zondag 2 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 3 van 60)

Vriendjes mocht ik niet mee naar huis nemen. Dat vond mijn moeder teveel drukte geven. Alleen voor Mark, mijn beste vriend, maakte ze soms een uitzondering. Ik mocht zó vaak bij Mark thuis spelen en meeëten, dat mijn moeder Mark maar moeilijk kon weigeren, die enkele keer dat ik vroeg of het goed was dat hij meekwam. Tegen andere jongens moest ik altijd zeggen dat mijn moeder lag te slapen en dat het daarom niet kon. Ik kon heel goed alleen spelen. Mijn moeder vertelde vaak vol trots dat ze mij al alleen thuis kon laten toen ik nog maar vijf was, en zij uit werken moest terwijl pappa in de kazerne was. 'Ik zei dan alleen maar tegen je: niet met je handjes aan de kachel komen hoor, en dan zat je uren zoet te spelen in je eentje.' Daar was ze geweldig mee ingenomen, dat ze mij al die tijd onbezorgd alleen kon laten. De zaterdagen als mijn moeder bij de één of andere oom was, die waren eigenlijk zo gek nog niet. Prima zelfs. Op zondag werd het langzaam spannend, wanneer het moment naderde waarop mijn moeder weer thuis zou komen. Zou ze alleen terugkomen, met de bus vanaf het station? Of zou ze helemaal naar huis gebracht worden door haar nieuwste vlam? Dat laatste gebeurde regelmatig: oom zus of zo wilde natuurlijk de puike gentleman uithangen, en bracht mamma in zijn auto wel even naar huis in Amersfoort. Zo'n gentleman had uiteraard nog wel een kopje koffie verdiend, en zo werden Pim en ik dan weer voorgesteld aan alweer een wildvreemde meneer. De slimmeriken onder de wildvreemde meneren waren op alles voorbereid en wisten niet alleen onze namen al bij het voorstellen, maar hadden ook een cadeautje meegebracht voor ons allebei: een pakje Drum voor Pim en een dinky toy voor mij. Mamma had ze ongetwijfeld goed geïnstrueerd. Of zo'n oom verder aardig was of niet, het leverde in elk geval altijd weer een nieuwe bolide op voor mijn Formule 1-races. Maar nu was er ineens deze ome Klaas. Het had meteen geklikt tussen hem en mamma, afgelopen zaterdagavond in de stationsrestauratie. En dus was hij meteen mee naar huis genomen. En toen klikte het zelfs zó goed, dat ze diezelfde nacht besloten dat hij maar bij ons moest komen wonen. En nu was het maandagochtend, 36 uur nadat ze elkaar voor het eerst ontmoet hadden. Mijn moeder was opgewonden, ademde snel en verheugde zich op de thuiskomst van ome Klaas, die nu eerst aan het werk was en daarna wat kleren bij zijn vrouw ging halen. En daarna voor altijd bij ons zou komen wonen. * Ik mocht niemand vertellen van ome Klaas. Op school niet, op de club niet, en zeker mijn vader niet. Ik kon heel goed een geheim bewaren, dus zei ik er niemand iets over. Ome Klaas was niet iemand die zich interesseerde voor wat ik deed of meemaakte, dus niemand van de Paulusschool of bij Amersfoortse Boys zag hem ooit of had iets in de gaten. Maar ook mijn vader mocht ik dus niks zeggen. Mamma was bang dat mijn vader het er helemaal niet mee eens zou zijn, dat kon een hoop problemen geven. Bijvoorbeeld met de alimentatie. Maar ook waste mamma nog altijd pappa's kleren en maakte ze zijn huis in de Miereveldstraat schoon. Daarvoor kreeg ze een vergoeding van pappa, en dat wilde ze niet door ruzie in de waagschaal stellen. Mijn moeder beheerde zelfs het geld van mijn vader. Pappa was daar niet zo handig in. Die bracht zijn hele salaris -en dat was best veel- maar naar de kroeg en naar zijn rare vrienden als mijn moeder dat niet voor hem in de gaten hield. Ook hiervoor kreeg mijn moeder een vergoeding van pappa. Die vergoeding kon ze zelf makkelijk regelen. Ze kon bij al het geld van pappa en hij maakte zich er niet druk om. Zijn rekeningen waren altijd keurig betaald, zijn overhemden schoon, zijn huisje aan kant, en toch bleef er nog genoeg over om wat leuks met mij te ondernemen. En voor zijn jenever en Amstel-bier. Kortom: iedereen tevreden. En dat wilde mijn moeder graag zo houden. Dat was ook in mijn belang, zei ze. Ik zei dan ook niets tegen mijn vader. En wat maakte het eigenlijk uit? We bleven elkaar zien bij Amersfoortse Boys op zaterdag, en vaak ook op zondag. Dan gingen we naar Birkhoven, het voetbalstadion in Amersfoort, voor een wedstrijd van SC Amersfoort, dat praktisch altijd verloor. Of naar het honkbalstadion, waar hoofdklasser Fresh Up Quick haar thuiswedstrijden speelde. Net zoals de sportcollega's van de Amersfoortse profvoetbalclub vormden ook de spelers van Fresh Up Quick bepaald geen team van kampioenen. Maar de aanhang was talrijk en bloedfanatiek en geen enkele club reisde graag naar Amersfoort, waar het behoorlijk kon spoken in dat stadionnetje vol zingende, schreeuwende en hossende malloten. Mijn vader kende een paar spelers persoonlijk, waaronder de sierlijke eerstehonkman Tico Flemming. Via hem regelde pappa dat ik en Mark de handtekeningen kregen van de hele selectie. En ik mocht met Tico Flemming op de foto. Helemaal niet verbazingwekkend dat mijn vader dat allemaal zo kon ritselen, want iedereen in Amersfoort kende mijn vader. En iedereen mocht hem graag. Als mijn vader weer eens in het ziekenhuis verbleef na een buikoperatie (een regelmatig terugkerend euvel sinds hij in zijn KNIL-tijd in Indië in zijn buik was geschoten, de wond bleef telkens opnieuw ontsteken) en hij zat in de benedenhal met mij te kletsen, dan deed pappa niets anders dan mensen groeten, handen schudden, zwaaien, babbelen, lachen, een tong uitsteken hier en knipoogje geven daar. Het leek wel een defilé. Wat was die man populair, dat was niet normaal. Je kon werkelijk geen gesprek met hem voeren in die hal van het Elisabeth Ziekenhuis. En dus haalde ik nog maar een gevulde koek in het winkeltje in de hal. Pappa was bovendien nogal een knappe kerel, met zijn jongensachtige kop, zijn bruine ogen en zwart haar. Als jonge vent had-ie aanbidsters te kust en te keur en nam hij het er behoorlijk van. Zelfs in de huwelijksnacht van zijn eerste huwelijk bedroog hij zijn vrouw, tante Mia, met een ander. Tante Mia was de moeder van Ton en Guusje, mijn halfbroer en -zus. Mijn moeder leerde-ie jaren later kennen in het militair hospitaal in Utrecht, toen de oorlogswond in zijn buik weer eens opspeelde. Ook mijn moeder had al twee kinderen uit een eerste huwelijk met ene Govert Smit: Lia en Pim, mijn andere halfbroer en -zus. Toen mijn moeder zwanger werd van mij, zijn zij en mijn vader allebei voor de tweede keer in het huwelijksbootje gestapt. Mijn vader was ook op zijn werk alom gewaardeerd. Hij had twee banen sinds hij was ontslagen uit het leger: eentje overdag op kantoor bij verkeringsmaatschappij Levob en daar bovenop nog drie avonden als sorteerder bij de PTT. Hij strooide met grappen en was erg geliefd, dat merkte ik wel als ik met hem meekwam. 'Eén ding moet ik je vader nageven: hij is een harde werker' prees mijn moeder hem vaak. Alleen in het leger dachten ze daar anders over, daar was pappa uiteindelijk na het zoveelste incident eruit gevlogen. Dronkenschap onder diensttijd was al vaker voorgekomen, maar dat een zwaar benevelde kapitein De Haan ook nog met zijn dienstpistool zijn vrouw en schoonzus had bedreigd en daarom was opgepakt door de politie van Amersfoort, dat had de deur dichtgedaan. Gelukkig had deze geschiedenis geen problemen opgeleverd toen mijn vader bij Levob en de PTT solliciteerde. En daar hield-ie zich op het werk aardig in, met de drank. Ook bij mij hield pappa zich in met drinken. Ik merkte er bijna nooit iets van. Alleen een keer toen we naar de motorcross gingen. Er was een lange rij voor het loket waar de kaartjes verkocht werden en dat wachten vond pappa maar niks. Hij maakte misbaar, pufte, blies, vloekte heel hard en wankelde op zijn benen. Toen we eindelijk aan de beurt waren smeet pappa het geld voor de kaartjes woedend neer voor de neus van de kaartjes verkoopster. 'Hier dan, gatverredámme! Pfffff!' 'Da's toch ook wat hè, voor zo'n kind', hoorde ik achter me fluisteren. Ik schaamde me rot. ****** (wordt vervolgd) ******

De bomen schudden nee (deel 2 van 60)

De volgende ochtend was ome Klaas weg. Mijn moeder legde uit dat-ie naar zijn werk was. Hij zat in de facilitaire dienst in Mariënhave, een tehuis voor demente bejaarden in Warmond. Facilitaire dienst, dat klonk wel chic. Het was iets met onderhoud. Maar ja, onderhoud, wat was dat eigenlijk, dat zei me niet zoveel. Dement snapte ik ook niet. Klonk behoorlijk mysterieus allemaal. Als een best wel belangrijke baan. Warmond lag in de buurt van Leiden. Wij woonden in Amersfoort, dat was met de auto wel anderhalf uur rijden. Ome Klaas was dus al heel vroeg opgestaan om op tijd op zijn werk te kunnen zijn. Na zijn werk zou hij vandaag eerst naar Lisse rijden. Daar ging hij zijn spullen ophalen bij zijn vrouw. Want ome Klaas was nog getrouwd. Maar dat huwelijk was heel slecht. Het stelde niets voor, al jaren niet meer. Daarom was hij heel blij dat hij bij ons mocht blijven. Met glanzende ogen vertelde mijn moeder hoe ze elkaar hadden ontmoet. Natuurlijk via een contactadvertentie in De Telegraaf. Want zo deed mijn moeder dat altijd: een contactadvertentie zetten in de krant, en dan afspraakjes maken. Ze maakte er bepaald geen geheim van voor ons kinderen. We mochten zelfs meehelpen met openen en doorlezen van de enorme hoeveelheid brieven die ze kreeg. Vijftig brieven per contactadvertentie was niks. Mamma viel kennelijk nogal in de smaak met haar advertenties. Er waren genoeg mannen die wel warmliepen voor die mollige gescheiden vrouw van eind veertig met twee thuiswonende zoons. Sommige brieven waren kort en saai, andere wel acht kantjes lang met een compeet levensverhaal erin, en sommige brieven waren gewoon heel grappig. Het meest gelachen hebben we om een brief van een boer met acht kinderen. De boer was weduwnaar. Hij zag het al helemaal zitten, als mijn moeder van aanpakken wist op de boerderij dan mochten we ongezien bij hem en zijn kinderen intrekken. Er zat een zwart-wit pasfotootje bij van de boer: een olijke dikke kop met een knots van een bril op zijn neus. Hij heeft zijn brief en pasfoto keurig retour gekregen via de post. Mamma liet de mannen die haar wel wat leken standaard opdraven in het restaurant van station Amersfoort. Als het gezellig was geweest dan mocht zo'n man direct mee naar huis om te blijven slapen. Meestal zorgde mamma ervoor dat Pim en ik daar niet zo veel van merkten. Als zo'n man een blijvertje was, dan sprak ze af dat ze elkaar voortaan bij hem thuis ontmoetten. Mijn moeder vertrok dan in de loop van de zaterdag naar Amsterdam, Leiden, Rotterdam of waar dan ook. Ze bleef dan een nacht daar, en kwam in de loop van de zondag weer thuis. Pim moest dan in de tussentijd op mij passen. Dat deed hij met grote tegenzin. Hij trok zich dan mopperend terug in zijn kamer en kwam daar pas tegen vijven uit om vloekend en sissend te proberen iets te eten voor ons te maken. Vaak mislukte dat. Zelfs een diepvriespak spinazie á la crème liet-ie aanbranden. Dan werden het maar weer boterhammetjes. Na het eten ontspande Pim meestal wel weer, want dan ging de tv aan. Eerst keken we Duits voetbal, Die Sportschau. Daarna de Weekend Kwis of een show van André van Duin of de Mounties of iets anders om te lachen. En ´s avonds laat kwam er op Duitsland vaak een science-fiction-film of een Dracula met Christopher Lee. Superspannend en lekker eng. Dat mocht ik allemaal meekijken van Pim. Van mijn moeder mocht dat nooit, dus ik vond het atijd wel leuk als mijn moeder op pad was en Pim op mij paste. Ook overdag op zulke zaterdagen, als Pim zich mokkend had verschanst in zijn kamer, vermaakte ik me wel. Eerst ging ik dan met mijn voetbaltas op mijn fiets naar Amersfoortse Boys, de club waar ik op zat. Ik zag daar meestal ook mijn vader. Als we thuis speelden, dan was pappa er sowieso altijd bij. De meeste uitwedstrijden ook. Dan reed-ie in zijn rood-paarse Eend, met een achterbank vol spelertjes, mee naar Barneveld, Leusden, Baarn of Achterveld. In zijn beige regenjas stond-ie gespannen langs de lijn mee te leven met me. ´Niet bang zijn voor de bal Roentje, trek dat poot niet in!' Hij moedigde me aan met felle kreten en gebaren, wat me aarzelender in mijn spel maakte. Onze elftalleider, een norse man met een druipsnor en een kapsel á la Paul Breitner, had me uitgelegd dat ik mijn rugnummer 14 heus niet had gekregen omdat-ie in mij de nieuwe Johan Cruijff zag, maar gewoon omdat ik de slechtste van de veertien spelertjes van de E4 was, en daarom het laagst te vergeven rugnummer had gekregen. Dat maakte me onzeker. Ik was bang voor de bal, bang om de bal verkeerd te raken. Als links- of rechtshalf (daar zette Paul Breitner de spelertjes neer de het minste konden, daar konden ze niet zo gek veel kwaad aanrichten) verstopte ik me maar wat, trapte verdwaalde ballen lukraak naar voren. Af en toe sloop ik richting het vijandelijke doel en waagde zo nu en dan een schotje. De drie keren dat het me zowaar lukte om voor Amersfoortse Boys een doelpunt te maken, waren voor mij en mijn vader ongekende hoogtepunten. Ikzelf ontplofte van pure opluchting, mijn vader explodeerde van opgekropte vadertrots. Mijn winnende treffer in de uitwedstrijd tegen Baarn, een kopbal nota bene, was de meest heroïsche van de drie, want het was de beslissende. Regen met bakken, het strafschopgebied één grote modderpoel, kopbal Roentje van dichtbij: 0-1 winst in Baarn! Mijn vaders tranen losten op in de regen die over zijn gezicht stroomde. Mijn vader was erg gezien bij de club. Na de wedstrijd kwam-ie met een dienblad vol flesjes Exota de kleedkamer in, wat hem bij al mijn teamgenootjes erg populair maakte. Ook de clubleiding zag mijn vader helemaal zitten. Verschillende malen is hem gevraagd of hij geen teambegeleider wilde worden bij Amersfoortse Boys. Maar daar begon mijn vader niet aan. Na afloop van de wedstrijd nam mijn vader mij meestal nog even mee de stad in. Samen op de fiets, of soms ik op de fiets en mijn vader in zijn Eend er achteraan. We spraken dan ergens in de stad af en deden wie er het eerste was. Ik fietste wat ik kon, was in gedachten Henk Lubberding die ontsnapt was aan het peloton en meestal won ik. We wandelden wat door de winkelstraten in het centrum, gingen een patatje halen of ergens wat drinken. Als toetje mocht ik dan nog een stripboek uitzoeken in een boekwinkel, of een singletje bij Keistad, de platenwinkel. Ik ging dan helemaal blij naar huis met een Kuifje of de nieuwste Suske en Wiske, of met een mooie single van Blondie of Kiss. Eenmaal thuis was Pim dan intussen wel wakker, maar niet te horen of te zien tot vier uur. Ik speelde dan Formule 1-races na op mijn kamertje. Met wasknijpers maakte ik een lang en bochtig circuit en scheurde er met mijn dinky toys hartstochtelijk op los. Op de daken van de auto's had ik nummers geplakt die verwezen naar de bolides van Formule 1-coureurs zoals die in het echt rondreden. Mijn favorieten waren Mario Andretti (ik vond de zwarte Lotus waarin hij in het echt reed zó ontzettend mooi) en Bruno Giacomelli (gave naam!) en ik liet hun tweetjes de meeste races winnen. Toen Ronnie Petterson in het echt verongelukte tijdens een race, heb ik zijn dinky toy in een doosje opgeborgen en achter wat boeken in de kast gezet. Af en toe haalde ik het doosje tevoorschijn en keer er even eerbiedig naar. ****** (wordt vervolgd) ******

zaterdag 1 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 1 van 60)

'Dit is ome Klaas, hij komt bij ons wonen.' Mijn moeder keek me verwachtingsvol aan. Ze stond halverwege de woonkamer, links van de bijzettafel. Mijn kleine, nerveuze moeder. Met haar mond open van opwinding. In haar groene jurk met paarse bloemen. Ze wreef haar handen, gebaarde naar de vreemde man die bij ons op de bank zat. Ome Klaas. Komt bij ons wonen. Verbouwereerd nam ik onze nieuwe huisgenoot in mij op. Zelfverzekerde, felle grijze ogen keken me priemend aan. Hij grijnsde naar me. Vastberaden mond, samengetrokken lippen. Ome Klaas had sluik grijs haar en was boven op zijn hoofd al aardig kaal aan het worden. Verder vielen zijn nogal uitstaande oren op. Naast zijn rechter slaap zat een ding dat het midden hield tussen een uit de hand gelopen moedervlek en wild vlees. Op de bovenkant van zijn linker oorschelp zat een vreemd, spits toelopend puntje. Zoals Mr. Spock van Starship Enterprise dat aan zijn oren had. Als geheel deed ome Klaas´ hoofd mij aan een chimpansee denken. Daar had mijn moeder wel iets mee, een beetje aapachtige ooms. Zoals ome Piet uit Lelystad. Een aardige oom, die regelmatig leuke dingen voor mij meebracht. Zoals een elpee van Boney M., Nightflight to Venus. En een mooie miniatuurboot, die ome Piet zelf had gebouwd. Hij had er twee jaar aan geknutseld, was er heel trots op. Maar ik mocht 'm hebben, omdat ik het zo'n mooi schip vond. Ome Piet´s boot stond nog steeds op mijn kamer. Ja, ome Piet, die mocht ik wel. En mijn moeder mocht hem vast en zeker ook heel graag, want ze was regelmatig bij hem geweest in Lelystad. En hij bij ons. Alleen mocht ome Piet niet overdag bij ons aankomen, en moest-ie 's ochtends heel vroeg weer weg. Hij mocht alleen komen en gaan als het donker was. Zodat de buren hem niet zagen. Dat kwam omdat ome Piet zo lelijk was, zei mijn moeder. En omdat-ie zo raar lachte. Ome Piet lachte werkelijk heel vreemd: met z'n tong in de hoek van z'n bijna tandeloze mond maakte-ie een geluid dat een beetje klonk als de lachende Ernie van Sesamstraat: tgg-ggg-ggg-ghih. Alleen lachte ome Piet veel harder dan Ernie. Deze nieuwe oom was duidelijk uit een heel ander hout gesneden dan ome Piet. Zittend op de bank wachtte hij totdat ik naar hem toestapte en hem een hand kwam geven. Hij bleef daarbij zitten. 'Zo, Nelis.' 'Ik heet Jeroen.' 'Zo.' Hij grijnsde opnieuw naar me, wat vriendelijker nu. Daarna deed ik weer een paar stappen terug en staarde van mijn gloednieuwe oom naar mijn moeder en weer terug. Ome Klaas zat op onze bank alsof hij daar al tien jaar zat. In een ruitjesoverhemd, een beige flanellen broek en met grijze sokken in bruinleren sandalen. Jeetje, sandalen. Wat suf. 'Ga je broer maar roepen, lieverd', vroeg mijn moeder, 'dan kan-ie ook met ome Klaas kennismaken.' Automatisch draaide ik me om, liep de kamer uit en ging naar boven. Het was altijd een lastige klus om Pim wakker te maken. Hij wilde nooit opstaan, werd steevast heel boos als ik hem riep. Zelfs als Pim me de dag tevoren expres en met nadruk had gevraagd of ik hem wilde roepen op een bepaalde tijd (want hij versliep zich anders vast en zeker, en dan kreeg-ie weer problemen met zijn chef bij de Erdal) dan nog werd-ie kwaad als ik hem riep. 'Pim. Pimmetje...' Ik schudde zachtjes aan mijn broer, die op een paar flappen rood haar na geheel onder de dekens verscholen ging. 'Muh...' 'Je moet opstaan.' 'Sodemieter op.' 'Ik moet je roepen van mamma. Er is een vent beneden. Die komt hier wonen.' 'Lame met rust. Gezeik. Vent beneden, wat nou weer.... ga weg.' 'Ik ga mamma roepen hoor.' Ik gleed van Pim´s bed af. 'Mamma..!' Ik bleef op de overloop wachten terwijl mijn moeder Pim uit bed praatte. Ik had geen zin om alvast naar beneden te gaan en daar helemaal alleen met die kerel te moeten zitten. Mijn moeder was erin geslaagd haar oudste zoon enigszins tot leven te wekken, en trok hem in zijn pyjama achter haar aan trap af. Ik dribbelde er achteraan, wel benieuwd naar hoe mijn broer zou reageren op ome Klaas. Versuft nog, met dikke ochtendogen en met opgetrokken wenkbrauwen keek Pim naar onze nieuwe medebewoner. 'Zo. Dus jij bent Pim.' zei ome Klaas. Hij zat nog steeds op de bank, met een shaggie in zijn vingers. Nu viel me ook de zegelring aan zijn rechter hand op. Mijn broer bleef in trance staan en zei niets. Hij was nooit zo vlot voor twaalven. 'Akerboom is de naam. Klaas Akerboom.' 'Okee', mompelde mijn broer. 'Nou, ik ga me effe aankleden en zo.' Mijn moeder keek Pim met een zenuwachtig lachje om haar mond na toen hij de kamer uit liep. Ik ging hem schielijk achterna. Terwijl wij de trap op stommelden, hoorde ik dat mijn moeder in de woonkamer uitlegde dat wij wat verlegen waren. Ome Klaas bromde het één en ander terug, maar dat kon ik niet verstaan. 'Wat vind je van 'm?' vroeg ik fluisterend. 'Weet ik veel.' 'Hij trekt bij ons in.' 'Wát?' 'Hij komt hier wonen. Heeft mamma gezegd.' 'Echt? Wat een lijp gedoe. Het wordt steeds gekker.' Pim en ik hielden ons boven maar zo'n beetje schuil die zondag. Mijn moeder probeerde ons verschillende keren naar beneden te lokken. Pim met koffie, die hij mij beval op te halen uit de woonkamer en naar zijn kamer te brengen. Pim zat met zijn koptelefoon op aan zijn bureau muziek te luisteren. Naar Earth & Fire. Hij zat met de hoes van hun plaat Andromeda Girl in zijn handen. Ik wist dat hij niet alleen de muziek van die groep heel mooi vond, maar ook de zangeres. Ikzelf vond de zangeres van Blondie veel mooier. Ik wou dat zij mijn zus was. Mij paaide mijn moeder met boterhammen met dik pindakaas met suiker en een glas melk. Ik glipte de keuken in, haalde mijn buit weg en sloop ook weer naar boven. 'Jeroen?' Ze had me gehoord natuurlijk. 'Kom je straks even gezellig beneden? Lia en Joop komen zo ook even om ome Klaas te zien, ik heb ze net gebeld.' Ik hoorde de deurbel en stond in één sprong op de overloop. Ik ging plat op mijn buik, gluurde om het hoekje en zag mijn zus Lis en haar man Joop binnenkomen. Axel was er ook bij. Hun boxer die altijd tegen je op sprong en heel erg kwijlde. Als-ie z'n kop schudde dan vlogen de slijmspetters in het rond. Maar wel een lief dier. 'Nou ma, vertel 's, wat is dit voor vertoning.' Lia vroeg niet, ze stelde vast. 'Kom nou maar binnen.' Ik dook achter Joop langs de woonkamer in, wilde niks missen. Niemand merkte me op. Ome Klaas zat nog steeds op de bank. Lia bleef dicht bij de ingang van de kamer staan, haar armen voor haar borst gekruist. Joop en Axel bleven achter haar. Mijn zus nam het woord. 'Zo. U bent dus meneer Akerboom. Ik ben Lia en dit is mijn man Joop. Ik ben net door mijn moeder gebeld dat we moesten langskomen om kennis te maken. We vinden het allemaal erg fijn voor u en ma als het zo klikt, maar we horen ook dat u hier gelijk intrekt. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik vind dat u nogal hard van stapel loopt.' Voor het eerst zag ik ome Klaas opstaan van de bank. Hij zette zijn handen in zijn zij, zijn ogen vlamden onder zijn gefronste wenkbrauwen. Zijn mond trok even. 'Als jij je moeder het geluk niet gunt, dan is dáár het gat van de deur.' Hij wees dwars door de muur heen naar de voordeur. 'Goedemiddag.' antwoordde mijn zus, draaide zich om en verliet met man en hond ons huis. 'Lia...' probeerde mijn moeder nog, terwijl haar dochter het voorpad afliep. Lia maakte een wegwerpgebaar zonder zich om te draaien. 'Ma, als jij zo gelukkig wordt, ik vind het best. We horen het wel als we weer welkom zijn.' De komende jaren zou ik mijn zus niet meer zien. ****** (wordt vervolgd) ******

vrijdag 31 mei 2013

Zomerfeuilleton: De bomen schudden nee

De afgelopen jaren heb ik, met tussenpozen, geschreven en geschaafd aan een terugblik op mijn jeugdjaren, tot het moment waarop ik als vijftienjarige van huis wegliep. Er zijn nogal wat absurde dingen gebeurd in die tijd - achteraf gezien althans. Want als je ergens middenin zit als kind, ook als je omgeving gevaarlijk is, vind je alles best normaal. Ook als het om geweld en misbruik gaat. Ik kijk niet in wrok om naar de rauwe chaos die de volwassenen om mij heen ervan maakten, ondanks de nodige littekens die gebleven zijn. Want ik ben ook dankbaar voor de creativiteit, wilskracht en Ausdauer die ik heb ontwikkeld als tiener in de verdrukking. Van die eigenschappen heb ik nog iedere dag plezier. Omdat voetbal voor mij als jonge jongen al ontzettend belangrijk was, als drijfveer, als droom en als muze, speelt die liefde van mij een belangrijke bijrol in dit verhaal. En aangezien ik sinds een jaar uitsluitend over of naar aanleiding van voetbal blog, past dit verhaal naadloos op dit weblog. Nu het toch zomerpauze is in de belangrijkste Europese competities, dient zich de perfecte mogelijkheid aan om jullie als lezers dit verhaal voor te leggen, in 60 dagelijkse afleveringen, vanaf 1 juni tot eind juli. Reageer er gerust op, als je dat wilt. En natuurlijk zijn ook uitgevers van harte uitgenodigd om bij mij aan de bel te trekken. Wees welkom allemaal, laat je meeslepen naar de krochten van mijn jeugd. ***** (Foto: Eric de Vogel) ******

zaterdag 18 mei 2013

het belang van de beker

Mijn grootste moment van voetbalgeluk dateert uit het prachtige jaar 1981. Mijn Haarlem werd in dat voorjaar kampioen van de Eerste Divisie, en de optelsom van euforie en voetbaltrots die ik toen voelde, en die nog wekenlang in mijn bloed bleef voortrazen, is nauwelijks weer te geven in woorden. Nouja, ik kan het misschien het beste nog zo zeggen: ik was werkelijk en compleet zielsgelukkig. We waren kampioen!!!
Ik denk dat een dergelijke extase vooral is weggelegd voor fans van clubs die zelden of nooit wat winnen. De intense vreugde van dat ene kampioenschap, of die enkele KNVB-beker die je wint. Dat je het daar dertig jaar later nog niet over kunt hebben zonder helemaal te gaan stralen en natte oogjes te krijgen. Dat je de basiself van dat kampioensteam zelfs op je 85e, kreupel, dement en lekkend als een mandje, nog altijd foutloos opdreunt ten overstaan van een verbaasde zuster, die rapporteert: "Meneer Rißmann had vandaag veel praats over voetbal en begon allemaal namen van vroeger op te sommen. Meestal slaat meneer hoofdzakelijk wartaal uit, maar dit leek toch duidelijk een helder moment."
Voor supporters van zogenoemde topclubs is het leven een stuk moeilijker en vlakker dan voor ons, de aanhangers van de kleintjes. Ik bedoel, welke liefhebber van Ajax gaat op dit moment nou helemaal uit zijn plaat van de derde landstitel op rij, en alweer de 32e in totaal? Bevriend Ajacied annex Behave-collega Michiel sms´te mij hier heel treffend het volgende over: "Ik moet wel zeggen dat het nu na 3x wel gewoontjes wordt. Ik denk dat richting de 4e ster er weer wat spanning ontstaat..."
Ben je volger van pakweg Ajax, PSV, Bayern München, Manchester United of Real Madrid, dan is het landskampioenschap een regelrechte must. Lukt het, dan is dat leuk en ben je wel een beetje blij, maar gaat dat mis: o jee, dan is gelijk het hele seizoen bedorven en is het leven somber en zwaar.
In diezelfde sfeer, waarin alles alleen maar draait om de zoveelste schaal, wordt in Nederland door fans van Ajax en PSV nogal neergekeken op de beker - of slabak, of dennenappel, zoals er ook wel met enige dedain over deze schone cup wordt gesproken. "Een troostprijs", heet het dan, of "Nouja, het is tóch een prijs.". Mark van Bommel zou de beker, zo gaf hij in de aanloop naar de finale aan, graag "op zijn lijstje bijschrijven", en gaf daarmee heel subtiel aan dat van echte hunkering geen sprake was. De beker is slechts een prijsje voor een titelverzamelaar - geen mijlpaal in de historie. Juist daarom is het zo prachtig en geweldig dat ik getuige mocht zijn van de victorie van AZ, dat het aangeslagen PSV (geen kampioen geworden en daardoor zichtbaar ontdaan van iedere motivatie) in de Kuip op pure wilskracht de beker afsnoepte. AZ heeft in het verleden natuurlijk wel eens vaker wat gewonnen (zoals die onvergetelijke eerste landstitel in ´81, tegelijk kampioen met mijn Haarlem dus), maar toch zelden genoeg om in het AZ-blok in het stadion voor totale extase te zorgen. De spelers waren net als de fans door het dolle heen - intense vreugde, omdat die vreugde zo zeldzaam voor ze is.
Ik betrapte mij er op dat ik in de laatste 20 minuten misselijk van de spanning werd, en niet meer op de stadionklok durfde te kijken - bang dat dit ongeluk zou brengen. Deze verrukkelijke stress, met daarna de ontlading en endorfine die na het laatste fluitsignaal volgde, gun ik iedere supporter van alle ´kleine´ clubs in Nederland.
Al is het maar eens in je leven.
******
AZ - PSV, 9 mei 2013: 2-1 (2-1), finale KNVB-beker. Toeschouwers: 50.000.
******
(Foto´s: op het kille en tochtige Rotterdam CS heb ik voor het eerst met mijn mobieltje mezelf gefotografeerd. Dat deed ik in alle ernst, met dit resultaat: een kruising tussen een coole hiphopper en een opgefokte hooligan, in kunstzinnig graffiti-perspectief. En dat allemaal geheel per ongeluk..! Dee andere foto schoot ik een dag na de bekerfinale op de snelweg in Duitsland: ook de vrachtwagens jubelden daar mee voor AZ! - foto´s van Rißmann)

zondag 5 mei 2013

Bossche uitdrukkingen en gezegden

Wanneer ik wat nieuwe uitdrukkingen bij wil leren, ga ik altijd graag langs bij FC Den Bosch. De vorige keer dat ik in De Vliert was, hadden Adje en ik tuterende oortjes van de even creatieve als ruwe stroom beschimpingen die zonder ophouden vanaf de tribunes naar het veld werd gebauwd. Het is een heel betrokken en trouw volkje, die Bossche supporters, maar het komt er vaak wel een beetje rauw uit, om het zo maar even te zeggen.
In het zonnetje genietend van van de warming-up van doelman Kevin Begois, pal achter zijn doel, hoor ik hoe direct achter mij drie vaste stadionklanten bijpraten over trainer Jan Poortvliet, en over de kansen van vandaag - FC Den Bosch heeft namelijk nog een kleine kans op deelname aan de play-offs.
Over de kansen van vandaag:
"Nou jongens, dat wordt dan de laatste wedstrijd van dit seizoen."
- "Na-competitie, nee dat wordt `m niet."
- "Ze hebben het vorige week al verneukt, tegen Eindhoven."
- "Ik zeg alvast: tot volgend jaar heren. Waar gaan jullie naartoe met de zomervakantie?"
Over coach Poortvliet, toch een held van Argentië ´78:
"Heb je ´m gisteren nog op tv gezien?"
- "Ja, wat stond-ie te godveren hè."
- "Het was alleen maar godver dit, en godver dat over de spelers."
- "Nouja, hij is toch bijna weg, die Poortvliet."
Ondanks het geringe vertrouwen in een goede afloop vandaag, bassen de kenners achter mij bij de opkomst van beide ploegen het clublied vol overgave mee. De middelste port mij in mijn rug en maant: "Hé! Wel meezingen hè!"
Nu kun je mij midden in de nacht wakker schudden, een willekeurige club noemen, en ik vang zonder boe of bah het juiste lied te zingen aan. Gelukkig haakte ik dan ook nu weer zonder haperen in: Met heel m’n hart hou ik van jou / FC Den Bosch, ik blijf oe altijd trouw / We zullen samen winnen en verliezen / Maar ik zal nooit veur ‘n ander clubke kiezen.
Fijn lied.
"Beter zo?", vraag ik naar achteren. De middelste man glundert goedkeurend.
Als na tien minuten voetbal al helder is dat de heertjes gelijk zullen krijgen met hun sombere bespiegelingen aangaande de play-offs, arriveert een bekende van het trio. Fashionably late. De man oogt als een wat wilde versie van Earring-rocker George Kooymans en geeft direct zijn visite-kaartje af als hem wordt toegeroepen: "Je bent te laat man!"
- "Ja! Ik lag nog te neuken!"
Instemmend gelach alom, en ik weet meteen: aan deze man ga ik vanavond nog veel plezier beleven.
George Kooymans toetert inderdaad, non-stop, van alles en nog wat grofs naar het veld. Heerlijk, heerlijk. Hij schiet veel, niet altijd met scherp, maar soms is zijn timing perfect. Bij een corner voor De Graafschap, aan onze kant, is wat geduw en getrek gaande waarbij verdediger Justin Tahapary betrokken is. Tip van George: "Knijp `m in z`n zak, Tahapary!" En als bij de aanloop naar de tweede helft De Graafschap-doelman Joost Terol onze kant op komt geslenterd, vraagt George luidkeels om diens aandacht: "Joost! Joost! Hé! Joost!" Totdat Terol inderdaad zijn blik naar de tribune opslaat: "Paardelul!"
Op het veld wordt het daarna allemaal niet beter op: De Graafschap legt de geplaagde thuisploeg genadeloos over de knie. Mokkend gaat de blauwe aanhang huiswaarts. Ik vertrek ook, mijn Bossche bolletje vol met nieuwe uitdrukkingen en gezegden.
******
FC Den Bosch - De Graafschap, 3 mei 2013: 1-4 (1-3), Jupiler League. Toeschouwers: 3.989.
******
(Foto: aan de frontzijde van stadion De Vliert wordt het trotse clubverleden met tal van levensgrote foto`s geëerd. Legende Wim van der Horst als speerwerper staat er fraai op. Tevens duikt en passant de vroeger zo gevreesde Indiaan van FC Utrecht, Stijn Vreven, als tegenstander van toen op - foto van Rißmann)

woensdag 1 mei 2013

Auswärtssieg!

Ik had mij er zo op verheugd, mijn favoriete Duitse club weer eens in actie te zien in haar karateristieke, knusse Stadion der Freundschaft. Aan ons vorige bezoek, in november 2007, bewaar ik fantastische herinneringen: de underdog uit Cottbus versloeg Schalke 04 die dag, de Glühwein ging erin als Ketellapper, de stemming was lyrisch. Mijn grote vriend Tomislav Piplica, cultkeeper en erkend brokkenpiloot in de zestien, was sinds kort in de pikorde gepasseerd door Gerhard Temmel (vandaag de dag de stand-in van Michel Vorm bij Swansea) en bleef de volle negentig minuten op de bank zitten. In de aanloop naar die wedstrijd had ik meneer Piplica een kaartje gestuurd waarop ik onze komst uit Nederland (speciaal voor hem, zo benadrukte ik) had aangekondigd. Inclusief in welk vak we zouden zitten, zodat hij even naar ons kon wuiven tijdens de warming-up. Helaas werd er niet gewuifd, maar dat weerhield mij er als toegewijd fan niet van om na afloop, bij de drankkraampjes voor het stadion, vol passie zijn naam op orkaansterkte door de Cottbusser avond te laten galmen: "Pi-pli-caaaaaaaaaaa..!" En dat dan een half uur lang, achter elkaar door, totdat ik door Martin en Dirk met zachte drang in een taxi werd gelepeld. Zes jaar later sta ik op zondagmiddag, een uurtje voor aftrap, broodnuchter blij te wezen op de staantribune waar de die-hard-fans zich altijd verzamelen. Op tijd het bedje ingegaan gisterenavond, dat heeft geloond. Dit keer zijn het anderen in ons gezelschap bij wie de vlag op half elf of erger hangt - vooral bij de wazig koekeloerende Peter maak ik me zorgen of hij nu eigenlijk wel weet waar hij op dit moment is, na een nachtje kruidig stappen in Teplice. Bij tegenstander Bochum keert de grappige trainer Peter Neururer terug in het Duitse betaalde voetbal, na een afwezigheid van meerdere jaren. De olijke Neururer, die vroeger vele voetbalharten heeft gestolen met zijn uitspattingen langs de lijn en zijn edele kunst om de fans tot extase op te zwepen, krijgt bij het betreden van het veld een warm applaus van de Cottbusser aanhang, die daarbij zijn naam scandeert - zó algemeen geliefd is hij in Duitsland. Enigszins verbaasd, maar zichtbaar aangedaan neemt Neururer de bijval in ontvangst. Dit blijkt, achteraf gezien, slechts een opmaatje voor wat er na de wedstrijd zal gebeuren. In de tussentijd doen de elf van Energie hun clubnaam geen enkele eer aan: ze spelen zonder enige fut en laten de tegen degradatie vechtende Bochumers alle tijd en ruimte om hun slag te slaan in Cottbus. De heertjes hebben er gewoon geen spatje zin in, dat is glashelder. De rust wordt nog met 0-0 gehaald maar na de pauze knalt Cottbus er zelf de 0-1 maar in, om vervolgens helemaal weg te worden getikt door de ontketende mannen van ´Brandweerman` (vanwege zijn reputatie om clubs in nood uit de penarie te helpen) Neururer. De fanatieke aanhang in ons vak schakelt over van aanmoedigen naar het geven van een ferme trap onder de elf thuiskonten: "Aufwachen! Aufwachen!" Als dat niet helpt, gaat er een schepje bovenop: "Wir haben die Schnauze voll, wir haben die Schnauze voll..!" Maar ook deze motie van wantrouwen brengt het niet, en Bochum is zielsgelukkig met de beslissende 0-2 die in blessure-tijd valt. Echter, niet alleen Bochum juicht - ook de harde kern van Cottbus barst los in luid gejubel. Duizenden kelen spuwen: "Auswärtssieg! Auswärtssieg!" We zijn een tikje geschokt door zoveel cynisme. Maar dit was nog niet alles. Na het laatste fluitsignaal worden de eigen spelers uitge-boed op een dermate oorverdovende wijze, dat diverse zondebokken in een angstig drafje de catacomben (waarvan de ingang precies onder onze boze tribune ligt) opzoeken, of juist minutenlang nog wat in de midencirkel blijven dralen, om toch vooral maar niet onder de gesel der volkswoede door te hoeven gaan. Slechts twee spelers durven na geruime tijd de confrontatie aan, en klappen deemoedig voor hun nijdige supporters. Kijk, dát kan de staantribune dan wel weer waarderen - zuinig applausje terug. Maar dan. Dan worden afwisselend Peter Neururer en zijn team in woord en gebaar heilig verklaard. Minutenlang worden de heldendaden van Neururer bezongen - hij wordt er merkbaar door afgeleid bij het geven van een zoveelste tv-interview over zijn glorieuze comeback, en daarna laaft hij zich geruime tijd aan de staande ovatie die hij van ons hele block krijgt. Hij zwaait terug met de blik van een gelukkig kind dat in een donzig sprookje is beland. Maar ook zijn dappere blauwe rakkers ontkomen niet aan de intense verering die hen vandaag in Cottbus ten deel valt. Als de ploeg gezamenlijk uitloopt, rolt van onze tribune een donderend gejuich en geklap, waarvan sommige spelers eerst schrikken. Wanneer echter duidelijk wordt dat het hier om een spontane blijk van acute aanhankelijkheid gaat, doen de Bochumers vrolijk mee: ze doen hand-in-hand de klassieke dankjubel, gevolgd door het eveneens obligate pogo-dansje, en klappen dan hun handen stuk voor de fans van Cottbus - ongetwijfeld de sportiefste die zij ooit in hun carrière tegen zullen komen. ****** FC Energie Cottbus- VfL Bochum 1848, 14 april 2013: 0-2 (0-0), 2. Bundesliga. Toeschouwers: 8.555 ****** (Foto: Rißmann)