zondag 9 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 9 van 60)

Mijn moeder vond het niet verstandig dat ik al te snel bij mijn vader op bezoek zou gaan. Het kon nog wel een paar weken duren voordat de tijd rijp was. Intussen begon ik een klein beetje gewend te raken aan Zandvoort. Het was heel anders dan ik me herinnerde van die keer dat ik een weekje met vakantie naar Zandvoort was geweest. Mijn moeder had een appartementje gehuurd, vlak aan de kust. Mark mocht meekomen en verder waren ook Guusje en Karin van de partij. Mijn moeder was toen al van mijn vader af, dus het was best bijzonder dat ze Guusje mee had gevraagd, mijn halfzus uit het eerste huwelijk van mijn vader. Guusje was zogezegd niks van haar, maar ze hadden toch een goede band. Bovendien had mijn moeder na de scheiding wat vaker contact met tante Mia, de moeder van Guusje en Ton. Ze gingen wel eens bij elkaar op de koffie, konden het goed met elkaar vinden. Allebei getrouwd geweest met Jan de Haan, dat was toch een onderwerp waar ze niet gauw over uitgepraat raakten. Dat naast Guusje ook Karin meeging op vakantie, onderstreepte de uitstekende verhoudingen. Karin was de dochter uit het tweede huwelijk van tante Mia. Al snel na de breuk met mijn vader had tante Mia meneer Theunissen ontmoet. Met hem was ze nu al jaren gelukkig getrouwd en had ze Karin gekregen. En zo was mijn moeder met een bont gezelschap grotere en kleinere kinderen op pad in Zandvoort. Helemaal in haar element. Daar hield ze van, dingen doen die anders waren dan anders. Het Zandvoort van die korte vakantie beleefde ik nu heel anders. Ik speelde niet dagelijks in het zand aan de Noordzee-kust, maar liep gewoon door het dorp. En het was geen hartje zomer, maar half november. Het enige wat hetzelfde gebeven was, was ik dat nog altijd een buitenstaander was. Ik was geen Zandvoorter, maar nog steeds een soort toerist. In de drogisterij annex kapsalon op het winkelpleintje in onze buurt in Zandvoort-Noord waren ook de postbussen. Wij hadden postbus 240. Ik vond het leuk om de post daar op te halen. Ik hield van post. Je wist maar nooit wat erbij kon zitten, het was altijd weer en verrassing. Misschien een kaart of brief van mijn vader. Of post van Mark. Ook Mark en alle anderen die ik kende hadden alleen ons postbusadres. Veiligheidsmaatregel tegen mijn vader. In de postbus kwam vooral post voor mijn stiefvader. Vaak wat grotere, bruine enveloppen, zonder duidelijke afzender. Wat kon daar toch in zitten? In de winkel van de drogisterij hadden ze tot mijn grote vreugde ook voetbalplaatjes. En net als bij meneer Bak hadden ze niet alleen de plaatjes van Panini, maar ook die van Vanderhout. Die vond ik veel mooier dan die stijve, eenvormige Panini-prentjes: alle voetballers in hetzelfde shirtje en bijna geen tekst erbij, zo saai. Nee, dan de plaatjes van Vanderhout, daarop stonden de spelers soms in hun wedstrijdshirt, soms in hun trainingspak, Wimke Meijers zelfs in een stoere leren jas. Jo van Zoest zat mokkend in de dugout in een geel hesje. Jochen Vieten stond geconcentreerd klaar om een bal af te vangen, met één hand tegen de doelpaal leunend. Paul de Jong tijdens het uitlopen op de training. Dát was voetbal! Ook de beschrijvingen van de spelers in het Vanderhout-boek waren veel sprekender dan de korte droge zinnetjes in de Panini-albums. Vanderhout sprak bijvoorbeeld liefdevol over Gerrit Mintjes met een prachtzin als 'Is een meester in het schaduwen van een tegenstander', waar Panini bij alle spelers grossierde in algemeenheden als 'Centrumspits, ook als linkerspits in te zetten'. Wat zei dat nou? Dat leek nergens naar. In heel Zandvoort leek ik wel de enige die voetbalplaatjes spaarde. Ik zag nooit jongens plaatjes ruilen op schoolplein. Er zat niet veel anders op dan mijn vader vragen of hij een paar keer onder verschillende namen prentjes na wilde bestellen. Die truc hadden we al vaker uitgehaald. Nu was het echt bittere noodzaak, zonder jongens om mee te ruilen kreeg ik mijn boeken anders nooit vol. Ik zou het mijn vader vragen zodra ik hem weer mocht zien. In Zandvoort werden dan misschien geen voetbalplaatjes gespaard, en op het schoolplein waren ballen zelfs verboden, maar bij de drie voetbalclubs van het dorp werd fanatiek gespeeld. Je had het chique TZB, de club van de betere mileus. En dan had je volksclub Zandvoortmeeuwen. Zandvoortmeeuwen was een veel grotere club dan TZB, er waren nu eenmaal niet zoveel betere milieus in Zandvoort. In 1975 was er nog een derde club bij gekomen, opgericht door TZB'ers en Zandvoortmeeuwenaren die het bij geen van beide uitersten van clubs naar hun zin hadden. De club noemde zich simpelweg Zandvoort '75. Het was nogal een rel dat de club werd opgericht, het was verraad tegenover allebei de andere clubs. De gemoederen in het vissersdorp liepen hoog op, maar het eigenwijze Zandvoort '75 trok zich daar niets van aan en bouwde een clubhuis in de duinen naast het circuit. Dat vond ik natuurlijk erg interessant, ik was immers groot Formule 1-fan. Bovendien was Zandvoort '75 vlakbij onze flat, op de fiets was ik er in vijf minuten. En dus werd ik lid van Zandvoort '75. Ook bij de club was ik duidelijk een buitenstaander, maar op de trainingen van de C1 viel ik op door mijn tomeloze inzet en de onverzettelijkheid waarmee ik mij vastbeet in tegenstanders. Onze elftalleider, meneer Peitsman, en onze trainer ome Gijs wisten dat op waarde te schatten. Ik werd gewaardeerd voorstopper van de C1. Mijn onzekere middenveldgeklungel bij Amersfoortse Boys verdween als sneeuw voor de zon. Ik was als voorstopper herboren. Ik hoefde alleen mijn tegenstander uit te schakelen, en dan de bal inleveren bij Makkie, Eric of Dries. Die wisten er wel raad mee. In Zandvoort moest je je als import extra bewijzen. Dat deed ik nu. Ik hoorde erbij! Het was niet zo dat ik nu opeens vrienden had, dat ik met jongens mee naar huis mocht of werd uitgenodigd voor verjaardagsfeestjes. Maar het begin was was er. Ik had het zelfs makkelijker in de ploeg dan de geboren en getogen Zandvoorter Carlo, met wie ik ook nog in de klas zat. Carlo bakte er helemaal niks van, struikelde voornamelijk over de bal, en werd de hele wedstrijd lang door de halve ploeg verrot gescholden. Het was een bloedfanatiek team dat geen achterblijvers duldde. Arme Carlo moest dan ook hard boeten voor zijn gehannes links voorin of op het middenveld. Carlo was dan wel geboren en getogen in Zandvoort, maar zijn moeder was Spaans en dus telde hij niet mee als echte Zandvoorter. Hij werd op school veel gepest met zijn rode haar en zijn grote neus. Een buitenstaander. Net als ik. Carlo kon bovendien goed leren, dat werd ook niet echt gewaardeerd op de volkse Nicolaasschool, waar de meisjes later huisvrouw en moeder wilden worden en de jongens visser of monteur. Hoewel de juf ook mij maar en domme jongen vond met mijn pofbroeken, had ik op de Paulusschool altijd goed mee kunnen komen met de besten. Carlo en ik werden automatisch naar elkaar gedreven. Carlo's vader was een ras-Zandvoorter. Dat hij bij Carlo's moeder een kind verwekt had, was achteraf gezien een klein wonder. Want eigenlijk hield de vader van Carlo van mannen. Hij dreef een strandtent op het naaktstrand. Carlo en ik waren daar 's zomers regelmatig op bezoek. We konden in de strandtent van Carlo's vader gewoon onze zwembroek aanhouden. De stamgasten, vooral mannen, zaten bloot aan de bar of aan de tafeltjes. Een enkeling had een t-shirt aan. 'Wat een schatjes hè' hoorden we soms vertederd mompelen als we door de strandtent liepen. We waren altijd heel welkom, iedereen was aardig tegen ons en als we dorst hadden dan kregen we altijd wel van iemand limonade aangeboden. Het was altijd gezellig en ontspannen in de strandtent van Carlo's vader. Het gebeurde regelmatig dat Carlo uren te laat of zelfs helemaal niet op kwam dagen als we afgesproken hadden. Dat kwam door zijn Spaanse achtergrond, zei ome Klaas. Het was allemaal mañana, mañana met die gastarbeiders, daar kon je niet op bouwen. Maar toch was ik blij dat ik een vriendje had. En ook hij had een paar Kiss-elpees. Hij mocht dan een gastarbeider zijn, met zijn smaak zat het wel goed. Op de Nicolaasschool raakte ik iedere week een beetje meer ingeburgerd. Het rauwe volk van de zesde klas liet me in elk geval met rust, terwijl Carlo doorlopend het mikpunt was van pesterijen. Hij was makkelijk op de kast te krijgen met zijn neus, rode haar of Spaanse roots. Misschien was het het Spaanse temperament van zijn moeder dat hem snel deed exploderen. In elk geval sloeg hij er altijd snel op los. Ademloos zag ik hem de ene na de andere grote jongen aanvliegen, meppend en krabbend als een hellekat. Maar de grote jongens waren altijd met meer en sterker en het eind van het liedje was steevast een verkreukelde en bloedende Carlo, die zwijgend zijn boeltje bijeen pakte, langzaam wegliep en statig naar huis fietste. Alweer ten onder gegaan, maar wel stijlvol. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen