maandag 17 maart 2014

Daryll-Ann & ik * ik & Daryll-Ann (deel 1)

Twintig jaar geleden kruiste Daryll-Ann voor het eerst mijn pad. Ik kreeg op een grauwe maandagmiddag een telefoontje van een jonge gast, die zich voorstelde als de manager van de band. Van Daryll-Ann had ik wel al wat gehoord bij de VPRO, en over ze gelezen in OOR. Het leek me nogal een intellectuele club die moeilijke Beatles-muziek maakte waar je je leesbril bij moest opzetten, onderwijl bedachtzaam lurkend aan een pijp. Ik vond Daryll-Ann dan ook helemaal niks.
“Ik heb begrepen dat jij wel een aardige drummer bent, en nu zitten wij zonder drummer. Met een tour naar Engeland voor de boeg. En nu dacht ik...”
Slik.
Ik was inmiddels een jaar of zes met bandjes in de weer. Eerst als bassist van Reeds! (atonale toestanden ergen
s tussen Velvet Underground en Sex Pistols in), en daarna als drummer van Magicians, waarmee ik op dat moment driftig probeerde aansluiting te vinden bij wat wel bekend stond als de Amsterdamse Gitaarscene, ook wel luisterend naar de naam Amsterdamse Gitaarpolitie, met bands als Claw Boys Claw, Tröckener Kecks, Jack of Hearts, en loslopende helden als ex-Fatal Flowers-boegbeeld Richard Janssen. Zo hingen we bijna dagelijks rond in café De Koe, waar al die mannen met cowboyboots, blousjes met rousjes en verwilderd haar samenklitten, omringd door gewillige meisjes en omstuwd door aankomende rockmuzikantjes zoals wij. En natuurlijk liepen we ook alle andere juiste spots af waar de sterren straalden, zoals OCCII, de Sleep In, en natuurlijk de Melkweg en het heilige Paradiso. We hoopten vurig dat het hielp, wat glitters afvangen van de glans van onze Mokumse rockhelden.
Maar goed, Daryl-Ann aan de lijn dus. Het drong in a split second tot me door dat ik moest zijn opgevallen met al mijn Sturm und Drang achter de ketels van Magicians. Anders had die knaap van Daryll-Ann me nu niet gebeld natuurlijk. En ja, goed, ik was inmiddels wel een gevraagd drummer geworden, ondanks mijn oorspronkelijke reputatie van een plompe houthakker die eenvoudig en bikkelhard de maat sloeg. Ik werd daar wel eens wat meewarig op aangesproken: “Dat stelt dus écht niks voor hè, zoals jij speelt”. Ik werd daar altijd weer onzeker van, als gitaargod zus of zo me dat met een flauwe glimlach op de lippen toefluisterde.
Maar juist dat domweg de maat slaan, of, positief gelabeld, akelig strak spel op de mat leggen, bleek na verloop van tijd juist mijn entreekaartje voor een stek in de betere bands. Door het volledige gebrek aan toeters en bellen in mijn spel bood ik maximale ruimte aan zang en melodie. En daarbij konden het hele spul ook nog eens comfortabel leunen op mijn mathematisch rechte klappen. Zo werd mijn tekortkoming mijn wapen.
Maar jeetje... een tournee naar Engeland... o hellepie... dat durfde ik allemaal niet! Niet alleen werd ik al jaren geplaagd door een verlammende reisfobie van-heb-ik-jou-daar (Dennis Bergkamp was er niks bij met zijn vliegangst) - ook deed ik het dun in de broek bij het idee dat ik straks door die pure profs van Daryll-Ann alsnog keihard zou worden ontmaskerd als knoeipot zesde klas.
Kortom: wég zelfvertrouwen, bij de gedachte alleen al dat ik dit rock-avontuur aan zou kunnen gaan - iets waarvan ik als jongetje juist altijd had gedroomd.
"Sorry vriend", hoorde ik mezelf droogjes brommen, "maar ik laat mijn eigen band niet in de steek. Ik doe het niet."
"Jeetje. Jammer man."
Enkele maanden later stond Daryll-Ann, aansluitend op haar succesvolle Britse tour, op Pinkpop.
(Wordt vervolgd)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen