zondag 16 juni 2013

De bomen schudden nee (deel 16 van 60)

In het Blijf van mijn lijf-huis kregen we een stapelbed toegewezen in een kamer waar ook een moeder met haar dochter sliep. Het meisje heette Miranda, was een jaar of zes en speelde de meeste tijd met haar knuffelpop. Ik speelde wat met haar mee, vond het wel leuk om voor even haar grote broer te zijn. Ondertussen luisterde ik de opgewonden gesprekken af die onze moeders met elkaar voerden. 'Ik dacht, straks vermoordt-ie ons nog.' 'Ik ben ook zó bang voor die van mij...' 'Dat kind heeft het allemaal niet zo in de gaten, gelukkig. Maar ik denk, voordat-ie haar ook gaat slaan...' 'Drinkt die van jou ook?' 'Jaja... en meermalen gedreigd met zelfmoord. Ja Jezus, dóe dat dan man, dacht ik steeds.' 'Dat zou wel makkelijk zijn...' Een derde vrouw, een pronte Surinaamse, mengde zich in het zorgelijke gesprek. 'Mij heeft-ie achter de ramen gezet. Ben je dan lekker.' Kreetjes van ontzetting. Mijn moeder was veel in gesprek met de leiding. Ik speelde dan met Miranda, legde een kaartje met wat andere jongens, of lag op bed te luisteren naar wat de Blijf van mijn lijf-vrouwen elkaar vertelden. Radio of tv was er niet, maar ik maalde er niet om. Ik vond het wel een spannend avontuur en voelde me sterk en bijzonder. Geregeld werd de betrekkelijke rust verstoord door ruzies tussen de opgefokte moeders of hun kinderen. Er werd ook gepikt, je moest goed op je spullen letten. Er kon ieder moment een vrouw in hysterisch gekrijs of gehuil uitbarsten. Alleen als er een man voor de deur stond die schreeuwend en op de zware buitendeur bonkend zijn vrouw opeiste, gleed een vreemde, diepe stilte door het pand. Alles en iedereen zweeg dan. Er was dan alleen dat woedende mannengebrul. Na een tijdje hield het ook altijd weer op. Via een intercom dreigde de huisleiding met de politie als er geen normaal gesprek mogelijk was. Soms kwam het daadwerkelijk zo ver en voerde de Utrechtse politie zo'n schuimbekkende woesteling af. Andere keren beukten kerels zich moe op de loodzware voordeur. Dit huis was een onneembare vesting. Een Zwitserse kluis. Een schuilkelder tegen vliegtuigbommen. In mijn vuistje lachtte ik om al die stomme kerels die zich belachelijk stonden te maken voor dit huis. Ze konden ons niks maken. Na twee dagen belde mijn moeder naar mijn stiefvader. Hij was op de avond van onze vlucht door de Utrechtse politie gebeld en ingelicht dat we voorlopig ergens ondergedoken zaten. Ze onthulden niet waar we zaten, dat zou hij later nog wel horen, als de tijd rijp was. Hij had furieus gereageerd, zei de leiding tegen mijn moeder. Mijn moeder had lange gesprekken met de leiding gehad. Ze was toch zo bang voor haar man. Dat hij ons iets aan zou doen. Altijd hing die dreiging in de lucht. Nee, hij had haar nog nooit geslagen. Maar dat kon niet lang meer duren. Ze had het in zijn ogen gelezen. Die blik kende ze nog van haar tweede man. De leiding wilde weten of mijn moeder wilde dat het weer goed kwam tussen haar en ome Klaas. Het antwoord was twee dagen lang 'weet ik niet' en werd toen 'ja, ik denk 't wel...' Toen vond de leiding het tijd worden dat mijn moeder hem op zou bellen om te vertellen waar we zaten. 'Het moet er toch een keer van komen dat je contact opneemt als je nog wilt dat het wat wordt. En als het fout gaat aan de telefoon, en hij komt hierheen om stampij te maken, dat weet je dat je hier veilig zit. Hij kan je hier niets doen. Okee?' Mijn moeder belde hem. Hij voer direct tegen haar uit. Hoe had ze het hart kunnen hebben, hem te vergiftigen en hulpeloos achter laten op de bank in de woonkamer. Hij was radeloos geweest, waar was zijn vrouw toch naartoe? Waaron had ze hem in de steek gelaten? Waarom dook ze voor hem onder alsof-ie een boef was, samen met dat jong van d'r? Hij was steeds harder gaan razen door de telefoon en toen mijn moeder vertelde waar we zaten, explodeerde-ie. 'Ik kom gelijk naar dat rotte zooitje toe, godverredomme!' En bam - ging de hoorn erop. Drie kwartier later stond ome Klaas inderdaad te schreeuwen, bonzen en loeien aan de deur van het Blijf van mijn lijf-huis. De gebruikelijke taferelen. Alleen ging het nu opeens om onze eigen man en stiefvader. We konden hem goed tekeer horen gaan. Af en toe hoorden we tussendoor dat er iets terug werd gezegd via de intercom. Dat maakte ome Klaas alleen maar razender. Totdat er kennelijk met de politie gedreigd werd door de leiding. We hoorden nog wat geram en gevloek. Dan even stil. Tot slot gierende banden van de Mitsubishi Galant. Ook met mij werd gepraat door de leiding. Ik kon gerust alles zeggen. Wat ik van mijn stiefvader vond. Hoe het thuis ging. Ik vertelde dat ik mijn stiefvader niet zo'n aardige man vond en dat ik het niet met hem kon vinden. Verder hield ik me een beetje op de vlakte, ze moesten het maar aan mijn moeder vragen. Instinctief voelde ik aan dat het mijn stiefvader zou gaan lukken om ons weer mee naar huis te krijgen. Ik kon dus beter maar niet al te negatief over hem doen, want dat kreeg-ie dan vast te horen en wie weet wat voor gevolgen dat voor mij zou kunnen hebben. Het tweede telefoontje van mijn moeder naar huis ging heel anders. Ome Klaas snikte en snotterde dat-ie zo'n verdriet had dat we weg waren. Hij zou er alles aan doen om te zorgen dat we een gelukkig gezinnetje zouden worden. Als we maar terugkwamen. Mijn moeder legde neer. Ze ontspande zich voor het eerst in dagen tijd een beetje en een tevreden lachje brak door in haar gezicht. 'Wat denk je, Stien, zullen we Klaas uitnodigen voor een gesprek hier?' 'Ach ja... praten kan nooit kwaad.' Hij verscheen fris geschoren en onberispelijk gekleed voor de afspraak in het Blijf van mijn lijf-huis. Hij had een bos rozen bij zich. Eerst spraken twee mensen van de leiding buiten met hem. Een jonge vrouw, samen met een grote sterke mannelijke collega. Toen dat goed ging, mocht-ie naar binnen. Daar volgde een tweede gesprek, nu met de directeur van het huis. De grote sterke man hield ook hierbij een oogje in het zeil. Toen ook dat gesprek naar behoren was verlopen, was het grote moment van de hereniging aangebroken. De grote sterke man liet ome Klaas binnen in het vertrek waar mijn moeder nagelkauwend van de spanning op hem zat te wachten. De tranen stroomden mijn stiefvader over de wangen. Snikkend omhelsde bij zijn vrouw. 'Och Stien, wat heb je me toch aangedaan meissie...' Beduusd liet mijn moeder het over zich heen komen. 'We gaan naar huis en beginnen opnieuw...' De grote sterke man en de directeur volgden het tafereel met waakzame blik. Aan de andere kant van de kamer zat ik roerloos op een stoel te wachten op wat nu komen ging. Ik hoopte dat-ie mij niet zo ging omhelzen en ondersnotteren. Ik rilde al bij de gedachte. Het bleef bij een onhandige zwaai naar mij. Zijn kletsnatte ogen zochten en vonden de mijne. 'Zo, Nelis...' Afgesproken werd, dat mijn moeder er nog een nachtje over zou slapen, en hem de volgende ochtend weer zou bellen. ****** (wordt vervolgd) ******

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen