zondag 9 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 10 van 60)

De allerrauwste klanten op school waren de kinderen van het kamp. Bij ons in de klas zat Josje. Ze was groot, imposant en had lang vuurrood haar en sproeten. Ze zei bijna niets en deed ook niets. Ze zat haar tijd op de Nicolaasschool uit als een gevangenisstraf. Ze kon urenlang met een bevroren blik vol woede voor zich uitkijken, de armen gekruist. De juf probeerde af en toe om Josje ergens bij te betrekken, haar aan de gang te krijgen. De juf was daarbij zelf ook niet de fijngevoeligste, met haar schuurpapieren mannenstem deelde ze doorlopend beledigingen links en rechts uit. Op een regenachtige ochtend trok ze fel van leer tegen 'die vervelende zigeuners' van het kamp. Josje blafte 'kutwijf' terug. De rapen waren gaar. Josje stoof naar huis, haar vader kwam direct verhaal halen. Onze onverschrokken juf, van wie verhalen gingen dat ze menig lastig vader bij kop en kont de school uit had gesmeten, kreeg nu een pistool onder haar neus gedrukt. Het gebeurde allemaal op de gang. De bangerds van onze klas bleven stokstijf in hun bankje zitten, de dapperen renden naar de ramen aan de gangkant en drukten hun neus er zo dicht mogelijk tegenaan. Josje´s vader stond dreigend dicht bij de juf, een beetje voorovergebogen. Hij keek wat lodderig uit zijn ogen, onder zijn zwarte snor hing zijn mond open. Hij ademde zwaar, zei iets. Het pistool in zijn rechter hand was op de buik van de juf gericht, bewoog een beetje heen en weer in de zwevende hand van Josje´s vader. Juf had de armen halfweg geheven, nog onder haar schouders, praatte op de man in. Het leek uren te duren. Toen stopte Josje´s vader het pistool ineens tussen zijn broekriem, zwaaide vermanend met zijn wijsvinger, siste nog iets en draaide zich om. Traag en verdwaasd stapte juf de klas weer binnen. 'Even zitten hoor... we gaan zo weer verder.' * Eindelijk mocht ik weer naar mijn vader. Ik had hem een paar maanden niet gezien, alleen af en en toe gebeld. Mijn kon-ie niet bellen, we hadden een geheim nummer en dat mocht pa natuurlijk niet hebben. In de postbus kwamen elke week wel drie brieven of kaarten van hem voor mij. Ook een kaart met een afbeelding van een NS-trein van het type hondekop. Dat woord had mijn vader onderstreept. 'Voor pappa's hondekoppie' had-ie erbij geschreven. Dat was mijn koosnaampje, ik was zijn hondekoppie. Ik ging op zaterdagmiddag naar hem toe en zondag weer terug. Met de auto brachten mijn moeder en stiefvader me naar station Haarlem. Mijn moeder kocht een weekendretourtje voor me. 'In Amsterdam moet je overstappen op de trein naar Amersfoort. Vraag maar aan een aardige conducteur waar die trein vertrekt.' Ik slikte. Als dat maar goed ging. Op het perron zwaaide mijn moeder me na. Mijn stiefvader stond er roerloos naast, met uitgestreken smoel. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ging deze trein wel echt naar Amsterdam? Ik vroeg het een oudere mevrouw. Ja hoor, ik zat goed. Ook de conducteur, die de kaartjes kwam controleren, stelde me gerust. 'Op Amsterdam Centraal moet je naar spoor 10, daar komt jouw trein naar Amersfoort. Eerst komt zometeen nog Amsterdam Sloterdijk, en dan komt Centraal. Okee knul?' Ik knikte. Pakte snel een balpen uit mijn voetbaltas en schreef een grote 10 op mijn linker hand. Dan kon ik het niet vergeten. Dan moest het toch goed gaan. Toen we op Amsterdam Sloterdijk stopten, keek ik uit het raam op het vertrekbord dat boven het perron hing, Ja, het stond er op, deze trein ging Amsterdam Centraal. Maar wat nu als ze een fout hadden gemaakt? Als dit een verkeerd vertrekbord was? In het gekrioel op Amsterdam Centraal raakte ik volledig in paniek. Waar was perron 10? Moest ik rennen om de trein te halen? Ik klampte een meneer in het blauw aan. Hij wees naar de borden die overal hingen, perron 10 was díe kant op. Ik wurmde me hijgend van spanning tussen de reizigersstroom door, vond spoor 10. De trein stond er. Maar was het de goede? Het vertrekbord zei van wel: hij ging langs heel veel verschillende stations, wel een stuk of tien, voordat Amersfoort aan de beurt kwam. Amersfoort stond vet gedrukt. Maar ja, wat nou als ze een fout hadden gemaakt? Dat we zomaar naar Maastricht of Den Bosch zouden rijden in plaats van Amersfoort? Ik schoot maar weer iemand in uniform aan. Het viel allemaal niet mee, dat reizen. Ook onderweg van Amsterdam naar Amersfoort bleef het vreselijk spannend. Bij ieder station, van Amsterdam Muiderpoort tot Baarn, hing ik weer uit het raam om te controleren of de machinist wel de juiste route reed. Pas toen we Baarn achter ons hadden gelaten en ik uit het raam hangend in verte de Lange Jan van Amersfoort op zag doemen, ontspande ik een beetje. Of... was het toch de Domtoren van Utrecht? Of straks bleek het wel de Lange Jan te zijn, maar sloeg de machinist station Amersfoort over... Op het perron stond mijn vader al klaar in zijn crême-witte regenjas. Hij lachte breed naar me, met natte ogen achter zijn brilleglazen. 'Roentje...' Hij pufte korte pufjes, probeerde zich te beheersen, niet in huilen uit te barsten. Met mijn Amersfoortse Boys-tas in mijn ene hand en in mijn andere een in cadeaupapier gehuld pakje Van Nelle Export met Rizla rood liep ik met mijn vader via de stationshal naar de stadsbussen. Ik keek opgelucht om me heen op het stationsplein, zag de vertrouwde blauwe stadbussen van Nefkens. Ik was weer thuis. In de bus naar het Soesterkwartier aaide mijn vader mij gedurig over mijn bol. Af en toe zuchtte hij smartelijk en keek me schuins met betraande ogen aan. Veel tekst had-ie niet. Dat lukte nog niet. Ik hoopte dat hij zich een beetje bij elkaar kon houden, vandaag en morgen. In de Eikstraat was alles als vanouds. Zijn bemodderde Citroen 2CV Charleston stond voor de deur, de tuin was een oerwoud en binnen nog steeds dezelfde Spartaanse inrichting. In de woonkamer een bank, een bijzetafel en een stoel. Schemerlamp naast de bank om de krant te kunnen lezen. Aan de muur een huwelijkportret van een collega en diens bruid. Ze poseerden bij de trouwauto. Boven hun hoofden donkerblauwe lucht en een paar wolken. Verder een stoere foto van mij in vol ornaat op een kleine crossmotor. Een compleet crosspak, een knalgele helm, een stofbril en zwarte handschoenen. Naast de bank nog een klein tafeltje met de telefoon en een wekkerradio. Die stond nog aan. Vanzelfsprekend op een piratenzender. Achter de bank stond ongetwijfeld een fles jenever, buiten zicht. Ik zou een weekend lang net doen of ik dat niet in de gaten had. Af en toe zou mijn vader mij naar de keuken sturen voor iets lekkers of om koffie voor hem te maken. Dan kon-ie snel naar de fles grijpen en fluks een paar slokken nemen. In de keuken wachtte ik geduldig tot ik de dop weer op de fles hoorde schroeven. Dan een kort bonkje: fles tegen poot van de bank of tegen de muur. En vervolgens stapte ik met opgewarmde knakworstjes of een vers bakkie oploskoffie voor pa de woonkamer in alsof ik niks in de smiezen had. Dat ging prima zo. In pappa's slaapkamer stond ook niet veel. Een tweepersoonsbed met een nachtkastje en een leeslamp, een kledingkast. Op en naast bed een zee van Het Bestes, Donald Ducks en Amersfoortse Couranten. Ik vond het te gek dat mijn vader nog altijd geabonneerd was op de Donald Duck. Zo had ik altijd wat te lezen als we niks meer te kletsen hadden of pa op de bank in slaap was gevallen. In Het Beste stond niet veel van mijn gading, behalve dan de moppen, anecdotes van lezers, en een quiz. In de Amersfoortse Courant keek ik even of er wat over Amersfoortse Boys of SC Amersfoort in stond en ik pakte natuurlijk de strips mee. Een enkele keer vond ik op het nachtkastje van mijn vader een folder van de Jehovah's Getuigen. Het keukentje was klein en leeg. Een pannetje hier, een paar glazen daar. In de koelkast bier, melk, vleeswaren, een pot augurken, een pakje boter en een pul mosterd. Er was een halfje bruin, eitjes om te bakken. Huishouden van een man alleen. Dit eerste weekend na de verhuizing gingen we nergens naartoe, hingen een beetje thuis. Uitgeput van alle emoties deed pa zaterdag het ene dutje na het andere. Ik vond het wel best, las Donald Ducks op bed. 's Avonds belde tante Pien, de favoriete zus van mijn vader. 'Adoe Denje!' galmde mijn vader door de lijn. Het was vooral tante Pien die aan het woord was. Mijn vader was al niet meer zo helder op dit uur van de dag, schommelde wat op de bank. Hield tijdens het telefoongesprek af en toe de hoorn een halve meter van zijn hoofd en stak zijn tong uit naar de hoorn. 'Pffffffffllrrt!' Aan de andere kant van de lijn vroeg tante Pien wat er aan de hand was. 'Niks Denje! Zusje! Adoe!' Knipoog naar mij. Mijn vader lag in bed al luid te snurken toen ik in de woonkamer alle tijdschriften op een stapel legde en het licht uitknipte. Ik poetste stilletjes mijn tanden en kroop muisstil naast mijn vader in bed. Ik voelde me opeens net Wolfje, de zoon van Midas Wolf. Daar moest ik om lachen, ik deed dat zo stilletjes mogelijk om Midas naast me niet wakker te maken. De volgende dag stond volledig in het teken van Het Afscheid. Vandaag moest ik weer terug naar Zandvoort. Mijn vader begon weer te grienen, was afwisselend boos, lief, verdrietig en gefrustreerd. Hij maakte zich zorgen. Was die vent wel goed voor me? Wat was dat eigenlijk voor kerel, die Akerboom? Sloeg-ie me? Als er nare dingen gebeurden, dan moest ik direct bellen. En dat postbusadres, dat zat hem ook niet lekker. Hij mocht toch wel weten waar zijn zoon woonde? Ik kon hem overreden niet mee te gaan naar het station. Als-ie me op de bus naar het station zette dan redde ik me verder wel. Het was bijna zo ver, over een half uur ging de bus. Ik mocht zijn shaggies voor de rest van de dag van de dag rollen, hij stopte me een biljet van 25 toe. 'Koop maar een mooi boekie en de rest doe je maar sparen hè.' Bij de bushalte kwam het moeilijkste. Snikkende, schokschouderende pappa. De bus kwam er aan. 'Nou doeg paps.' Hij vermande zich, wilde niet al te zeer voor joker staan tegenover de buschauffeur. 'Laat je niet kisten Roentje!' De bus trok op. Op zondag zaten er altijd maar weinig mensen in. Ik liep naar achteren, klom op de achterbank en zwaaide naar mijn vader. Hij zwaaide terug, drukte een zakdoek tegen zijn ogen. Toen de bus de hoek om reed, zag ik nog net hoe hij zijn handen in zijn zij zette en zijn hoofd achterover gooide om heel veel lucht binnen te kunnen halen. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen