dinsdag 18 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 19 van 60)

Ome Klaas belde de huisarts. Ik lette ondertussen op mijn moeder, die steeds snellere rondjes om de bijzettafel draafde en daarna pardoes op de bank ging liggen. Ze greep jeremiërend in haar haar, stond van de bank op en ging daarna weer in looppas rondjes om de tafel rennen. Ze hijgde als een karrenpaard. Nog een half uur, dan trapte de C1 van Zandvoort'75 thuis zonder mij af tegen Kennemerland C1. Er ging een steek door mijn hart. 'Anderson zegt dat we met 'r naar de eerste hulp moeten gaan.' Meneer Anderson was onze huisarts uit Zandvoort. Die hielden we nog steeds aan. Mijn stiefvader schoot de gang op, had zijn jack aan en had zijn autosleutel klaar, de sleutelpunt omhoog gestoken tussen zijn wijs- en middelvinger door. 'Neeeeeeeeeeeeeeejjj!', krijste mijn moeder lang en loeihard. Op haar rode gezicht stond nu geen angst meer te lezen, maar razernij. Ze had absoluut geen zin in een autoritje richting eerste hulp. Terwijl ik mij in mijn schoenen wurmde, begon ome Klaas aan mijn moeders arm te trekken. 'Kom Stien, voor je eigen bestwil...' Ze maakte afwerende gebaren, deed grrrrrr, sloeg theatraal maar niet hard naar de arm van haar man. Ze wilde indruk maken, maar hem niet echt pijn doen. Ondanks haar acute gekte had ze zichzelf toch ook nog wel een beetje onder controle. Nog 25 minuten. 'Huuuuuuuuuh..!' Mijn moeder ging erbij liggen en gierde een gemaakte huiltoon. De idiotie spatte er vanaf. 'Neeeeeee Klaas!' Hij sjorde nog even aan haar arm, hoorde een snerpend 'Auw-auw-auw-auw-auw!' en gaf het toen op. Hij keek secondenlang uitdrukkingsloos naar zijn op de grond kronkelende vrouw. Toen wendde hij zich af en ging opnieuw bellen naar meneer Anderson. Ik had dit sezoen nog geen wedstrijd gemist. Ik was er altijd bij. Had altijd een basisplaats. En nu dit. Wat een rampzaterdag. 'Hij stuurt een ambulance.' Mijn stiefvader zeeg op een stoel en begon hartstochtelijk te wenen. 'Wilt u koffie?' Ik zei u tegen hem. 'Ja...' Zijn ogen waren gesloten, zijn wangen nat. Ik ging naar de keuken. Even weg bij mijn spartelende moeder en mijn jankende stiefvader. Ik zette een volle pot koffie. De mensen van de ambulance wilden misschien ook wel een bakkie. De man en de vrouw van de ambulance waren heel vriendelijk. Ze kregen mijn moeder gemakkelijk mee. Ze was een kwartier daarvoor uitgeput op de bank in slaap gevallen en was nu zo duf en verdwaasd dat ze het allemaal wel best vond wat er gebeurde. Ome Klaas had zich tegelijk met mijn koffie een flinke bel Dujardin ingeschonken en was nu nog steeds huilerig, maar kon inmiddels weer een grapje maken. 'Nou... dan zie je mij ook 's flink tjenken, hè Nelis!' Hij zei nooit huilen of janken, maar tjenken. Zo heette dat nou eenmaal in de bollenstreek, had-ie ooit gezegd. Zijn wimpers kleefden aan elkaar van het traanvocht. Ik hoefde niet mee naar het ziekenhuis. Ome Klaas vond dat te druk worden. In zijn Mitsubishi reed-ie achter de ziekenwagen aan. Ik zwaaide de beide auto's na. Kwart voor één. Als ik nu op mijn fiets zou springen, kon ik het laatste halfuur misschien nog meedoen. 'Hé Jeroen.' Meneer Peitsman keek verrast en lachte. 'Hoeveel staat 't?` 'We staan 4-1 voor.' 'O. Okee. Hoe lang nog?' Ik hoopte dat meneer Peitsman zou zeggen dat ik me maar gauw om moest kleden, zodat ik nog een minuut of twintig mee kon doen. 'Ehm... dik vijfentwintig minuten nog. Nou, dit geven we heus niet meer weg hoor.' Hij knipoogde naar me. 'Alles weer goed met je moeder?' 'Ja... ze moet alleen goed uitrusten.' Meneer Peitsman sloeg geen acht op mijn voetbaltas, die ik pontificaal naast zijn voeten had gezet. De hint ontging hem volledig. 'Grote klasse hoor Jeroen, dat je toch nog gekomen bent om je team aan te moedigen. Je bent een échte sportman!' Hij sloeg me op de schouder en concentreerde zich weer op het spel. Heel langzaam fietste ik naar huis. Meneer Peitsman en mijn teamgenootjes vonden het tof van me dat ik toch nog was gekomen om de wedstrijd af te kijken. Ikzelf was teleurgesteld. Ik had zo graag nog even meegespeeld. Met mij erbij was die ene tegengoal vast niet gevallen. Ik sipte wat voor me uit terwijl de herfstbladeren me om het hoofd waaiden. Ik reed Bentveld uit, Aerdenhout binnen. Hoe zou het nu thuis zijn? De Galant stond weer onder het afdakje. Ik zette mijn fiets in de schuur, ging door de achterdeur naar binnen en begon de trappen te beklimmen. Ome Klaas zat op de bank. De tv zoemde zachtjes. Mijn stiefvader zat er vermoeid, maar naar omstandigheden redelijk ontspannen bij. Voor hem stond zijn cognacglas, de fles was bij de hand en in de vingers van zijn rechterhand klemde hij een shaggie. Hij sprak zacht. 'Vannacht houden ze je moeder daar. Dan kan ze bijkomen. Morgen zien we wel weer verder.' Hij schonk cognac bij. Zwijgend sloop ik naar mijn kamer. Ik begon honger te krijgen. Er was vast nog wel brood en pindakaas. Over drie uur begon Langs de lijn. Die zondagmiddag ging hij terug naar de PAAZ-afdeling van het Elisabeth Gasthuis. Het bleek dat ma zaterdagnacht volledig door het lint was gegaan. Gillen en schreeuwen tegen de verplegers en de andere patiënten. Ze hadden haar met de nodige moeite weten te kalmeren. Een pil wilde ze niet slikken, een prik wilde ze ook niet. Ze verweerde zich als en leeuwin, ze worstelde en krabde. Toen werd het alsnog een spuitje, dan maar zonder haar medewerking. Voorlopig hielden ze haar daar maar even. Hij kon elke dag even langskomen als-ie wilde. Thuisgekomen, nog met zijn jack aan zittend op de bank, vertelde hij me kort en bondig hoe de vlag ervoor stond. Daarna meden we elkaar weer. Hij nam plaats voor de buis met drank en peuk. Hij zat er kalmpjes bij, alsof zijn vrouw helemaal niet zo gek als een cent achter gesloten deuren zat, maar alleen even boodschappen was gaan doen of zoiets. Ik zette op mijn kamer de radio aan en haalde mijn stapel Suske en Wiskes tevoorschijn. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen