zondag 2 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 2 van 60)

De volgende ochtend was ome Klaas weg. Mijn moeder legde uit dat-ie naar zijn werk was. Hij zat in de facilitaire dienst in Mariënhave, een tehuis voor demente bejaarden in Warmond. Facilitaire dienst, dat klonk wel chic. Het was iets met onderhoud. Maar ja, onderhoud, wat was dat eigenlijk, dat zei me niet zoveel. Dement snapte ik ook niet. Klonk behoorlijk mysterieus allemaal. Als een best wel belangrijke baan. Warmond lag in de buurt van Leiden. Wij woonden in Amersfoort, dat was met de auto wel anderhalf uur rijden. Ome Klaas was dus al heel vroeg opgestaan om op tijd op zijn werk te kunnen zijn. Na zijn werk zou hij vandaag eerst naar Lisse rijden. Daar ging hij zijn spullen ophalen bij zijn vrouw. Want ome Klaas was nog getrouwd. Maar dat huwelijk was heel slecht. Het stelde niets voor, al jaren niet meer. Daarom was hij heel blij dat hij bij ons mocht blijven. Met glanzende ogen vertelde mijn moeder hoe ze elkaar hadden ontmoet. Natuurlijk via een contactadvertentie in De Telegraaf. Want zo deed mijn moeder dat altijd: een contactadvertentie zetten in de krant, en dan afspraakjes maken. Ze maakte er bepaald geen geheim van voor ons kinderen. We mochten zelfs meehelpen met openen en doorlezen van de enorme hoeveelheid brieven die ze kreeg. Vijftig brieven per contactadvertentie was niks. Mamma viel kennelijk nogal in de smaak met haar advertenties. Er waren genoeg mannen die wel warmliepen voor die mollige gescheiden vrouw van eind veertig met twee thuiswonende zoons. Sommige brieven waren kort en saai, andere wel acht kantjes lang met een compeet levensverhaal erin, en sommige brieven waren gewoon heel grappig. Het meest gelachen hebben we om een brief van een boer met acht kinderen. De boer was weduwnaar. Hij zag het al helemaal zitten, als mijn moeder van aanpakken wist op de boerderij dan mochten we ongezien bij hem en zijn kinderen intrekken. Er zat een zwart-wit pasfotootje bij van de boer: een olijke dikke kop met een knots van een bril op zijn neus. Hij heeft zijn brief en pasfoto keurig retour gekregen via de post. Mamma liet de mannen die haar wel wat leken standaard opdraven in het restaurant van station Amersfoort. Als het gezellig was geweest dan mocht zo'n man direct mee naar huis om te blijven slapen. Meestal zorgde mamma ervoor dat Pim en ik daar niet zo veel van merkten. Als zo'n man een blijvertje was, dan sprak ze af dat ze elkaar voortaan bij hem thuis ontmoetten. Mijn moeder vertrok dan in de loop van de zaterdag naar Amsterdam, Leiden, Rotterdam of waar dan ook. Ze bleef dan een nacht daar, en kwam in de loop van de zondag weer thuis. Pim moest dan in de tussentijd op mij passen. Dat deed hij met grote tegenzin. Hij trok zich dan mopperend terug in zijn kamer en kwam daar pas tegen vijven uit om vloekend en sissend te proberen iets te eten voor ons te maken. Vaak mislukte dat. Zelfs een diepvriespak spinazie á la crème liet-ie aanbranden. Dan werden het maar weer boterhammetjes. Na het eten ontspande Pim meestal wel weer, want dan ging de tv aan. Eerst keken we Duits voetbal, Die Sportschau. Daarna de Weekend Kwis of een show van André van Duin of de Mounties of iets anders om te lachen. En ´s avonds laat kwam er op Duitsland vaak een science-fiction-film of een Dracula met Christopher Lee. Superspannend en lekker eng. Dat mocht ik allemaal meekijken van Pim. Van mijn moeder mocht dat nooit, dus ik vond het atijd wel leuk als mijn moeder op pad was en Pim op mij paste. Ook overdag op zulke zaterdagen, als Pim zich mokkend had verschanst in zijn kamer, vermaakte ik me wel. Eerst ging ik dan met mijn voetbaltas op mijn fiets naar Amersfoortse Boys, de club waar ik op zat. Ik zag daar meestal ook mijn vader. Als we thuis speelden, dan was pappa er sowieso altijd bij. De meeste uitwedstrijden ook. Dan reed-ie in zijn rood-paarse Eend, met een achterbank vol spelertjes, mee naar Barneveld, Leusden, Baarn of Achterveld. In zijn beige regenjas stond-ie gespannen langs de lijn mee te leven met me. ´Niet bang zijn voor de bal Roentje, trek dat poot niet in!' Hij moedigde me aan met felle kreten en gebaren, wat me aarzelender in mijn spel maakte. Onze elftalleider, een norse man met een druipsnor en een kapsel á la Paul Breitner, had me uitgelegd dat ik mijn rugnummer 14 heus niet had gekregen omdat-ie in mij de nieuwe Johan Cruijff zag, maar gewoon omdat ik de slechtste van de veertien spelertjes van de E4 was, en daarom het laagst te vergeven rugnummer had gekregen. Dat maakte me onzeker. Ik was bang voor de bal, bang om de bal verkeerd te raken. Als links- of rechtshalf (daar zette Paul Breitner de spelertjes neer de het minste konden, daar konden ze niet zo gek veel kwaad aanrichten) verstopte ik me maar wat, trapte verdwaalde ballen lukraak naar voren. Af en toe sloop ik richting het vijandelijke doel en waagde zo nu en dan een schotje. De drie keren dat het me zowaar lukte om voor Amersfoortse Boys een doelpunt te maken, waren voor mij en mijn vader ongekende hoogtepunten. Ikzelf ontplofte van pure opluchting, mijn vader explodeerde van opgekropte vadertrots. Mijn winnende treffer in de uitwedstrijd tegen Baarn, een kopbal nota bene, was de meest heroïsche van de drie, want het was de beslissende. Regen met bakken, het strafschopgebied één grote modderpoel, kopbal Roentje van dichtbij: 0-1 winst in Baarn! Mijn vaders tranen losten op in de regen die over zijn gezicht stroomde. Mijn vader was erg gezien bij de club. Na de wedstrijd kwam-ie met een dienblad vol flesjes Exota de kleedkamer in, wat hem bij al mijn teamgenootjes erg populair maakte. Ook de clubleiding zag mijn vader helemaal zitten. Verschillende malen is hem gevraagd of hij geen teambegeleider wilde worden bij Amersfoortse Boys. Maar daar begon mijn vader niet aan. Na afloop van de wedstrijd nam mijn vader mij meestal nog even mee de stad in. Samen op de fiets, of soms ik op de fiets en mijn vader in zijn Eend er achteraan. We spraken dan ergens in de stad af en deden wie er het eerste was. Ik fietste wat ik kon, was in gedachten Henk Lubberding die ontsnapt was aan het peloton en meestal won ik. We wandelden wat door de winkelstraten in het centrum, gingen een patatje halen of ergens wat drinken. Als toetje mocht ik dan nog een stripboek uitzoeken in een boekwinkel, of een singletje bij Keistad, de platenwinkel. Ik ging dan helemaal blij naar huis met een Kuifje of de nieuwste Suske en Wiske, of met een mooie single van Blondie of Kiss. Eenmaal thuis was Pim dan intussen wel wakker, maar niet te horen of te zien tot vier uur. Ik speelde dan Formule 1-races na op mijn kamertje. Met wasknijpers maakte ik een lang en bochtig circuit en scheurde er met mijn dinky toys hartstochtelijk op los. Op de daken van de auto's had ik nummers geplakt die verwezen naar de bolides van Formule 1-coureurs zoals die in het echt rondreden. Mijn favorieten waren Mario Andretti (ik vond de zwarte Lotus waarin hij in het echt reed zó ontzettend mooi) en Bruno Giacomelli (gave naam!) en ik liet hun tweetjes de meeste races winnen. Toen Ronnie Petterson in het echt verongelukte tijdens een race, heb ik zijn dinky toy in een doosje opgeborgen en achter wat boeken in de kast gezet. Af en toe haalde ik het doosje tevoorschijn en keer er even eerbiedig naar. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen