijn smaak zat het wel goed.
Op de Nicolaasschool raakte ik iedere week een beetje meer ingeburgerd. Het rauwe volk van de zesde klas liet me in elk geval met rust, terwijl Carlo doorlopend het mikpunt was van pesterijen. Hij was makkelijk op de kast te krijgen met zijn neus, rode haar of Spaanse roots. Misschien was het het Spaanse temperament van zijn moeder dat hem snel deed exploderen. In elk geval sloeg hij er altijd snel op los. Ademloos zag ik hem de ene na de andere grote jongen aanvliegen, meppend en krabbend als een hellekat. Maar de grote jongens waren altijd met meer en sterker en het eind van het liedje was steevast een verkreukelde en bloedende Carlo, die zwijgend zijn boeltje bijeen pakte, langzaam wegliep en statig naar huis fietste. Alweer ten onder gegaan, maar wel stijlvol.
******
(wordt vervolgd)
******
zaterdag 8 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 8 van 60)
Ik werd kort voorgesteld door de juf aan de zesde klas van de Nicolaasschool. Daarna moest ik gaan zitten op de enige vrije plek in de klas, naast een een lange blonde meid. Ze heette Louise. Ze had al borsten. Ze leek wel vijftien.
Niemand besteedde aandacht aan me. In de pauzes stond ik maar een beetje voor me uit te koekeloeren, probeerde me onzichtbaar te maken met mijn rug tegen het bruine hout van het schoolgebouw. Het schoolplein was veel kleiner dan bij ons in Amersfoort en je mocht nergens voetballen. Iedereen krioelde door elkaar. Ik vond het maar ruwe kinderen.
Aan het eind van mijn eerste schooldag kregen we huiswerk op. Rekenen, geschiedenis, taal. Ik wist niet wat me overkwam. Gatsie, moest ik nou thuis ook nog aan het werk? Met een stapel boeken en schriften onder mijn arm slenterde ik van de Nicolaasschool naar onze flat in de Lorentzstraat. Het was maar vijf minuten lopen. Het motregende. Mijn spullen werden langzaam nat. Ik had geen tas om ze in te doen. Rotboeken.
Mijn moeder was thuis zingend aan het schrobben, uitpakken en inruimen. Mijn kamertje was kleiner dan in Amersfoort. Ik had spullen weg moeten doen. Ondanks luid protest en gesmeek had ik onder andere een paar jaargangen Donald Duck weg moeten gooien. 1973 en 1974. Ik kon er nog steeds wel om huilen. Ik sloot mijn kamerdeur, zette mijn transistorradiootje aan en ging Mark een brief schrijven.
Ik hoorde mijn stiefvader thuiskomen. 'Zo, Stien.' Kwetterend vloog mijn moeder op hem af. Ze gingen naar de woonkamer, ik hoorde zijn gebrom langzaam zachter worden. Alleen voor het eten zou ik tevoorschijn komen. Verder niet.
De volgende ochtend slofte ik met lood in de schoenen naar school en kreeg direct de schrik van mijn leven: proefwerk geschiedenis! De klas zoemde opgewonden, alle boeken moesten van tafel en de juf deelde blaadjes uit. Ik liep rood aan. Wat was dit nu weer? Proefwerk? Wat was dat nu weer? Moest ik een opstel schrijven?
Juf dicteerde vragen, die we op moesten schrijven. Over de gouden eeuw. Ik had geen idee waarover het ging. Ik staarde naar de vragen. Wie er de baas was, met wie er oorlog was. Wat voor kleding de mensen droegen. Dat wist ik misschien wel. Pofbroeken, schreef ik op als antwoord. Verder wist ik niks. Bij alle andere vragen schreef ik een vraagteken op. De juf haalde de blaadjes weer op. Toen ze mijn blaadje oppakte, keek ze met afgrijzen naar wat ik opgeschreven had, en daarna naar mij. 'Jij bent ook de slimste niet hè. En wat is dat? Pofbroeken? Wie denk je dat je in de maling neemt?'
De volgende dag deelde ze de blaadjes weer uit. Boven de mijne stond een 3 geschreven. 'Voor de moeite dan maar.' Door al mijn vraagtekens stond een rode streep.
Mijn vader zal wel op erg op zijn neus hebben gekeken toen hij 's zaterdags bij Amerfoortse Boys kwam. Het was niks voor Jeroen om zomaar niet op te komen dagen, dat vonden ze bij de club ook, maar niemand wist waar ik uithing. Onze telefoon gaf een afgesloten toon. Ik was in rook opgegaan.
Het duurde twee volle weken voordat mijn moeder eindelijk zei: 'Nou, bel je vader dan maar op. Maar denkt 'r om hè: alleen het postbusnummer geven.'
Ik kreeg een hysterische vader aan de lijn, dan weer huilend, dan weer loeiend van opluchting en ontzetting tegelijk.
'Roentje! Waar zit je dan?'
'We wonen nu in Zandvoort.'
'Wat? Nondeju! Met een andere kerel zeker?'
Ik keek even opzij, naar mijn moeder en stiefvader, die meeluisterden. Ik mocht het zeggen.
'Ja.'
'Hoe heet die zak?'
'Ome Klaas.'
'Is-ie wel goed voor je?'
'Ja hoor.'
'Anders moet je 't pappa zeggen hoor. Godverdegodver nogantoe.'
'Jaja pap, maak je geen zorgen, het gaat goed hoor. Ik kom gauw een weekendje naar je toe. Okee?'
Hij begon weer te huilen, met lange gierende halen. Hij was dronken.
'Pappa...'
Afkappen, gebaarde mijn stiefvader. Hij haalde zijn vinger langs zijn hals. Ik gaf het postbusadres op aan mijn vader. Ons huisadres mocht-ie niet hebben, mijn moeder was bang dat pa misschien met zijn bezopen kop naar Zandvoort zou rijden en amok zou maken. Opnieuw geloei en gevloek aan de andere kant van de lijn. Hij kreeg alleen een postbusadres van zijn zoon. Wat een vernedering. Mijn vader was des duivels.
Ik hing op.
'Wát zegt die klootzak allemaal? Of ik wel goed voor dat jong zorg?' Mijn stiefvader trok met zijn mond, spande zijn armspieren aan, ademde snuivend door zijn neus.
'Klaas, rustig. Laat 'm uitrazen, dat trekt wel bij. Hij wil toch ook zijn jongen blijven zien, hij bindt heus wel in. Ik ben allang blij dat-ie alleen het postbusadres heeft. Stel je voor dat-ie het adres van de flat zou hebben en hiernaartoe zou komen.'
'Moet-ie doen. Dan is-ie voor mij.'
Ik keek naar mijn stiefvader. Boze stiefvader. Ik zag voor me hoe hij en mijn vader zouden vechten. Hij zou mijn vader vast vermoorden. Als pappa dronken was, dan maakte-ie geen schijn van kans tegen deze woesteling uit Lisse. Misschien zou mijn stiefvader mijn vader wel over de reling van onze galerij gooien. Drie hoog naar beneden, dat zou pappa niet overleven. Of zou hij mijn vader met een mes neersteken, net zoals-ie met die Duitse soldaat had gedaan in de Tweede Wereldoorlog? Mijn stiefvader had opgeschept dat-ie als tienerknaap met een paar kameraden (mijn stiefvader had het nooit over vrienden, altijd over kameraden) 'zo'n vuile rotmof' naar een eilandje in de Kaag had gelokt. Daar hadden ze de soldaat met z'n allen aangevallen en een mes in zijn buik gestoken. 'En dan doe je zó...' Hij omklemde het denkbeeldige lemmet met zijn rechter hand, draaide het me een korte, felle slag naar rechts. '... dan draai je in één keer het hele zooitje kapot, darmen en alles. Nou, dan is het wel gebeurd.' Hij keek er voldaan bij. Benadrukte dat-ie zich er niet op voor wilde laten staan dat-ie die mof had omgelegd met z'n kameraden. Ze hadden gewoon hun bijdrage geleverd. Vergeleken bij zijn moeder stelde-ie niks voor. Dáár waren de moffen pas bang van! 'De hele bollenstreek sidderde en beefde voor dat spul uit Moffrica. Maar voor mijn moeder hadden ze het grootste ontzag. Het was ja mevrouw Akerboom, nee mevrouw Akerboom. Toen ze aankwamen om kolen in te vorderen, ging ze er gewoon met de koekenpan op af. Ze wisten niet hoe snel ze het erf af moesten komen, hahaha! Ze krópen voor d'r!' Ik zag het helemaal voor me. Niet alleen mijn stiefvader was een geweldenaar, ook zijn moeder was een supervrouw. Wat een ruige familie moest dat zijn.
******
(wordt vervolgd)
******
donderdag 6 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 7 van 60)
Veel liever dan opa zag ik tante Els, mamma's oudtante, komen voor een logeerpartijtje. Ik was dan wel gelijk mijn kamertje kwijt als logeerkamer voor tante Els, en in haar kamer stonk het altijd op zo'n speciale ouwe-dames-manier. Maar ze was wel lief en gezellig en zij vond het juist leuk dat ik zo goed mee kon komen met jokeren. Ze kon ook heel goed tegen haar verlies. 'Wat een pienter
jochie ben je toch', prees ze me, als ik een spel gewonnen had en mijn centjes incasseerde. We speelden om een cent per overgebleven kaart. Lachend schoof tante Els me mijn winst toe, het was me van harte gegund. Aan het eind van de dag stond tante Els toch altijd in de plus, die paar centen konden er wel vanaf. Eén keer had tante Els met al haar jokerroutine aan het eind van een zaterdag meer dan een gulden winst bij elkaar gespeeld tegen mij, pappa en mamma samen. Dat was nog nooit vertoond op het Ariaplein! Ze nam er nog maar 's een extra volgeschonken advocaatje op.
Het was eigenlijk best gezellig bij ons thuis. Misschien wel té gezellig. Mijn vader dronk nu elke dag volop en ging vaker en vaker te ver. Hij had een kwade dronk over zich. Die vrijdag ook. Pas 's avonds laat of 's nachts kwam-ie thuis, zwaaiend op zijn benen, vloekend en tierend. Hij sloeg een lamp kapot, of gooide met servies. Mijn moeder probeerde hem piepend en flemend te sussen. Het maakte hem alleen maar kwaaier. Hij haalde uit naar haar. Pim wierp zich ertussen, wilde zijn moeder beschermen. Pakte een mes en wilde toeslaan. De getrainde militair, zo bezopen als-ie was, greep razendsnel naar de pols van zijn stiefzoon en draaide die om. Het mes viel op de grond. 'Ik maak je kapot, rooie donder' gromde mijn vader en hij drukte de keel van Pim dicht. Nu sprong mijn moeder ertussen, duwde haar man omver en ontzette zo haar zoon. Ze sleepte de hoestende en proestende Pim overeind, de trappen van de flat af, naar buiten. Daar wandelden ze net zo lang in het parkje tot de hartkloppingen van Pim voorbij waren. Ik sliep intussen heel zoetjes en tevreden in mijn bed, mijn grote rode knuffelmuis Bas in mijn armen.
Een paar weken later stond ik bij mevrouw Hemstra voor het raam naar buiten te kijken. Ik zag hoe mijn vader door twee agenten in een politie-auto werd gestopt. Hij had handboeien om. Op het dak van de Kever flakkerde wit-blauw een zwaailicht. Ik was een uur eerder naar mevrouw Hemstra gestuurd, die twee hoog woonde. Mevrouw Hemstra was gehandicapt, zat in een rolstoel, maar had wel haar eigen flatje. Ze paste wel vaker een uurtje op me. 'Zo jochie, kom maar bij het raam weg, da's niks voor je. Wil je een glaasje limo?'
Ik wist niet dat mijn vader mijn moeder met een touw om haar nek het balcon op had gedreven en haar met één arm over de rand had geduwd, het touw stevig vast in zijn andere hand. Met bovenmenselijke inspanning had mijn moeder de handgreep van het balcon vast weten te grijpen en had ze zich terug het balcon op getrokken.
Ook wist ik niet dat mijn vader een paar weken eerder mijn moeder en haar zus Greet met zijn dienstpistool dreigde dood te schieten. Maar de politie wist het wel, en nu moest mijn vader de gevangenis in.
*
Via een maisonette-woning aan de Olivierplaats waren we binnen Amersfoort ten slotte beland in een eensgezinswoning aan op het gloednieuwe Boerspad. Lia was al een tijdje de deur uit, die was in de Ariaplein-tijd met Joop getrouwd en woonde nu met hem in een flatje aan de Sperwerstraat. Pim woonde nog altijd thuis. Met de meiden wilde het niet zo vlotten. Als-ie al eens kennis aan een meisje had, dan vond mijn moeder haar maar niks. Hij werd er moedeloos van. Mijn moeder vond het prima dat Pim nog steeds thuis woonde. Ze vond het fijn hem te verzorgen. Met een echte eensgezinswoning was ma zeer in haar nopjes. Elke verhuizing had vooruitgang betekend, dit grote huis aan de begane grond met tuin voor en achter was het hoogtepunt.
*
Het zwijgen op school hoefde niet meer. Mijn moeder had daar aangekondigd dat we naar Zandvoort gingen verhuizen. Ze hoefde niet bang te zijn dat mijn vader via school vernemen zou van de verhuizing, want van school haalde pappa me nooit op. Mijn klasgenootjes van de zesde vonden het wel interessant dat ik naar Zandvoort ging verhuizen, jemig, Jeroen gaat aan het strand wonen! Maar iedereen vond het toch ook erg jammer. Ikzelf nog het meest. Ik was erg verdrietig. Middenin het laatste jaar van school af, een regelrechte ramp. Het was toch al een beetje een moeilijk jaar, de zesde klas. Tot en met de vijfde was het allemaal heel zonnig gelopen. Ik had zulke leuke juffen en meesters gehad. Zoals juffrouw Kramer, die mij 's morgens wel eens onderweg oppikte met haar auto als ze mij op de stoep in de regen naar school zag kuieren. Of meester Baars, die alle kinderen die dat wilden buiten schooltijd schaken geleerd had. Hij had een schoolcompetitie georganiseerd die ik met vlag en wimpel won. Ik veegde iedereen compleet van de mat. Samen met het beste meisje van onze school, Elise, mocht ik de eer van de Paulusschool verdedigen in een schaaktoernooi met alle kampioenen van de scholen uit Amersfoort en omstreken. Meester Baars was erg trots dat-ie ons zo enthousiast aan het schaken had gekregen. Hij stond er dan ook op dat-ie Elise en mij persoonlijk zou begeleiden tijdens het toernooi. Opgewonden van de wedstrijdspanning stonden Elise en ik die ochtend klaar op het schoolplein. Meester Baars haalde ons op in zijn grote zwarte auto en vol goede moed gingen we op weg naar Hoevelaken. Onderweg maakten we grapjes en waren we vol bravoure. Maar het toernooi werd een drama. We werden allebei finaal in de pan gehakt, Elise bij de meisjes en ik bij de jongens. Nul punten. De hele terugweg lang zat een bedremmelde meester Baars met twee huilende kinderen in de auto.
Pas in de zesde klas werd het minder leuk. Er was een nieuwe, jonge meester gekomen, die heel anders was dan onze andere onderwijzers. Hij heette Hopbergen, had een snor en altijd gefronste wenkbrauwen. Hij was strenger dan we ooit hadden meegemaakt. Afgezien van een enkele zeldzame aanvaring, met juffouw Beukers in de eerste klas, had ik nooit problemen gehad met de onderwijzers. Die ene aanvaring in de eerste was overigens wel een pittige. Ik zat op een hekje aan de rand van het schoolplein. Achter die hekjes mocht je niet komen, je moest op het schoolplein blijven. Ik had er met één been overheen op gezeten, en dat was juf Beukkers kennelijk al te wild. Toen ik niet snel genoeg van het hekje afkwam, greep ze me resoluut beet en sleurde me zonder pardon aan mijn haren de school in. Wat deed dat zeer! Ik dacht dat ze mijn haren van mijn kop zou trekken. In gedachten zag ik mijn haardos als een scalp aan haar riem bungelen.
De Paulusschool was een warme, veilige en lieve school. Huiswerk kregen we nooit, we wisten niet eens wat het was. Na school kon je gelijk doen waar je zin in had. Veel kinderen bleven op het schoolplein knikkeren, overlopertje spelen of touwtje springen. Ikzelf ging meestal in het gras achter de school boompjesvoetballen met een vaste club jongens. Mark was er ook altijd bij. En Pieter de Leeuw natuurlijk, de rusteloze blonde schicht met hazentanden, die 's morgens vroeg naar school kwam gerend met zijn kicksen al aan.
Van al dat speelse en knusse bleef bij Hopbergen in de zesde niet veel meer over. Tegen de meisjes deed-ie nog best leuk en aardig, maar ons jongens pakte-ie hard aan. Aan mij had-ie een speciale hekel. Hij gaf me zelfs strafwerk toen ik een verhaaltje had ingeleverd voor de schoolkrant. Ik deed dat wel vaker. Vooral meester Baars moedigde dat aan. Ik had dit keer een verhaal geschreven over een kabouter de in een gewoon mensenhuis ging wonen. Alles in dat huis was natuurlijk veel te groot voor die arme kabouter. Ik had er een tekening bij gemaakt, van de sippe kabouter die op een tak zat te grienen omdat het allemaal niet lukte. Maar het verhaal liep wel goed af, want een jongen schoot de kabouter te hulp, en bouwde het grote mensenhuis vol met allemaal hulptrappetjes zodat de kabouter voortaan overal bij kon komen.
'Waar heb je dit uit overgeschreven?'
'Dat heb ik niet gedaan. Ik heb het zelf geschreven.'
'Dat kan niet. Een elfjarige schrijft niet zo, met zulke volzinnen. Ik vind dat niet leuk van je, dat je jokt.'
'Ik lieg niet, ik heb het echt zelf geschreven!'
Ik kreeg strafwerk.
De dag kwam om afscheid te nemen. Van de klas, van de juffen en meesters, van Mark. Met tranen in mijn ogen liep in naast mijn moeder de school uit, het plein over en langs de ramen van het lokaal waar de zesde zat. Iedereen joelde en zwaaide naar me. Ik zwaaide terug. Daarna gingen we nog even langs de sigarenwinkel van meneer Bak. Daar waren we al jaren vaste klant. Ik haalde er altijd mijn voetbalplaatjes, mamma haar Story, pappa zijn Van Nelle Export. Ik gaf meneer en mevrouw Bak een handje. 'Niet zo beteuterd kijken hoor Jeroen, het wordt vast heel leuk in Zandvoort.' Meneer Bak knipoogde naar me. Toen stopte-ie me vijf zakjes voetbalplaatjes toe. 'Voor jou.' In Zandvoort was vast niet zo'n aardige meneer Bak om voetbalplaatjes bij te kopen.
'Als mijn ex-man hier vandeweek komt...'
'... dan zeggen we niets, maakt u zich geen zorgen.'
******
(wordt vervolgd)
******
woensdag 5 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 6 van 60)
Verhuizen was voor mijn moeder helemaal geen straf. Het was een beetje een hobby van haar. Ze had er telkens opnieuw heel veel schik in, een nieuw huis opnieuw in te richten. Alleen al in Amersfoort, waar we woonden sinds ik vier was (mijn vader was van de kazerne van Utrecht overgeplaatst naar die van Amersfoort, vandaar), hadden we al vier woningen versleten. Het begon in de Fazantenstraat, middenin het wat armoedige Leusderkwartier. Op dezelfde galerij als wij woonden meneer en mevrouw De Jong, een hartelijk echtpaar. Ze waren al met pensioen. Ik mocht altijd bij ze langskomen. Ze hadden zelf geen kinderen gekregen maar hun huis en koektrommel stonden altijd open voor de kinderen uit de flat. Ik parkeerde mijn skelter-tractortje voor hun deur op de galerij en keek samen met meneer De Jong naar diertjes, bloemen en boomblaadjes onder zijn microscoop. Meneer De Jong was vroeger bioloog geweest, hij vertelde er van alles over. Over vliegen, over honden, over eekhoorntjes. Ik was gek op dieren en hing aan zijn lippen. Na een tijdje rook het in huis naar snijboontjes, dan wist ik dat mevrouw De Jong met koken begonnen was. Meneer en mevrouw De Jong waren gewend om tussen de middag warm te eten. Dan wilden ze rustig samen zijn en moest ik naar huis. Maar niet voordat ik van mevrouw De Jong nog een paar flesdoppen had gekregen voor mijn verzameling.
De verhuizing naar het Ariaplein in Schuilenburg, een jaar later, was een verbetering. Een veel betere buurt. Maar met het huwelijk van mijn ouders ging het bergafwaarts.
Toen mijn vader en moeder elkaar zeven jaar eerder in Utrecht hadden leren kennen, was mijn vader voor de tweede keer in zijn leven helemaal gestopt met drinken. Hij was officieel afgekickt. Dat ging een tijdje goed, en ook toen hij ging samenwonen met mijn intussen zwangere moeder hield hij het prima vol. Ze trouwden nog voor mijn geboorte. Allebei voor de tweede keer, een nieuwe start. Ze hadden het best goed samen met elkaar en met de kinderen die er al waren. Pim en Lia woonden permanent bij ze in de flat aan de Cromwijklaan, in het weekend kwamen Ton en Guusje er ook bij. Toen ik werd geboren, leek alles samen te passen als de stukjes van een Jumbo-puzzel: ik was ieders kind of broertje. Het klopte als een bus.
De euforie ebde langzaam weg, het leven werd weer normaal. Nouja, normaal, beter gezegd: er slopen dingen tussen mijn ouders die de zaak geen goed deden. Mijn moeder kroop doordeweeks gelijk haar bed weer in zodra Lia en Pim naar school waren en mijn vader naar de kazerne vertrokken was. Klom er af en toe uit om mij te eten te geven, daarna weer terug onder de wol. Lia en Pim kwamen uit school, kregen een paar gulden in hun handen gedrukt: 'Koop maar lekker een zak patat.' De rest van de middag zwierven ze samen door Utrecht. Draaiden rondjes in de bus door heel de stad. Terwijl mijn moeder in bed lag.
Tegen de tijd dat mijn vader thuis kon komen, stond mijn moeder op en begon als een bezetene te koken, wassen en strijken. Ook na het eten boende en stofzuigd
e mijn moeder vlijtig door om een verslapen dag in te halen. Gezellig was anders. Mijn vader had zich het huiselijk leven in zijn tweede huwelijk heel anders voorgesteld. Toen meneer Van Breukelen van de buren mijn vader op een goeie dag vroeg of-ie geen zin had om samen een biljartje te leggen, hoefde Jan de Haan niet lang na te denken. Het biljarten beviel prima, hij liet zich de biertjes en jenevertjes weer smaken.
In de kazerne begon al snel op te vallen dat mijn vader zijn oude liefhebberij weer opgepakt had. Als rij-instructeur in het leger kroop-ie met een kegel van heb-ik-jou-daar naast leerlingen in de cabine van zijn pansterwagen. Een overplaatsing naar Amersfoort, als straf en laatste kans, moest uitkomst brengen.
Het hielp niets. Mijn vader en de fles waren weer de beste vrienden geworden. Daar kwam niemand tussen. In de Fazantenstraat werd de vriendschap al hechter en hechter, op het Ariaplein liep het uit de hand.
Niet dat ik daar veel van merkte. Voor mij was de tijd aan het Ariaplein zelfs de vrolijkste periode van de tijd dat mijn ouders nog samen waren. School was om de hoek, al mijn vriendjes woonden dichtbij. Mark zelfs in de flat naast ons. Ik speelde graag bij Mark thuis. Zijn moeder vond dat goed, de mijne vond het zelfs uitstekend. Dan kon ze mooi even een tukje doen. Mark en ik speelden vingervoetbal, we spreidden al onze Suske en Wiskes uit over de vloer in de woonkamer om de leukste omslagen uit te kiezen, bladerden in onze voetbalplaatjesalbums. We keken tv. Pippi Langkous, Peppi en Kokki. Maar TopPop keek ik het liefst. Ik ging er helemaal in op en deelde doorlopend mee wat ik er allemaal van vond. Dat was niet altijd mals. Daar kreeg Mark's moeder na een tijdje genoeg van. 'Tjongejonge wat een commentaar allemaal! Is er dan helemaal níets goed genoeg voor jou?'
Een andere flater die ik sloeg in de flat waar ik bijna vaker was dan in die van onszelf, was toen ik dolenthousiast binnen kwam rennen met, zonder het te weten, een flinke dot hondenpoep onder mijn schoenen. Ik was al tot ver in de woonkamer doorgedrongen toen Mark´s moeder een gil van ontzetting slaakte. Ik verstijfde, keek om, en zag kleine strepen en klontjes poep over de hele vloer, door mijn geren het tapijt ingestampt. Ik wist niet waar ik het zoeken moest, terwijl Mark's moeder knetterend van ongenoegen met een emmer vol sop de poep het huis uit begon te boenen.
Soms bleef ik gezellig logeren. Ik leek dan wel de derde zoon van het gezin, naast Mark en zijn oudere broer Frans. Ik had het er fijn, iedereen van het gezin was zo gemoedelijk en kalm. Slechts zelden hoefde Mark's moeder 'Jongens, niet zo baldadig!' te roepen. Mark´s pa zag het van achter zijn krantje aan. Af en toe hoorden we hem 'asteblieft' mompelen. Dat kon van alles betekenen. Maar meestal mompelde hij het met een glimlach, en dan betekende zijn asteblieft dat-ie ons met genoegen gadesloeg terwijl we opgingen in ons spel. Het was harmonie troef. De familie Brandts gold niet voor niets als hét modelgezin van de buurt.
Mijn ouders waren ook wel gecharmeerd van Mark. Mijn moeder vond zijn krullen zo mooi. Dat had ze me al gezegd na de eerste dag op de kleuterschool. 'Had jij maar zulke mooie krullen' verzuchtte ze thuis tegen me. De volgende dag sloeg ik Mark in de zandbak vol blinde jaloezie een enorme bloedneus. Luid brullend vluchtte hij de school in. Een druppend bloedspoor liep van de zandbak naar binnen. De volgende dag nam hij wraak. Mijn dieprode bloed drupte over het ingedroogde bloedspoor van gisteren van Mark heen, van de zandbak de school in. Sindsdien waren we onafscheidelijk.
De Ariaplein-tijd was ook de tijd van de meeste aanloop bij ons thuis. Er kwamen legervrienden van pappa op bezoek, de meesten Indo's en Molukkers uit zijn KNIL-tijd. Dan hadden we een vrolijke volle kamer en stond de hele tafel vol met asbakken en bierflesjes. Of kennissen van mamma kwamen langs. Vooral met Bep was ze dikke maatjes. Tante Bep was geen echte tante van me, maar de volwassen vrienden en kennissen van je ouders noemde je nu eenmaal oom en tante. Toen tante Bep hoorde dat ik met mijn vader naar het circus was geweest, nam ze me direct terzijde. 'Jij houdt toch zo van dieren, Jeroen?'
'Ja tante Bep, hoezo?'
'In het circus zijn ze heel slecht voor de dieren. Als de dieren hun kunstjes niet snel genoeg leren, dan krijgen ze slaag.'
De tranen schoten in mijn ogen.
'Dus als jij dan met je pappa een kaartje voor het circus koopt, dan werk jij daar aan mee.'
Ik begon hard te huilen. Die arme circusdieren. Ze kregen volop slaag en dat was mijn schuld.
'Ja denk er maar 's goed over na' besloot tante Bep.
Ook mijn opa Van den Berg, de vader van mijn moeder, wist mijn zwakke plek voor dieren met een voltreffer te raken. Hij logeerde regelmatig bij ons. Als opa Van den Berg bij ons logeerde dan was hij de baas, het hele huis was van hem en hij liet onbekommerd scheten, zonder blikken of blozen. Mijn moeder commandeerde-ie de hele dag door. Als zijn sigaren op waren dan moest ik hollend naar de winkel van meneer Bak voor een nieuw doosje. Met jokeren mocht ik niet meer meedoen sinds ik een keer van hem gewonnen had. Dat pikte opa niet van zijn kleinzoon. Zijn weekhartige kleinzoon met al zijn gezeur over diertjes. 'Weet je, als jij zo van dieren houdt, dan zou je zelfs niet over straat moeten lopen. Want met elke stap trap je wel duizend bacteriën dood, en dat zijn toch ook diertjes.'
Ik had er weer een probleem bij. Elke stap op straat maakte een moordenaar van me.
******
(wordt vervolgd)
******
dinsdag 4 juni 2013
De bomen schudden nee (deel 5 van 60)
Na een maand of drie werd mijn stiefvader stiller en norser. Hij was moe. Hij hield al dat gereis naar Warmond en weer terug niet meer vol. Het was gewoon geen doen, vijf dagen per week anderhalf uur heen en dan 's avonds ook weer terug, dat was door geen mens op te brengen. Dit kon zo niet blijven. 'We gaan een woningruil proberen te doen' zei mijn moeder, 'zodat we dichter bij ome Klaas` werk komen te zitten. Dan hoeft-ie niet meer zo'n heel end te rijden elke dag'. Mijn maag kromp samen bij de gedachte dat ik dan misschien van de Paulusschool af zou moeten. En dat terwijl ik in de zesde klas zat, het laatste en leukste en belangrijkste jaar van de lagere school. En zou ik Mark dan nog wel zien? En wat zou mijn vader er wel niet van vinden?
Opnieuw had mijn moeder geluk met een advertentie in De Telegraaf. Een echtpaar in Zandvoort wilde wel ruilen. Hun flat voor onze eensgezinswoning. Het echtpaar zat nogal verlegen om een snelle verhuizing uit Zandvoort, want de man was erg gehaat in de buurt en ze werden bedreigd. Hij had verschillende keren mensen uit de flat bij de politie verklikt als ze fout hadden geparkeerd, een bankstel op straat hadden gezet zonder grof vuil te bellen of iets anders hadden gedaan wat eigenlijk niet mocht. De man hield dat allemaal heel goed in de gaten, hij zat toch maar de hele dag afgekeurd thuis en had er dus alle tijd voor. Als-ie wat zag dan belde-ie gelijk de politie op. Die kwamen dan meteen voorrijden en slingerden de mensen op de bon. Sinds de hele flat langzaamaan door had gekregen dat hij het was die achter al dat klikken zat, waren de man en zijn vrouw hun leven niet meer zeker. Hun ruiten waren meerdere keren ingegooid, er werd hondenstront aan de deurklink gesmeerd, hij had een paar keer bijna klappen gekregen en zelfs was er een keer op de woning geschoten. De kogel was door de ruit naar binnen gevlogen en had zich in een muur geboord. Daar zat-ie nog steeds, de man liet het mijn moeder en stiefvader zien. De politie had de dader niet kunnen vinden, maar het echtpaar wist nu wel genoeg: wegwezen uit Zandvoort. Amersfoort leek ze prima, dat was ver genoeg van hun vijanden.
Andersom was voor mij Zandvoort heel ver weg van alles en iedereen die ik kende. Ver van school, Amersfoortste Boys, mijn vader. Van mijn wereld. De wereld van mijn moeder leek minder hard getroffen te worden. Lia en Joop zagen we niet meer na dat akkefietje op die eerste zondag en Pim kwam ook niet meer langs sinds hij op kamers woonde. Daarbuiten kwam er toch al niet zo veel aan familie, kennissen of buren over de vloer. En sinds ome Klaas bij ons woonde zagen we sowieso al helemaal niemand meer. Ook van zijn kant niet. Het leek wel of hij geen vrienden of familie had. Zelfs de twee kinderen die hij had, Jack en Margreet, daar hoorde of zag ik nooit iets van. Maar het gaf niet dat ze vaak alleen waren, zei mijn stiefvader meermaals lachend. Hij en mijn moeder hadden genoeg aan elkaar, ze waren toch zó gelukkig samen. Doordeweeks keken ze 's avonds hand in hand op de bank tv en op zaterdag deden ze inkopen, poetste mijn stiefvader zijn Datsun en keken ze daarna ook weer tv. Op zondag gingen ze steevast een stuk rijden met de auto. Toeren, noemde mijn moeder dat. In de glimmende Datsun tuften ze urenlang door de groenste en waterigste stukken van de randstad. Onderweg haalden ze een patatje of een ijsje. Vooral de Kaagroute was al snel favoriet bij mijn moeder. Ze bleven altijd uren weg, wat mij de gelegenheid gaf om beneden de woonkamer in te nemen om lekker hard mijn singletjes en elpees van Blondie en Kiss te draaien. Daar moest mijn stiefvader niks van hebben, van die 'klere-herrie'. Vooral aan Kiss had-ie een schurfthekel. 'Die gekken met die beschilderde rotsmoelen van ze. Het lijken wel wijven.' Ze kraamden alleen maar grote flauwekul uit, waar ik volgens hem helemaal niets van begreep. Hij daagde me uit om de tekst van 'die hit van ze' (hij bedoelde I was made for lovin' you) in het Nederlands te vertalen. Als me dat zou lukken, kreeg ik een rijksdaalder van hem. Ik ging direct aan de slag. Het was lang niet zo makkelijk als ik gedacht had. Ik kwam best een eind, had het meeste wel vertaald, maar liep stuk op een stuk of tien woorden en zelfs een paar hele zinnen. Het zweet brak me uit. Mijn eer stond op het spel. Plus een rijksdaalder. Toen kreeg ik een ingeving. Ik pakte de tekst van Sure know something, de tweede grote hit die Kiss scoorde na I was made for lovin' you, en begon die tekst in Nederlands om te zetten. Dat ging al een stuk beter. Wat ik niet wist dat verzon ik er wel bij, het liep als een tierelier. Ik zou deze vertaling aan mijn stiefvader geven, hij wist immers geen woord Engels en hij kon de liedjes van Kiss toch niet uit elkaar houden, laat staan een titel noemen.
Triomfantelijk, zeker van de winst, leverde ik de vertaling in bij mijn stiefvader. Die twee gulden vijtig zat geramd in de tas. Mijn stiefvader liet zijn leesbril van zijn schedel op zijn neus zakken, wierp een vluchtige blik op mijn vertaalwerk, en zei: 'Overgeschreven uit zo'n popblaadje zeker? Ja zo kan ik 't ook. Nee Nelis daar trap ik mooi niet in.' Hij lachte een kort, schamper lachje, en verdiepte zich weer in zijn Algemeen Dagblad.
Er was sinds de komst van mijn stiefvader trouwens nog iets veranderd op de zondagen: ma en ik gingen niet meer naar de kerk. Mijn moeder was, met buien dan, een heel enthousiaste katholieke vrouw. Vooral sinds ze van pappa gescheiden was, bloeide het geloof in haar op. Ze bad weesgegroetjes bij de vleet, er lag een rozenkrans op haar nachtkastje, ze zorgde op vrijdag voor vis op tafel (niet te moeilijk natuurlijk, gewoon lekkerbekjes van de visboer) en volgde op tv intensief hoe het in Rome liep met het kiezen van een nieuwe Paus na het overlijden van Paulus VI. Het voor de buis afwachten van de witte rook werd steeds zwaarder voor haar. Ze beet haar nagels stuk van spanning, soms tot bloedens toe. Toen na lange onzekerheid Paus Johannes Paulus I was uitverkoren, raakte ma op slag volledig in de gloria van deze hartelijk zwaaiende en zegenende man. De Lachende Paus had mijn moeder geheel in zijn ban. Groot was het verdriet dan ook voor haar toen Johannes Paulus na een maandje alweer stierf. Anderzijds begon nu opnieuw de spannende periode van afwachten wie er nu weer als Paus uit de verkiezingen zou rollen. Dat had ook wel weer wat. Zoals ma ook altijd de puntentelling bij het Eurovisie Songfestival op het puntje van haar stoel beleefde.
Op een dag had mijn moeder bedacht dat ik misdienaar zou worden in de Heilig Kruiskerk aan de Liendertseweg. Ik zag er als een berg tegenop. Dat ging me voortaan elke week de hele zondagochtend kosten. Maar het moest. Ik fietste naar de kerk, naar de pastoor, die me uitlegde wat de bedoeling was. Het waren een heleboel handelingen, van wijn schenken tot boeken wegleggen en geldmandjes door de kerk verdelen. En dan ook nog buigen hier, handen vouwen daar, knielen op de marmeren vloer bij het altaar, op tijd amen zeggen. De pastoor probeerde me gerust te stellen: er werd heus niet van me verwacht dat ik alles gelijk uit m'n hoofd kende. Ik mocht in het begin tijdens de mis gewoon afkijken wat de andere jongens deden en dat dan snel nadoen. Ik werd voorgesteld aan een andere jongen, Jürgen, die het al een tijdje deed. Jürgen deed nogal uit de hoogte tegen me, alsof-ie het eigenlijk maar niks vond dat-ie met mij de mis zou moeten gaan dienen. Hij kwam vast uit een rijk nest. Plichtmatig vertelde Jürgen dat de misdienaars ieder jaar een uitje kregen aangeboden door de kerk. Een dag wandelen in het bos, of naar een pretpark. Met pannenkoeken eten na. Dat leek me maar niks, met jongens als Jürgen naar een pretpark en pannenkoeken eten. Ik stelde me voor dat al die nette misdienaars direct met hun pannenkoeken naar elkaar gingen gooien als de pastoor even op de wc zat.
Ik kreeg een muf ruikende jurk aan, een habijt. Toen moest ik samen met Jürgen gaan oefenen. Ik deed Jürgen zo goed en kwaad als het ging na, maar het lukte niet goed. Ik werd zenuwachtig van het geïrriteerde gezucht van Jürgen. Ik stuikelde over de te lange jurk die voor me was uitgezocht en schudde de hosti's te wild uit in de zilveren schaal, waardoor er een heleboel op de grond vielen.
Tijdens de diensten liep ik voortdurend achter de feiten aan, deed alles net te laat of niet correct. Zelfs na maanden had ik het nog niet onder de knie. En ik bleef het vies vinden dat we allemaal uit dezelfde kelk een slok wijn moesten drinken. Getver, iedereen met z'n mond aan hetzelfde ding, dat doe je thuis toch ook niet? Die slok wijn nam ik trouwens nooit, ik deed maar alsof.
Ik knoeide en stumperde maar aan als misdienaar. Maar op de eerste rij zat elke zondag trouw mijn moeder. Ze genoot ervan dat haar zoon zo'n belangrijke rol in de kerkdienst vervulde. Ze vond het ook leuk om links en rechts aan mensen in de kerk te vertellen: 'Kijk, dat jochie daar, die misdienaar, ja die met dat brilletje, dat is mijn zoon Jeroen.' Daar stond ze met plezier vroeg voor op, elke zondagochtend weer. Maar nu, met mijn stiefvader in huis, hoefde het opeens niet meer voor haar. Ze lag voortaan op zondag in bed als de dienst begon. Ze had niet eens de moeite genomen om mij af te melden bij de kerk. Het misdienaarschap was ineens over en klaar. Op zondagochtend legde ze de hoorn naast de telefoon, dan kon er niemand van de kerk bellen waar ik bleef. Toen er later in de week werd gebeld waar ik toch was geweest, zei mijn moeder dat ik een griepje had gehad. De zondag daarop hield ze me weer thuis, en de keer daarna ook. Ik was er wel blij mee dat ik niet meer hoefde, maar ik vroeg me wel af wat ze wel niet van me zouden denken in de kerk. 'Nou zeg, dat joch van De Haan is er alwéér niet, schandelijk, wat zijn dat voor manieren?' Dat zouden ze vast tegen elkaar zeggen over mij. Er kwam nog een brief van de kerk waarin opheldering werd gevraagd en waarin werd aangekondigd dat ik niet meer zou worden opgeroepen als misdienaar als we niet zouden reageren. Daarna hoorden we niets meer.
******
(wordt vervolgd)
******
Abonneren op:
Posts (Atom)
