zaterdag 8 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 8 van 60)

Ik werd kort voorgesteld door de juf aan de zesde klas van de Nicolaasschool. Daarna moest ik gaan zitten op de enige vrije plek in de klas, naast een een lange blonde meid. Ze heette Louise. Ze had al borsten. Ze leek wel vijftien. Niemand besteedde aandacht aan me. In de pauzes stond ik maar een beetje voor me uit te koekeloeren, probeerde me onzichtbaar te maken met mijn rug tegen het bruine hout van het schoolgebouw. Het schoolplein was veel kleiner dan bij ons in Amersfoort en je mocht nergens voetballen. Iedereen krioelde door elkaar. Ik vond het maar ruwe kinderen. Aan het eind van mijn eerste schooldag kregen we huiswerk op. Rekenen, geschiedenis, taal. Ik wist niet wat me overkwam. Gatsie, moest ik nou thuis ook nog aan het werk? Met een stapel boeken en schriften onder mijn arm slenterde ik van de Nicolaasschool naar onze flat in de Lorentzstraat. Het was maar vijf minuten lopen. Het motregende. Mijn spullen werden langzaam nat. Ik had geen tas om ze in te doen. Rotboeken. Mijn moeder was thuis zingend aan het schrobben, uitpakken en inruimen. Mijn kamertje was kleiner dan in Amersfoort. Ik had spullen weg moeten doen. Ondanks luid protest en gesmeek had ik onder andere een paar jaargangen Donald Duck weg moeten gooien. 1973 en 1974. Ik kon er nog steeds wel om huilen. Ik sloot mijn kamerdeur, zette mijn transistorradiootje aan en ging Mark een brief schrijven. Ik hoorde mijn stiefvader thuiskomen. 'Zo, Stien.' Kwetterend vloog mijn moeder op hem af. Ze gingen naar de woonkamer, ik hoorde zijn gebrom langzaam zachter worden. Alleen voor het eten zou ik tevoorschijn komen. Verder niet. De volgende ochtend slofte ik met lood in de schoenen naar school en kreeg direct de schrik van mijn leven: proefwerk geschiedenis! De klas zoemde opgewonden, alle boeken moesten van tafel en de juf deelde blaadjes uit. Ik liep rood aan. Wat was dit nu weer? Proefwerk? Wat was dat nu weer? Moest ik een opstel schrijven? Juf dicteerde vragen, die we op moesten schrijven. Over de gouden eeuw. Ik had geen idee waarover het ging. Ik staarde naar de vragen. Wie er de baas was, met wie er oorlog was. Wat voor kleding de mensen droegen. Dat wist ik misschien wel. Pofbroeken, schreef ik op als antwoord. Verder wist ik niks. Bij alle andere vragen schreef ik een vraagteken op. De juf haalde de blaadjes weer op. Toen ze mijn blaadje oppakte, keek ze met afgrijzen naar wat ik opgeschreven had, en daarna naar mij. 'Jij bent ook de slimste niet hè. En wat is dat? Pofbroeken? Wie denk je dat je in de maling neemt?' De volgende dag deelde ze de blaadjes weer uit. Boven de mijne stond een 3 geschreven. 'Voor de moeite dan maar.' Door al mijn vraagtekens stond een rode streep. Mijn vader zal wel op erg op zijn neus hebben gekeken toen hij 's zaterdags bij Amerfoortse Boys kwam. Het was niks voor Jeroen om zomaar niet op te komen dagen, dat vonden ze bij de club ook, maar niemand wist waar ik uithing. Onze telefoon gaf een afgesloten toon. Ik was in rook opgegaan. Het duurde twee volle weken voordat mijn moeder eindelijk zei: 'Nou, bel je vader dan maar op. Maar denkt 'r om hè: alleen het postbusnummer geven.' Ik kreeg een hysterische vader aan de lijn, dan weer huilend, dan weer loeiend van opluchting en ontzetting tegelijk. 'Roentje! Waar zit je dan?' 'We wonen nu in Zandvoort.' 'Wat? Nondeju! Met een andere kerel zeker?' Ik keek even opzij, naar mijn moeder en stiefvader, die meeluisterden. Ik mocht het zeggen. 'Ja.' 'Hoe heet die zak?' 'Ome Klaas.' 'Is-ie wel goed voor je?' 'Ja hoor.' 'Anders moet je 't pappa zeggen hoor. Godverdegodver nogantoe.' 'Jaja pap, maak je geen zorgen, het gaat goed hoor. Ik kom gauw een weekendje naar je toe. Okee?' Hij begon weer te huilen, met lange gierende halen. Hij was dronken. 'Pappa...' Afkappen, gebaarde mijn stiefvader. Hij haalde zijn vinger langs zijn hals. Ik gaf het postbusadres op aan mijn vader. Ons huisadres mocht-ie niet hebben, mijn moeder was bang dat pa misschien met zijn bezopen kop naar Zandvoort zou rijden en amok zou maken. Opnieuw geloei en gevloek aan de andere kant van de lijn. Hij kreeg alleen een postbusadres van zijn zoon. Wat een vernedering. Mijn vader was des duivels. Ik hing op. 'Wát zegt die klootzak allemaal? Of ik wel goed voor dat jong zorg?' Mijn stiefvader trok met zijn mond, spande zijn armspieren aan, ademde snuivend door zijn neus. 'Klaas, rustig. Laat 'm uitrazen, dat trekt wel bij. Hij wil toch ook zijn jongen blijven zien, hij bindt heus wel in. Ik ben allang blij dat-ie alleen het postbusadres heeft. Stel je voor dat-ie het adres van de flat zou hebben en hiernaartoe zou komen.' 'Moet-ie doen. Dan is-ie voor mij.' Ik keek naar mijn stiefvader. Boze stiefvader. Ik zag voor me hoe hij en mijn vader zouden vechten. Hij zou mijn vader vast vermoorden. Als pappa dronken was, dan maakte-ie geen schijn van kans tegen deze woesteling uit Lisse. Misschien zou mijn stiefvader mijn vader wel over de reling van onze galerij gooien. Drie hoog naar beneden, dat zou pappa niet overleven. Of zou hij mijn vader met een mes neersteken, net zoals-ie met die Duitse soldaat had gedaan in de Tweede Wereldoorlog? Mijn stiefvader had opgeschept dat-ie als tienerknaap met een paar kameraden (mijn stiefvader had het nooit over vrienden, altijd over kameraden) 'zo'n vuile rotmof' naar een eilandje in de Kaag had gelokt. Daar hadden ze de soldaat met z'n allen aangevallen en een mes in zijn buik gestoken. 'En dan doe je zó...' Hij omklemde het denkbeeldige lemmet met zijn rechter hand, draaide het me een korte, felle slag naar rechts. '... dan draai je in één keer het hele zooitje kapot, darmen en alles. Nou, dan is het wel gebeurd.' Hij keek er voldaan bij. Benadrukte dat-ie zich er niet op voor wilde laten staan dat-ie die mof had omgelegd met z'n kameraden. Ze hadden gewoon hun bijdrage geleverd. Vergeleken bij zijn moeder stelde-ie niks voor. Dáár waren de moffen pas bang van! 'De hele bollenstreek sidderde en beefde voor dat spul uit Moffrica. Maar voor mijn moeder hadden ze het grootste ontzag. Het was ja mevrouw Akerboom, nee mevrouw Akerboom. Toen ze aankwamen om kolen in te vorderen, ging ze er gewoon met de koekenpan op af. Ze wisten niet hoe snel ze het erf af moesten komen, hahaha! Ze krópen voor d'r!' Ik zag het helemaal voor me. Niet alleen mijn stiefvader was een geweldenaar, ook zijn moeder was een supervrouw. Wat een ruige familie moest dat zijn. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen