donderdag 13 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 14 van 60)

Mijn moeder was in alle staten van paraatheid door de verhuizing naar Aerdenhout. In de woonkamer in Zandvoort stond ze tussen tientallen verhuisdozen, de meesten nog maar half ingepakt. Zoals altijd wanneer ze hevig opgewonden was, haalde ze ook nu haar keelslijm op, spuugde het in haar handen, en wreef het brok slijm razendsnel fijn tussen haar handen. Ze kon dat zó snel, dat je haar vingers niet meer kon onderscheiden en dat haar handen ervan klapperden. Haar gezicht trok hierbij in een idiote grimas, haar ogen stonden scheel. Een akelig gezicht. Als ze uitgewreven was, ging haar gezicht weer normaal staan. Ze lachte naar me, zag mijn vertrokken smoeltje. 'Zo deed je oma dat ook altijd. Is heel goed voor de handen, daar blijven ze lekker zacht van.' Zuchtend begon ook ik maar weer in te pakken. Dit werd mijn zevende huis al. Ik was nu 12, dus nog geen twee jaar per huis. Ik begon een intense hekel te krijgen aan de verhuisdrift van mijn moeder. Aerdenhout lag halfweg Zandvoort en Haarlem. Voor school was het wel prettig dat ik dichterbij kwam te wonen, maar van Zandvoort '75 was ik nu twintig minuten fietsen verwijderd. Het was wel wennen, in een huis te wonen boven een kantoor. Er werkten wel honderd mensen bij de Stichting. Die waren er nooit allemaal tegelijk, maar met doordeweeks gemiddeld vijftig, zestig aanwezigen was het toch een drukke, zoemende bijenkorf. Beneden kwam je binnen in een grote hal met een witmarmeren vloer. Als looppad lag een rood tapijt in het midden. Meteen rechts was een loket, waar mensen zich konden melden. Hierachter zaten de telefooncentrale en de adminstratie, verreweg het grootste kantoor. Hier zaten ook de aardigste mensen. De telefonistes zwaaiden vrolijk naar me als ik thuis kwam en met mijn grote schooltas langs hun ramen slofte. Ook de grote baas van de Stichting, meneer Van der Veer, had op de begane grond zijn kantoor, het grootste kantoor van het hele pand. Naast hem had zijn secretaresse, mevrouw Van Laar, ook een eigen kantoor. Mevrouw Van Laar, zo wist mijn stiefvader al binnen een paar dagen te vertellen, was verliefd op haar baas. Ome Klaas had ze een keer betrapt toen ze stonden te zoenen. Dat was om zes uur geweest. Het kantoor was officieel al dicht, mijn stiefvader hoorde een gerucht en ging even kijken. Die eerste weken was hij immers extra waaks. Het licht op het kantoor van meneer Van der Veer bleek nog aan te zijn. Meneer Van der Veer werkte vaak over en dan bleef mevrouw Van Laar ook, om hem daarbij te assisteren. Toen mijn stiefvader het kantoor binnenstapte, hing mevrouw Van Laar om de hals van haar baas en zoende hem op de mond. 'Ehm... meneer Akerboom, dit hebt u natuurlijk niet gezien.' Meneer Van der Veer had zijn stropdas rechtgetrokken, zijn aktentas gesloten en was weggegaan. Een ontdane mevrouw Van Laar biechtte in tranen op dat ze verliefd was op haar baas, maar ook dat het niets kon worden zolang hij nog getrouwd was. Ze vroeg mijn stiefvader dringend om er met niemand over te praten. Dat beloofde hij. Hij vond het wel een mooi verhaal, vertelde het met smaak aan ons tijdens het eten. Een mooi verhaal. Misschien kwam het hem nog wel eens van pas. Op de eerste verdieping waren ook een heleboel kantoren, het personeelskeukentje en de deur naar onze woning op zolderétage. Achter de deur ging het eerst twintig treden stijl omhoog, over dik bloedrood tapijt. Op het overloopje kon je naar rechts, waar het nette echtpaar een grote slaapkamer had. Linksaf voerde naar een logeerkamertje aan de rechterhand, met daar weer achter mijn kamer. Aan de linkerhand kon je via een klein deurtje naar een gigantisch dakterras. Ging je rechtdoor, dan kwam rechts de woonkamer. Ook die was erg groot, zo groot had ik het nog nooit thuis gehad. Ten slotte kwam nog de smalle keuken, met een voor zo'n enorm huis merkwaardig klein douche-toilet. Het was dan ook geen normale woning. Het was een hele grote zolder, aangepast aan bewoning. Een zolder met allerlei hoekjes. En met overal ramen die uitkeken op blauwe lucht of boomtoppen. Arbeiders op eenzame hoogte tussen de rijksten van Nederland. Twee avonden per week, op donderdag en vrijdag, daalden ze na het eten af naar de kantoren. Ik deed boven de afwas terwijl het het concierge-duo met stofzuiger, emmers sop, doeken en de rest van hun bewapening aan de slag ging om het grote gebouw van de Stichting schoon te maken. Ze hadden hun handen vol, kwamen pas na half elf weer boven. Ik vond het prima. Op donderdag en vrijdag was ik dus de baas van de tv. Was er niks op tv, dan kon ik hard mijn Kiss-platen draaien. Ik droomde dat ik voor bomvolle stadions vol gillende meisjes speelde terwijl ik de partijen van Peter Criss in de lucht meedrumde. Het zweet gutste van mijn hoofd. Ze hadden het zwaar met die twee lange schoonmaakavonden aan het einde van de week. Ze waren toch al vijftig geweest, mijn stiefvader had er ook nog zijn volle baan in de facilitaire dienst naast. Al dat gesleep en al die trappen op en af, het was een hele inspanning. En dan nog bladeren vegen op zaterdag, om de week gras maaien en onkruid wieden, een paar lampen vervangen op zondag. Het hield eigenlijk nooit op. Maar we woonden gratis. In het poenigste dorp van Nederland. Ze moesten doorzetten. * Mijn moeder drentelde ongedurig door ons huis, van raam naar raam. Haar ogen had ze groot opgezet, ze hijgde een beetje. Het was anders dan anders, als ze een opvlieger had en voor een open raam druk met haar armen stond te wapperen om maar zoveel mogelijk lucht naar haar gezicht te duwen. 'Het is niet goed hier. Dit huis...' Ze keek nu door het raam in de woonkamer, de verstilde groene tuin in met de hoge, zwijgende bomen eromheen. Paniekerig schoten haar ogen van links naar rechts. Overal groen. Overal stilte. 'Misschien moet je nog wennen mam. We wonen hier pas zes weken.' Ze herpakte zich. 'Ja.' Ze ging het eten opzetten. Haar man kon zo thuiskomen. * Het begon vroeger donker te worden, het was al laat in oktober. Fietsen met licht. Ik moest harder trappen wanneer ik naar Zandvoort fietste met de remming van de dymano op mijn voorband. Het regende ijskoude druppels. Ik voelde het niet. Ik ging trainen. Mijn gezicht was nat, het water kwam nu ook door mijn jack heen. Ik reed Zandvoort binnen, won het van de tegenwind en bereikte het clubhuis bij het circuit. Meneer Peitsman keek met een bezorgde blik naar de hemel. 'Wat zullen we doen jongens... nou okee, omkleden dan maar.' De helft van ons team was niet op komen dagen door het noodweer. Het bliksemde steeds dichterbij, de striemende regen werd hagel. Steeds grotere hagelstenen denderden neer op het veld, op ons, op ons lijf, in ons gezicht. Het donderde en het bliksemde, steeds harder en dichterbij. Meneer Peitsman staakte ons partijtje. 'Naar binnen, hup, als de donder jongens!' Woedend bleef ik staan. 'Ik wil trainen!' gilde ik. Meneer Peitsman pakte me bij mijn arm, ik trok me los, hij gaf het op en draafde achter de jongens aan naar de beschutting van de kleedkamer. Huilend bleef ik staan. Druipnat, de hagel geselde mijn gezicht. Maar de lichtmasten schenen door. Ik pakte de bal en ging 'm hooghouden. * We woonden nu ruim twee maanden boven de Stichting. Ma hield het niet meer vol. Wist zich overdag geen raad. Was bang. Opgejaagd. Beet nagels. Tot mijn stiefvader uit Warmond thuiskwam. Dan ging er een knop om in mijn moeders hoofd: de knop van vrolijk en gezellig werd ingedrukt. Haar stem ging een paar octaven onhoog, ze lachte om alles. Ze deed overdreven. Vreemd. Haar man leek niets in de gaten te hebben. Vertelde zijn gewichtige belevenissen met Dick in de facilitaire dienst. At zijn eten, liet zich zijn koffie en cognac inschenken. Zo lang mijn moeder gedienstig bleef, en ik zorgde dat ik niet of nauwelijks opviel in huis, was de sfeer in elk geval niet al te grimmig. Terwijl mijn stiefvader in de woonkamer naar een schlagerfestival zat te kijken, greep mijn moeder mij in de keuken bij mijn arm. Met groot opgezette ogen keek ze me verdwaasd aan. Gejaagd begon ze te fluisteren. 'Ome Klaas mag niks merken. Komend weekend smeren we 'm. We gaan naar het Blijf van mijn lijf-huis in Utrecht. Ze weten ervan, we worden zaterdag verwacht. Zeg niks tegen hem. Ik regel 't.' Mijn moeder overviel me totaal met haar plan, maar ik zag het gelijk zitten. Mijn stiefvader een hak zetten, daar was ik wel voor te porren. Wat een avontuur kon dit worden, tjonge, naar het Blijf van mijn lijf-huis. Daar had tante Greet ook wel 's gezeten met een paar van haar kinderen. Oom Harry had namelijk losse handjes waarmee-ie hard kon slaan als-ie weer 's bezopen was. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen