woensdag 19 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 20 van 60)

Het ging niet goed met ma op de PAAZ van het Elisabeth. Het werd maandag en het werd dinsdag, maar minder gek werd mijn moeder niet. Dinsdagavond was ik voor het eerst meegeweest om haar te bezoeken. De hele autorit lang, op weg naar het ziekenhuis, hadden mijn stiefvader en ik zwijgend naast elkaar gezeten. Zwijgen deed mijn moeder ook, dat wil zeggen tegen mij zei ze niets. Ook ome Klaas kreeg er niet veel uit. 'Ik weet 't niet Klaas, ik weet 't niet...' stamelde ze af en toe. Slaakte een diepe zucht. Zei 'Ga maar weg. Laat mij maar doodgaan.' Mijn moeder wilde doodgaan? Klamme angst kroop in mijn hart. Diep van binnen voelde ik paniek in mij opkomen. Zwijgend waren we ook weer naar huis gereden. In mijn hoofd spookten mij moeder en de rest van de PAAZ-bewoners nog na. De helft zat er als een zombie bij, de andere helft zat raar in zichzelf te murmelen of als een pendule heen en weer te schudden op een stoel. Je kon precies zien wie hier op bezoek was en wie niet. Het leek trouwens wel of al die gekken non-stop rookten. De hele PAAZ-afdeling stond strak blauw en de lucht bewoog maar heel traag. Nog steeds zwijgend bereikten we de Van Lennepweg. De irritatie links van mij was voelbaar en werd steeds groter. De Galant draaide de parkeerplaats van de Stichting op, krulde om het gebouw heen naar het afdakje aan de achterkant, naast de schuur. Achter de grote gestalte van mijn norse stiefvader aan stapte ik mee de trappen op. In de woonkamer aangeland gooide hij zijn sleutels op tafel, ging zitten en gebaarde mij hetzelfde te doen. Hij keek me dringend aan. 'Kijk, Nelis. Laten we maar eerlijk zijn. Ik moet jou niet en jij hebt de schurft aan mij. Maar nu is je moeder ziek en moeten we 't samen rooien. Okee?' Het was een korte, felle toespraak. Hij had zijn hand naar me uitgestoken over de tafel. Ik kon niet anders bedenken dan dat-ie gelijk had. Ma doorgedraaid en opgeborgen. Daar zaten we dan. We moesten nu een team vormen. Voor mamma. Ik schudde hem de hand. Hij kwam direct ter zake. 'Om te beginnen moet je me helpen met de kantoren schoonmaken op donderdag en vrijdag. En met de andere klussen natuurlijk. Voor het eten zal ik zorgen maar dan moet jij de boodschappen doen.' Hij sprak snel en weloverwogen. Hij bedacht het niet ter plekke, hij had het eerder al bedacht. Het klonk heel redelijk. Het was een goed plan. We moesten samen sterk zijn voor onze moeder en vrouw. Donderdagavond hielp ik voor 't eerst met schoonmaken. In de vroeg avond waren we snel nog even langs de PAAZ gereden, daarna ging het terug naar de Stichting. We pakten stofzuigers en emmers, en gingen aan de slag op de eerste étage. Ik werd overspoeld met instructies. Ome Klaas had vroeger een eigen schoonmaakbedrijf gehad en was dus heel kundig op dit terrein. Niet om dingen heen poetsen, naar ze optillen en ook daaronder poetsen. Spullen altijd een beetje verschuiven, zodat de mensen van kantoor goed konden zien dat de schoonmaak bezig was geweest. Kwistig sprayen met de vanille-spuitbus. Ik had er wel schik in. Vond tussen dooie vliegen hier en daar een dubbeltje of kwartje op de grond in het tapijt. Dat ging dan mooi in mijn achterzak. Van die lullige vijf gulden zakgeld die ik per week kreeg, kon ik het immers onmogelijk rondbreien. Een jongenskaartje bij Haarlem kosste al drie gulden en dan kwam het programmaboekje er ook nog bij. Plus de kosten die ik had voor voetbalplaatjes. Die vijf gulden kon ik wel tien keer uitgeven. Fluitend liet ik mijn stofzuiger over de vloerbedekking scheren. Ik hoorde paperclips met luid getik door de stofsluigerslang naar binnen getrokken worden. Ik was in mijn nopjes. Dit was belangrijk. Mijn moeder kon nu niet werken, dus deed ik het voor haar. En mijn stiefvader bofte toch maar met zo'n ijverige jongen als ik. Zelfs toiletten boenen vond ik sport. Ik ronkte van genoegen. Ome Klaas merkte hier allemaal niets van. Zonder iets te zeggen, met strakke kaken en getuite lippen werkte hij zijn wekelijkse donderdagavondritueel af. Pas toen we klaar waren voor die avond, tegen elven, we de schoonmaakspullen opgeborgen hadden en boven op de bank neerploften, kon ik zien hoe uitgeput mijn stiefvader was. * Na twee weken PAAZ was het nog steeds niks met mijn moeder. We waren elke avond samen op bezoek geweest, behalve maandag en woensdag als ik ging trainen. Daar kreeg ik gelukkig vrijaf voor van ome Klaas. Hij ging dan alleen. Mamma was nog steeds maf, suf, teneergeslagen en nergens in geïnteresseerd. Ze wilde alleen maar slapen, reageerde geërgerd op onze vragen en begon zo langzaamaan ook een beetje te ruiken. Ze wilde zich niet douchen. 'We hebben van alles geprobeerd, maar uw vrouw wil het pertinent niet. Tja en dwingen... dat kunnen we niet.' Ik begon het vies te vinden om mijn moeder een zoen te geven. Ik deed het vlug en ik zorgde ervoor dat ik daarbij niet door mijn neus ademhaalde. Ome Klaas liet zich niet ontmoedigen door de desinteresse van zijn echtgenote. Hij bleef haar liefjes toespreken, aaide haar hand en nam elke dag wat lekkers voor haar mee. Mentos, Appelsientje, chocolade. Of bloemen. Het begon op te vallen bij het ziekenhuispersoneel. 'Nou meneer, u verwent uw vrouw wel zeg. Je kunt wel zien dat u veel van uw vrouw houdt.' Dan knikte ome Klaas bescheiden, met een zwak grijnsje. Maar in zijn ogen zag ik dat hij ervan genoot dat de mensen in de gaten hadden dat hij zo goed voor zijn vrouw was. Thuisgekomen was hij weer dezelfde zwijgzame ome Klaas zoals ik die kende. Hij zat daar maar op de bank. In sombere gedachten verzonken. Dronk steeds meer cognac. Soms ging er op een avond bijna een complete halve-literfles van Dujardin doorheen. Ik stelde me voor hoe dat iedere maandag in de Dujardin-fabriek moest gaan. 'Hoe zijn de weekcijfers van de verkoop, Piet? 'Redelijk Henk, redelijk. Kan beter.' 'Da's waar Piet. Maar gelukkig hebben we Akerboom in Aerdenhout.' 'Zo is 't Henk. Op Akerboom kunnen we altijd rekenen. Die houdt de boel hier wel draaiende!' Waarop de beide directeuren een proost uitbrachten op hun trouwe klant in Kennemerland. 'Ach Nelis...' Ik schrok op uit mijn Dujardin-fantasie. Mijn stiefvader´s hoofd hing voorovergebogen. Hij ondersteunde het met zijn handen, de ellebogen op zijn knieën. Tussen de vergeelde vingers van zijn rechterhand klemvast het onafscheidelijke sigaretje. De rook steeg kringelend op. Ik hoorde hem snikken. Eerst een beetje. Grote tranen dropten via wangen en kin op de houten vloer. Het snikken werd luider. Lange halen. Er kwam snot bij. 'Woe-woe-woe-woe-woe...' De remmen gingen los. Uit de keuken haalde ik papier van de keukenrol. Aarzelend reikte ik hem dat aan. Hij zag 't niet, ging maar door met zijn wolvengehuil. Ik tikte hem op zijn schouder. Hij schrok op, pakte het keukenpapier aan. Zijn verkreukelde gezicht vervulde me met afkeer en medelijden tegelijk. Hij snoot zijn neus en veegde al het vocht van zijn gezicht. 'Dank je... hè-hè...' Ik was blij dat hij zich nu herpakte. Ik vond het wel genoeg zo. Straks had ik 'm nog uitvoerig moeten troosten, een arm om hem heen slaan of zo. Ik moest er niet aan denken. 'Ze kunnen je moeder daar niet langer houden.' Hij sprak moeilijk, met verstikte stem. In zo'n PAAZ doen ze alleen de eerste opvang. Daarna is 't terug naar huis of naar 't gesticht. O God...' Het woe-woe-woe begon weer. De sluizen gingen helemaal open. Hij was goed dronken. De fles cognac was leeg. Wat nu te doen? Water? Of toch een andere fles drank neerzetten? Koffie misschien? Ja, dat was 't beste, ik ging koffie voor hem maken. Hij roerde in zijn kopje, schraapte zijn keel. 'Ze gaat maandag over naar de Bavo in Noordwijk. Daar gaan ze verder kijken wat ze kunnen doen.' En weer schoot-ie vol. Hij ging er maar bij liggen op de bank. Met een pijnlijk vertrokken grimas en onregelmatig snurkend sliep-ie in. Uit de gang haalde ik een lange winterjas van mijn moeder. Daarmee dekte ik hem een beetje toe. Toen knipte ik het licht in de woonkamer uit en ging ik naar mij kamer om daar in bed nog wat Donald Ducks te lezen. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen